Echte literatuur kan alleen daar ontstaan waar zij geschapen wordt door dwazen, kluizenaars, ketters, rebellen, dromers en sceptici, en niet door gewetensvolle ambtenaren vol goede bedoelingen. —Jevgeni Zamjatin, 1921
‘Vaag‘ is het tegenovergestelde van ‘helder‘, maar is dit dezelfde tegenstelling als complex/eenvoudig of indirect/direct? Wat gebeurt er als een tekst wazig wordt rond de randjes of tussen de regels, en waar ligt de grens tussen prikkelend ambigu en frustrerend warrig? In dit nummer van Kluger Hans gaan we op zoek naar eenduidigheid en meerduidigheid in leven en literatuur en verkennen we de voors en tegens van inhoudelijke en stilistische helderheid. Stijl en inhoud (vorm en plot, het zeggen en het gezegde … ) kunnen niet los van elkaar gezien worden – ze vormen een continuüm net als de Ruimtetijd – dus wanneer kies je als schrijver voor complexiteit of onbepaaldheid, en wanneer is het essentieel dat iedere lezer je begrijpt? En sluiten helderheid en complexiteit elkaar uit? Gedicht, essay, proza, dagboek, spoken word—welk medium kies je voor jouw idee, boodschap, gevoel, en hoe verken je de mogelijkheden van dat medium?
Zamjatins bekende citaat hierboven benadrukt dat echte kunst contrair is, tegen de orthodoxie ingaat. En alle periodes en stromingen kennen zowel ketters als ambtenaren. In een tijd van militarisering en nationalisme is dadaïstische poëzie de enige rationele reactie, en een tekst als Kurt Schwitters’ Ursonate is nadrukkelijk geen vaagheid om de vaagheid, geen l’art pour l’art. In een periode van alomtegenwoordige relativering is juist heldere oprechtheid heel avantgardistisch. Het is ketters om rechttoe rechtaan te schrijven wanneer iedereen verzandt in warrigheid, maar het is ambtenarig om altijd direct te willen zijn als de wereld al heel zwart-wit is en minder en minder nuance kent.
Als een tekst een boodschap of een (politiek) ideaal kraakhelder wil communiceren, waar ligt dan de grens tussen literatuur en retoriek? Is een werk dat haast onleesbaar vaag is en de meeste lezers buitensluit kunstzinnig, of onttrekken makers zich zo aan hun verantwoordelijkheid jegens het publiek? — Verbergen schrijvers dat ze eigenlijk niks te zeggen hebben? Zijn we bang verkeerd begrepen te worden of willen we juist niet vast te pinnen zijn? En waar ligt in ons dagelijks leven het verschil tussen irritante halfslachtigheid, kwetsende duidelijkheid en sympathieke warrigheid?
Stuur ons jouw verhaal, gedicht of essay tussen ondubbelzinnigheid en verwarring, tussen helderheid en grilligheid, en draag bij aan Kluger Hans #44: Blur.
Kluger Hans doet ook graag expliciet een oproep naar beginnende literairevertalers. Wil je graag werk van een opkomende schrijver uit een ander taalgebied vertalen naar het Nederlands? Stuur dan zeker je voorstel in, want we zetten met plezier vertaaltalenten en internationale schrijvers in de kijker. Voor meer info over de voorwaarden kijk je even op onze inzendpagina.
Als tweede favoriete tekst uit het nieuwe nummer koos peter Gershwin Bonevacia voor het gedicht ‘blauwbekken’ van Elsbet De Pauw.
Elsbet de Pauw geeft prikkelende, originele en inspirerende richtingaanwijzers taal. Elsbet doet een vonk overspringen. Als het vuurtje eenmaal brandt, dan is het onmogelijk te blussen. De taal die de schrijfster gebruikt in combinatie met de stijl is een uitnodiging aan elke lezer om vooral door te lezen, meer te lezen. Het gedicht is even confronterend als waardevol, strak en zacht.
Fragment uit ‘blauwbekken’ van Elsbet De Pauw
‘blauwbekken’ in #43 Huid.
ze sterft in negen aanblikken of dat hoopte je toch want in deze stad is ze springlevend als gasolie en altijd nabij je probeert haar te vinden in eender welke gedaante – een magere jongen, een oude krommerd in trainingsvest, een dertiger met hetzelfde haar en iedere vergissing krast, haar mond vormt het centrum van de wereld dat is niet goed, zegt iemand zo moet je het niet doen
maar wanneer het zwijgen zich in haar lippen heeft vastgebeten is het ook in de wereld, ook bij jou koud dat is niet goed, zeg je tegen jezelf en je bent bang, omdat je overal in bent gaan leven en nergens meer lijkt uit te kruipen
kleine oogjes hebben zich in je gezicht vastgeprikt, zonder masker lijk je op een molletje ’s avonds woel je door de tunnels onder de grond, voltrek je in je eentje een ondergrondse rouwstoet door de stad voor alles wat is doodgegaan
credits: Michiel Devijver
Elsbet De Pauw (Gent, 1998) schrijft poëzie, essays en proza. Ze behaalde een master in de Vergelijkende Moderne Letterkunde aan Universiteit Gent en werkt mee aan Pardon!, een zine over intersectioneel feminisme. In 2020 ging ze mee met de Parijsresidentie van deBuren en werk van haar verscheen o.a. in De Internet Gids, Deus Ex Machina, De Reactor en de Volkskrant.
Wil je graag dit gedicht en/of de andere aaibare teksten op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #43 Huid in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #43 Huid toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
De tweede tekst die meter Maud Vanhauwaert kiest uit het nieuwe nummer is ‘Zeesneeuw van Helena van Lare’.
Meter Maud Vanhauwaert met het nieuwe nummer
Er wordt in deze tekst gerefereerd aan— althans zo lees ik het— bootvluchtelingen. In teksten over dat thema liggen clichés vaak op de loer, maar hier werd gekozen voor een bijzonder originele insteek. Het verhaal is namelijk geschreven vanuit het perspectief van het lichaam. Op meticuleuze wijze wordt beschreven hoe een verdrinkend lichaam ontbindt en vergaat in de zee. ‘De linkerhand komt los en verdwijnt wuivend in de diepe duisternis.’ Je kan de ontbinding zien, ruiken, proeven, horen, voelen, ja, de schrijver speelt op al je zintuigen. Enerzijds is het een hartverscheurende tekst, navrant en weerzinwekkend. Anderzijds ligt er ook veel troost in besloten: ergens is het een geruststelling te weten dat wij allen zullen vergaan en oplossen in het alles van het niets. Het laatste deel van de tekst is me nog niet helemaal duidelijk, maar doet vermoeden dat deze tekst deel uitmaakt of zal uitmaken van een langer geheel. Ik kijk er in elk geval naar uit nog veel meer van deze schrijver te ontdekken!
Fragment uit ‘Zeesneeuw’ van Helena van Lare
Ze vertrokken in het donker. Na vier uur varen in de nacht trok de boot plotseling scheef, mensen kwamen overeind en het water sloeg over de rand, of eerst het water misschien en daarna veerden mensen omhoog, en het volgende moment sloeg de boot om.
***
‘Zeesneeuw’ in #43 Huid. Links: werk van Jana Cordenier.
Een lichaam deint op de kalme golven. Zeewater stroomt de halfopen mond binnen. De opgezwollen tong sluit de keel bijna geheel af. Zout water sijpelt langzaam door een spleetje de luchtpijp binnen, neemt in de longen de plaats in van lucht.
Het lichaam kantelt, rolt om, het hoofd duikt voorover. Het zakt onder water – hoofd, romp, het hele lijf – en wordt enkele meters onder de oppervlakte door de stroming meegevoerd. Het beweegt soepel, zonder weerstand, in een horizontale baan; een zachte, lome dans in een immense ruimte tussen hemel en aarde, gevuld met miljarden liters water. Beneden ligt het uitgestrekte duister van de zeediepte, boven breekt het zonlicht schitterend wit door het helblauw.
In de rimpelige handpalmen zuigen slakjes zich vast aan de geplooide huid. Als rafelige cantharellen steken de handen uit de mouwen. Ondertussen groeit het aantal bacteriën en schimmels binnenin het ontbindende lichaam explosief. Eiwitten en suikers worden afgebroken. De darmen vullen zich met gas.
Helena van Lare (Heerlen, 1969) studeerde driedimensionale vormgeving, verdiepte zich daarna in illustreren en begon vervolgens met schrijven. In 2019 debuteerde ze met een kort verhaal in De Revisor. Momenteel werkt zij aan een roman.
Wil je graag deze tekst en/of de andere aaibare teksten op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #43 Huid in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #43 Huid toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
Sam Theunissen weet op een frisse wijze woorden te geven aan een alledaagse observatie. Iets waar iedereen wel eens over na heeft gedacht. Een gedachte waarvan we er wel zo’n 120.000 op een dag hebben, al deze gedachten zijn het waard om over te schrijven, al deze gedachten verdienen een gedicht. Klein, beeldend en herkenbaar. Het gedicht maakt contact, je mag dichterbij komen of diep van binnen plaatsnemen. Er is genoeg ruimte om nog een vraag te stellen, tegelijkertijd is alles beantwoord.
Lees hier het gedicht van Sam Theunissen
op de band bij een kassa van de Lidl leg ik mezelf als beurtbalk neer je zou denken dat het past maar er valt een pot augurken om en nu liggen scherven rond mijn mouwen, er sijpelt vloeistof in als dit sterk water is begrijp ik eindelijk waarom iemand bewaard zou willen blijven
Sam Theunissen in #43 Huid. Links: werk van Charlie De Voet.
het is zoeter dan ik me had voorgesteld, nauwelijks zuurder dan vergeten zijn
een oudere betaalt met muntgeld alsof er genoeg tijd is voordat het rotten echt begint, hij denkt vast vier tot zeven dagen maar dat geldt voor appels met een schil die ik allang verloren ben – ik zit enkel in een losse huid waar acryl zich in graaft, waarin ik word opgetild, vooruit geduwd een BLIEP
ik vraag me af voor wat ik door zou kunnen gaan ovenvers stokbrood, Toblerone, een banaan een zak spaghetti, een komkommer, bladerdeeg en wie me mee naar huis toe neemt welke voorraadkast, keukenlade, welk bed ik zal worden ingestopt en opgedroogd
credits: Isa Emmen
Sam Theunissen(1998) schrijft, studeert en aait veel honden in Nijmegen. Daar was die in 2021–2022 campusdichter. Ze schrijft poëzie waarin de grens tussen realiteit en dagdromen vervaagt, en stond hiermee o.a. op het Wintertuinfestival en Dichters in de Prinsentuin en bij Mensen Zeggen Dingen. Eerder zijn diens gedichten geplaatst op Notulen van het Onzichtbare en in Seizoenszine. Ook is ze redactielid bij literair tijdschrift Op Ruwe Planken.
Wil je graag dit gedicht en/of de andere aaibare teksten op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #43 Huid in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #43 Huid toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
Voor meter Maud Vanhauwaert viel de keuze zwaar: “Deze Kluger Hans komt je heel dicht op de huid zitten! Ik vond het niet makkelijk om twee teksten te kiezen, net omdat alle bijdrages een grote eigenheid bezitten, zowel inhoudelijk als vormelijk, en daarom moeilijk vergelijkbaar zijn. Maar er zijn twee teksten die niet alleen op, maar ook onder mijn huid kropen.”
Eén van die twee is ‘Waterrimpels’ van Falun Ellie Koos, en wel hierom:
‘Waterrimpels’ is een tekst die grossiert in onderhuidse spanning. Deze tekst gaat — in een notendop— over een zus die haar jongere broer opzoekt in een instelling. Ze blikt terug op hun kindertijd en op de verwachtingen van hun vader. ‘Dan zei hij dat ik, een meisje, meer man was dan jij en mochten we niet stoppen (met armworstelen) tot je van me won.’ Wat deze tekst zo sterk maakt is dat er zoveel niet wordt gezegd. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk in wat voor instelling de broer nu zit en wat er in zijn leven precies is gebeurd waardoor hij hier terecht kwam. Welke watertjes moest hij doorzwemmen tussen het zwembad waarin hij zo graag en goed zwom als kind en het zwembad uit de instelling dat hij eigenhandig heeft uitgegraven maar waar hij aan de kant blijft staan? ‘Waterrimpels’ heeft zo’n grote suggestieve kracht en is dan ook een tekst die nog lang na-rimpelt. Ik geloof ook dat dit kortverhaal de potentie heeft om verder uitgewerkt te worden tot een novelle of roman.
Fragment uit ‘Waterrimpels’van Falun Ellie Koos
Ik heb een foto van jou in een zwembad, je bent een jaar of zes. Je ligt op je rug in het blauwe water, ondersteboven vanuit het standpunt van de camera. Je armen zijn gespreid en je benen opgetrokken, klaar om jezelf krachtig door het water voort te stuwen. Je haar glanst van het nat en je pony kleeft tegen je voorhoofd. Je kijkt met je dikgewimperde ogen omhoog, recht de camera in, brutaal en vol vertrouwen, maar ook een beetje dromerig, alsof de camera je met zijn felle flits uit een andere wereld heeft getrokken.
De foto hing nooit aan de muur, er konden geen spijkers in de dunne muurtjes van onze stacaravan. Ik vond hem in een schoenendoos samen met een lading andere, waaronder een foto in het ziekenhuis vlak na jouw geboorte. Ik sta er niet op, ik weet niet waar ik was. Onze moeder ligt in bed met jou op haar armen, ze glimlacht en huilt. Jij bent nauwelijks zichtbaar, een roze wang en een neusje. Onze vader staat stijf links naast het bed, zijn mond een strakke lijn en zijn rode kop één en al groeven en hoeken, waarin zijn neus het meest uitsteekt en zijn ogen klein en troebel een beetje wegvallen. Hij heeft een gezicht alsof iemand hem met een schroef in de vuist in een stuk hout heeft gekerfd. Onze moeder daarentegen heeft nauwelijks lijnen, ze is rond, zacht en rozig. Als een waterverfvlek die zich steeds verder uitbreidt op een papier en alsmaar bleker wordt.
‘Waterrimpels’ in #43 Huid. Links: werk van Charlie De Voet.
Telkens wanneer onze vader je in onze jeugd verweet dat je teveel op onze moeder leek dan moest ik aan de foto denken, aan haar betraande ogen, aan haar zweterige wangen en haar slierterige haar tegen die wangen geplakt. Ik vergeleek het kleine gezicht op die foto met het jouwe. Probeerde haar in jou te vinden. In je wangen waar ik met mijn vingertoppen overheen streek wanneer ik je wilde troosten, zodat de tranen zich van je huid losmaakten en zich aan mijn vingers hechtten, waar ze bleven hangen tot ik ze aan mijn broek veegde en ze verdwenen in de stof. Ook wanneer je ogen droog waren, knuffelden we stiekem, in de inloopkast van de slaapkamer. Dan aaide ik met mijn duimen over je wenkbrauwen of hield jij je dikke bruine wimpers dichtbij mijn gezicht en vroeg ik je te knipperen zodat ze me zacht kriebelden. Onze vader werd boos als hij ons zulke dingen zag doen. Soms beval hij ons om samen een potje armpje te drukken, ik won altijd. Dan zei hij dat ik, een meisje, meer man was dan jij en mochten we niet stoppen tot je van me won. Het werd natuurlijk alleen maar moeilijker naarmate je arm ver- zuurde. Ik kneep je zweterige handje in het mijne fijn.
Toen ik jaren na jouw uithuisplaatsing zelf ook vertrok, nam ik alleen de foto van jou in het zwembad mee.
Nu zit de foto in mijn borstzak. Ik had hem meegenomen om aan je te laten zien, om herinneringen op te halen. Maar nu ik tegenover je zit, wil mijn hand niet naar mijn borstzak, willen mijn vingers niet aan het gekreukte fotopapier trekken.
Bij binnenkomst viel me op hoe groot je bent, bijna twee meter. Lan- ger dan onze vader. Je bent ook breed en het is niet alleen maar vet, ik zou je niet meer kunnen verslaan met armpjedrukken. Je buik puilt een stukje onder je tanktop uit, over de witte huid lopen paarse striemen. Alsof je huid je binnenkant niet meer kan houden en langzaam open scheurt. Rond je rechterarm kronkelt een tatoeage van een duivelse hond, slangachtig en helemaal zwart, waardoor je huid voor een groot gedeelte dus ook zwart is. Pikzwart. Een pet bedekt je hoofd en een on- regelmatige baard kan de diepe kraters die acne op je wangen achter- liet niet verbergen. Je hebt nog steeds dikke wimpers, al liggen je ogen dieper in hun kassen. Je blik struikelt heen en weer tussen de grond, je handen en mijn voorhoofd.
Om ons heen zitten harde mannen van uiteenlopende leeftijden te kaarten, tv te kijken en te tafelvoetballen, de ruwe bas van hun stemmen vult de ruimte als sigarettenrook.
‘Sorry van de herrie,’ zeg je.
Falun Ellie Koos. Foto: Roeltje van de Sande Bakhuijzen.
(…)
Falun Ellie Koos (1992) is schrijver en filmmaker. Falun studeerde af in Writing for Performance aan de HKU. Hun korte film De Vloer is Lava werd genomineerd door Rialto for Short. Hun proza werd gepubliceerd bij De Internet Gids. Momenteel werkt Falun aan hun debuutroman bij Atlas Contact.
Wil je graag deze tekst en/of de andere aaibare teksten op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #43 Huid in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #43 Huid toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
We brachten een nieuw nummer uit: #43 Huid. In een wereld waar we elkaar zo lang niet hebben kunnen vastpakken loeren huidhonger en overprikkeling om de hoek. De huid herinnert zich een heel leven. In #43 Huid raken de teksten aan de vele levens van dit belangrijk orgaan.
Een nieuw nummer betekent natuurlijk ook weer een prikkelende Literaire Schurft waar we auteurs uit het tijdschrift een podium geven om hun bijdragen te presenteren.
Wie? Auteurs Eelco Couvreur, Elsbet De Pauw en Leonore Spee zorgen voor een fijne avond vol ontmoetingen en hunkeringen.
Waar? Atelier 1 van De Kazematten in de Kazemattenstraat 17, 9000 Gent.
Wanneer? Zaterdag 12 november om 19.30 uur.
Ik wil komen! Let op: Atelier 1 van de Kazematten heeft een beperkte capaciteit. We werken daarom met (gratis!) inschrijvingen.
Leonore Spee is theatermaker en performer. Met Sascha Bornkamp richtte ze Teletext op. Teletext maakt Nederlandstalige muziek en muziek- theatervoorstellingen, ontwikkelt audiotours, geeft workshops, creëert locatieprojecten en smeedt artistieke allianties binnen en buiten de blackbox. Ze is verbonden aan het Gentse performancecollectief Ontroerend Goed en muziektheaterhuis WALPURGIS. Ze is lid van feministisch schrijverscollectief Hyster-x.
Eelco Couvreur is muziekjournalist, schrijver en dichter. Zijn debuutroman Totok Terror Corps onderzoekt de blijvende effecten van het koloniale verleden, het racisme en het geweld in Nederlands-Indië op derde generatie Indische-Nederlanders. De roman verschijnt komend voorjaar bij De Arbeiderspers. Eelco is student Poëzie aan De Schrijversvakschool in Amsterdam, waar hij ook woont.
Elsbet De Pauw schrijft poëzie, essays en proza. Ze behaalde een master in de Vergelijkende Moderne Letterkunde aan Universiteit Gent en werkt mee aan Pardon!, een zine over intersectioneel feminisme. In 2020 ging ze mee met de Parijsresidentie van deBuren en werk van haar verscheen o.a. in De Internet Gids, Deus Ex Machina, De Reactor en de Volkskrant.
Heb jij #43 Huid nog niet? Dat probleem kan je oplossen via onze webwinkel.
In een wereld waar we elkaar zo lang niet hebben kunnen vastpakken loeren huidhonger en overprikkeling om de hoek. In dit nummer komen aanrakingen, ontmoetingen en hunkeringen aan bod. Soms zijn ze gewenst, soms zijn ze verschrikkelijk, terwijl sommige nog moeten komen. En zo herinnert de huid zich een heel leven.
Dat is ook zichtbaar in ‘Dertien’ van David Jacobowicz. Het verhaal volgt de littekens op het lichaam van een eenenveertigjarige verteller en wat die zeggen over een zware operatie en azuurblauwe kniebeschermers. Leonore Spee’s ‘Huis’ vertelt over wat nog komen kan en over de zoektocht naar een nieuw begin na een gebroken hart in een goedkoop en verdacht appartement. Het leven toont zich als iets dat sporen achterlaat, maar dat zich ook nog ver in de toekomst uitstrekt. In het kortverhaal van Falun Ellie Koos wordt het belang van familie aangestipt. In ‘Waterrimpels’ bezoekt het hoofdpersonage haar broer terwijl ze nadenkt over hun vader, hun jeugd en rimpelige vingertoppen na te lang in het zwembad te zitten. De gesprekken tussen broer en zus zijn simpel, maar onderhuids sluimert er veel meer.
Ook zachtheid krijgt een plaats in #43 Huid. ‘In al je allergieën’ van David Huyghe is een warme liefdesbrief over alle dingen die een mens doet, wil doen en heeft geprobeerd. Uschi Cop neemt ons mee naar een wrangere zachtheid. ‘De Kamer’ speelt zich af in een tijd vol virussen en dood, niet in het verleden, maar in de toekomst. De etherische Anna begeleidt een man, met veel zachtheid en intimiteit, doorheen een opruiming. In ‘Amintire din Odesa/Aandenken uit Odessa’ van Ana Alexandrescu in vertaling van Charlotte van Rooden kruipt Natalka in de huid van een professionele zeemeermin, om zo hopelijk genoeg geld te verdienen aan enthousiaste toeristen. Het leven in Odessa wordt echter steeds moeilijker en daarmee ook haar samenwerking met Aleksej, haar bewaker.
De huid is een belangrijk orgaan waarmee we de wereld verkennen, maar waarmee de wereld op zijn beurt ook ons tactiel en visueel bevoelt. Laat de teksten in de nummer je (aan)raken en verwarmen, of juist doen zinken in koud, prikkelend water. Of streel zonder te lezen over de vele woorden en kunstwerken en ervaar de papieren huid van deze Kluger Hans.
Je ontdekt teksten van Uschi Cop, David Huyghe, Liandel Lamers, Falun Ellie Koos, Ana Alexandrescu in vertaling van Charlotte van Rooden, David Jacobowicz, Eelco Couvreur, Leonore Spee, Thijs Hoekstra, Sam Theunissen, Helena van Lare en Elsbet De Pauw.
Gastredacteurs van #43 Huid: Sholeh Rezazadeh en Misha Verdonck.
De kunstenaars: doorheen dit nummer zie je kunst van Jana Cordenier enCharlie De Voet. Jana’s werken zijn als dunne vellen die beschilderd worden met kleurrijke lijnen van stof. In de lichte stof blijven de naaldenprikken achter als sporen in de lucht. De werken van Charlie brengen een behandeling van verf als was het de huid van het canvas. De lagen verf zijn als lagen die gevild, getransplanteerd en uitgerokken worden. Rimpels lijken striae, de oppervlaktelaag ligt in bijna lijfelijke plooien.
Nummer 43 Huid wordt onder de vleugels genomen door twee sterke schrijvers: Maud Vanhauwaert en Gershwin Bonevacia. We stellen ze allebei graag voor. Beide schrijvers brengen krachtige poëzie, maar zoeken ook de grens op met andere genres zoals theater en muziek. In hun werk onderzoeken ze maatschappelijke thema’s. De twee peetouders ondersteunen mee de nieuwe namen die in dit nummer te lezen zijn. Gershwin en Maud kiezen daarbij elk hun twee favoriete teksten uit het nummer. Die verschijnen binnenkort (mét een toelichting!) hier op Roergebied.
Maud Vanhauwaert
Maud Vanhauwaert. Foto door Siege Dehing.
Maud Vanhauwaert schrijft en maakt. Ze behaalde een masterdiploma Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Antwerpen en een masterdiploma Woordkunst aan het Conservatorium van Antwerpen, waar ze nu zelf doceert. Voor haar poëziedebuut Ik ben mogelijk (2011, Querido) kreeg ze de Vrouw Debuutprijs, voor haar bundel Wij zijn evenwijdig_ (2014, Querido) de Hughues C. Pernathprijs en de Publieksprijs van de Herman De Coninck-wedstrijd. In haar werk zoekt ze naar speelse theatrale vormen om poëzie publiekelijk te maken. Met haar performances trad ze op op radio en tv, in binnen- en buitenland, van opera tot schapenstal. Ze werd aangesteld tot ereburger van de stad Veurne en van 2018 tot 2019 was ze stadsdichter van Antwerpen. In mei 2020 verscheen Het stad in mij(Das Mag), dat werd bekroond met de Jan Campertprijs 2020.
Maud zoekt stemmen!
Hoeveel verschillende combinaties kan je maken met de woorden van de zin ‘Ik spreek de taal nog niet zo goed’? Maar liefst 40.320. Maud Vanhauwaert heeft het plan opgevat om in 2023 een audioperformance te organiseren waarin álle versies worden opgesomd. Het wordt een waanzinnige marathon, een lange bezwerende toverformule, een meerstemmige ode aan de taal. Daarvoor heeft ze jouw hulp nodig!
Wil je samen met haar deze performance waarmaken en heb je twee minuutjes tijd om een fragment te vertegenwoordigen*? Dan ben jij de persoon die ze zoekt. Stuur een mailtje naar info@maudvanhauwaert.be voor meer informatie.
*Het enige wat je nodig hebt is een manier om tekst op te nemen. De voice-recorder van je gsm volstaat bijvoorbeeld al.
Gershwin Bonevacia
Gershwin Bonevacia. Foto door Sharon Janed.
Gershwin Bonevacia is dichter, schrijver en performer. Van maart 2019 tot januari 2022 was Gershwin stadsdichter van Amsterdam en schreef hij maandelijks een gedicht in Het Parool. Zijn poëziedebuut Ik heb een fiets gekocht gaf hij in 2017 in eigen beheer uit en maakte hij eigenhandig tot underground classic door er meer dan 6.000 exemplaren van te verkopen. In 2021 verscheen zijn nieuwe dichtbundel Toen ik klein was, was ik niet bang bij uitgeverij Das Mag en vertaalde hij het kinderboek Zo klinkt verandering van de befaamde Amerikaanse spoken word artiest Amanda Gorman. Met zijn kenmerkende manier van voordragen maakt hij regelmatig deel uit van culturele programma’s. Gershwins stormachtige opkomst als dichter ging door zijn dyslexie niet vanzelf, maar het worstelen met woorden maakte hem tot een vindingrijke woordkunstenaar. Gershwin is dit jaar een van de schrijvers van ‘3PAK’, het gratis geschenk van de Boekenweek van Jongeren. Het is de eerste keer dat er een dichter meewerkt aan ‘3PAK’. In 2023 staat Gershwin in het theater met de voorstelling Terug naar Prinsenplein. Daarnaast is hij met een album bezig, stay tuned!
Zeker lezen!
Gershwin wil graag de bundel Bewijs van bewaring (2022) van Iduna Paalman voor het voetlicht brengen. Bewijs van bewaring is een zoektocht naar wat verzwegen werd en wat zich bewust verborgen hield. Een bijzondere ode aan vrouwen die lang over het hoofd werden gezien. Iduna Paalman zoekt in archieven, getuigenissen en vrouwelijke ervaringen en probeert in poëzie het ongeziene adem te geven. Wat beweegt er tussen speeltafel, schaamte en schavot?
Wat is schrijfmuziek? Deze podcast van Dans! Dichter Dans! exploreert deze vraag. In aflevering 1 bespreken Melanie Asselmans en Zindzi Tillot Owusu de verwachtingen en ervaringen van de performance op het podium.
Luister hier alvast naar drie fragmenten uit de eerste podcast van Dans! Dichter! Dans!
Melanie Asselmans deelt haar ervaringen rond tekstvoorbereiding en repeteren. Ze draagt een stuk spoken word voor uit Borst, een salonsessie rond vrouwelijkheid en kunst in De Studio.
Tot nu toe ging het allemaal goed binnen de grenzen van het redelijke. Ik bereikte wat er van mij verwacht werd. Ik heb een degelijke job. Niet buitensporig goed betaald, maar toch genoeg om toch een elektrische fiets onder mijn bezittingen te rekenen. Exact twee kinderen heb ik, en een vent die mooi is maar niet buitensporig mooi, zoals ikzelf ook niet oerlelijk of beeldschoon ben. Seppe (14 jaar) en Simon (17) zijn de perfecte middelmaat. Niet slim, maar zeker niet achterlijk! Veel bekijks van het andere geslacht hebben ze nog niet, noch van hetzelfde geslacht (we zijn ruimdenkende ouders, hé). Maar dat komt nog wel want ook zij zijn niet lelijk en hun karakter is van een doorsnee aangenaamheid, zij het doorspekt met wat menselijke gebreken. Karakterfoutjes zoals mijn vent en ik er hebben. Hij is lui en ik jaloers. Geen zaken die onoverkoombaar zijn.
We behoren tot de gemiddelde leeftijd van het land en voelen er ons goed bij. Redelijk veel mensen zijn jonger, maar een heel aantal mensen is een stuk ouder. We zijn ongelovig maar houden een gaatje in onze geest open voor de mogelijkheid van iets dat ons overstijgt. We hebben de Koran en de Bijbel eens doorgenomen uit nieuwsgierigheid. We zijn niet te vinden voor de extremen van het politieke spectrum, en houden ons ver af van elke andere losbandigheid.
Er is een schaal op het aanrecht waar we de belangrijkste sleutels in bewaren.
Er is een veranda waar we in de lente sudoku’s maken, maar in de zomer is het er iets te warm.
Er is een gat in mijn oude blouse, die ik wel nog draag om te tuinieren op zondagen (tweewekelijks).
We hebben het wel voor migranten, die we met open armen ontvangen als we ze op het nieuws zien tijdens een interview in een rudimentair tentenkamp, maar als we er een tegenkomen loopt het gesprek wat stroef, omdat we een redelijk, maar niet buitensporig, gehalte aan complexen hebben over de blanke, nee witte, middenklasse waar we deel van uitmaken en die steeds in ons bewustzijn rondspookt als we een andere cultuur tegen het lijf lopen. Niets speciaals. Mijn vent, ik noem hem ‘ventje’ of ‘boelie’, is al vijftien jaar mijn wederhelft. We zijn nooit getrouwd, wat helemaal niet raar meer is. Er zit wat sleet op onze relatie sinds liefde en gemakzucht met de jaren wat dichter naar elkaar toe groeiden. Dat wil niet zeggen dat we elkaar niet om de anderhalve maand verrassen met een cadeautje of een kusje op een onverwachte plek. Ik ben trouwens de fiere eigenaar van een elektrische fiets, onlangs gekocht. Ja, het zet je echt wel aan om meer te bewegen, en zo kom je ook nog eens buiten.
Dat zijn wij, en we stijgen niet uit boven de tijdsgeest waar wij een perfecte dwarsdoorsnede van zijn. Toekomstige historici zouden fortuinen betalen om mij te kunnen interviewen. Ik ben de ideale vertegenwoordiger van deze plooi in de tijd.
De kinderen zijn naar de jeugdbeweging. Mijn vent en ik glippen er even tussenuit, niet dat het ouderschap ons koud laat, maar de kinderen kunnen gewoon nu en dan wat druk zijn (hoewel er bij beiden geen speciale gedragsstoornissen zijn vastgesteld). We fietsen langs de vaart op onze elektrische fietsen en praten nauwelijks. De stilte gaat ons nu al goed af hoewel we nog maar jonge veertigers zijn. Een verstandhouding die geen woorden behoeft en een rotsvast vertrouwen in elkaars toewijding aan samen rimpeliger worden. Dit is oefenen voor onze oude dag. We omarmen de sleur die de dagen afmat en de vrijheid beknot en het leven rustig en comfortabel houdt. Onze elektrische fietsen kunnen 40 kilometer per uur aan, maar we proberen altijd een aanvaardbaar gemiddelde van 25 te houden. Dat lukt aardig. De fietsen zijn zo robuust dat ik het nauwelijks voel wanneer ik over een put in het wegdek rijd.
Langs de vaart zit een visser. Het doet mij deugd te zien hoe zeer hij voldoet aan mijn beeld van vissers. Vermakelijk om te zien hoe sterk die man ook echt op een visser lijkt, alsof ze hem en de duizenden andere amateurvissers van middelbare leeftijd in fabrieken maken, compleet met dromen van obese karpers en een khaki vissershoedje tegen de zon, en exporteren naar de grote waterlopen van dit land . Het weer is mild maar ik weet dat hij ook bij hondenweer in zijn driekwartsbermudabroek op zijn uitklapstoel met bekerhouder zal zitten.
Ik vertraag om de details van de visser onder de loep te nemen. Jawel, zoals ik al vermoedde: de bermudabroek heeft te veel broekzakken. Hij draagt een moerasgroene regenjas zonder mouwen, en uit zijn borstzak steekt een vishaakje met fluo-oranje aas.
Elke visser die deze visser ziet, zou moeten weten dat deze man toont hoe een visser er moet uitzien. Elke visser zou er zo moeten uitzien om alle verwarring die aan de grondslag ligt van zoveel wanorde naar de vergetelheid te verbannen.
Ik wil hem wurgen.
Het is maar een gedachte, maar op dit moment wil ik hem wurgen. Of tenminste in het kanaal gooien.
Het vergt slechts een duw, een tikje eigenlijk, en dan ligt hij in het water. En het is verdomd koud. Hij zou het niet overleven. Er zijn geen omstaanders, enkel mijn vent zou het gezien hebben. Ook hij zal dus moeten sterven? Doodgewoon als deze gedachte in mij opkomt, shockeert het mij niet. Ik zou uiteindelijk wel zonder hem kunnen. We hebben een relatief goed verhaal opgebouwd samen maar er zijn andere verhalen die ik kan beginnen vertellen aan mijzelf. Eigenlijk wil ik dit niet, of niet echt. Ik wil de visser niet doden, of mijn vent. Maar als denkoefening volstaat het.
Toch krijg ik het niet uit mijn hoofd. Het feit dat het meer zou kunnen zijn dan dat, dat deze fantasie uit mijn hoofd kan breken en de realiteit veranderen is genoeg om er even verder over na te denken.
Hoe hard zou ik mijzelf de verdoemenis in dobbelen als ik dat deed? En toch is het voorlopig nog maar een idee. Ik zou nu kunnen stoppen, de visser is nog in zicht, afstappen, heel stilletjes naar hem toe sluipen, en de man in het water duwen. Er is nauwelijks een scheidingslijn tussen mij en de daad, tussen de kalme rede en de razende willekeurige waanzin.
Wat zou ik doen als de politie mij op het spoor komt? Hoe leg ik het uit aan de arm der wet die in mij wellicht een losgeslagen ziel zal zien die al jaren op de woede broedt die nu zo eloquent in mij woelt. Alsof er al die tijd een verborgen architectuur van het kwaad in mijn neuronen opgeslagen zat?
Mijn gedachten zijn een vrijplaats waarin elk idee de ruimte moet krijgen om te fermenteren. Het is maar een simpele gedachte die de stoppen kan doen doorslaan, voor even maar, tot de rede terugkeert. De oversteek naar de rede is even begaanbaar als die van de waanzin terug naar de rede. Er is een dunne lijn tussen beide. Het zijn twee landen met vage grenzen die zo in elkaar kunnen overlopen. Ik heb mijzelf veilig gepantserd in het centrum van wat aanvaardbaar is, alsof het mijlenver af ligt van de dichtstbijzijnde krankzinnigheid.
Ook al geef ik de reden van mijn moorddrang, nog zullen ze niet geloven dat ik in een vingerknip weer terug kan keren naar het normale bestaan. Het bestaan waarin ik op een zeer degelijke elektrische fiets rijd. Ik zou een psychiatrisch geval worden, opgesloten voor de korte episode van heldere zinsverbijstering waar ik mij aan over gaf. Hoe leg ik dat uit aan de kinderen?
De visser is al lang uit het zicht. We fietsen verder. Ik had gewild dat mijn vent eens iets zei, zodat ik terug in het hier en nu kom, weg van de aangename en beangstigende gedachte van radicale vrijheid. Ik wil geen lijken, maar hoe klauter ik uit mijzelf zonder een radicale breuk? Er is zoveel dat afgedaan wordt als vrijheid maar het niet is. Ik kan kopen wat ik wil, maar ik koop omdat het moet, omdat een knagend beestje van e-bike-reclame dat bij bushokken gluurt en in de brievenbus gepropt wordt, dat eist van mij. Ik hoef geen kinderen te maken maar men zei mij dat kinderen het grootste wonder zijn, dat ik niet zonder zou mogen kunnen. Ik kan de deur uit, weglopen uit mijn nette huis met robotstofzuiger, maar het is koud en al snel moet ik wel terug naar huis en vragen dat mijn vent een chocomelk maakt voor mij.
Misschien ligt vrijheid mij niet eens. Toch wil ik misschien gewoon de keuze krijgen, geen verplichting onder het mom van vrijheid.
We keren terug naar de parking waar we de fietsen op het fietsenrek achterop de auto plaatsen. Op de snelweg kijk ik nu en dan eens achterom om zeker te zijn dat de fietsen nog op het rek zitten, hoewel mijn vent er prat op gaat dat hij ze heel goed vastgemaakt heeft.
We halen onze in uniform uitgedoste kinderen af van de jeugdbeweging. De jongste werd uitgelachen omdat ik de badge met het logo van de jeugdbeweging op de verkeerde plaats van zijn uniform had genaaid. Niet erg, vanavond haal ik het eraf en zal hij mij de juiste plek aanduiden. Mijn vent en ik, we gaan naar bed. Slapen niet zeer vast maar ook niet te licht. Er zijn dromen gemoeid met onze nachten, maar die vergeet ik ‘s ochtends meestal opnieuw. Die van mijn ventje, daar heb ik nooit naar gevraagd, noch hij naar de mijne. We ontbijten en kiezen tussen brood of havermout, elke ochtend opnieuw. We zijn blij want onze jongens hebben zonder al te veel problemen hun middelbaar doorstaan. Ze studeren verder en doen het goed. Ik leer hen tijdens autorijden de delicate balans tussen koppelen en gas geven. Ze zijn het huis uit en ik zoek een hobby, net als mijn ventje. Ik leer Italiaans in avondschool maar zal er niet meer op reis gaan. Mijn vent verzamelt postzegels, maar zal nooit een brief versturen. We beitelen ons vast in ons bestaan en eten nog samen, maar dat is het dan. Op het bed ligt nog een dubbel laken. We knuffelen steevast eenmaal voor we ons keren en slapen. Het wordt moeilijker om ons te herinneren wie we vroeger waren. Er is ongemak als we jeugdfoto’s zien. De kinderen komen nog langs met taart om ons tezamen mee vol te proppen en ze vertrekken als alles op is. Dan moeten we scheten laten door die taarten maar dat doen we sinds een paar jaar niet meer in elkaars bijzijn.
Er zou een tijd komen dat we in volle verstandhouding afstand van het gedeelde bed doen, en ik of mijn vent zou verhuizen naar de kamer van een van de kinderen, die al die tijd leeg stond. Die tijd komt niet, want mijn vent sterft. Ik zie familieleden op de begrafenis. Hun naam ben ik vergeten. Het wordt een crematie, zoals de meeste mensen voor crematie kiezen tegenwoordig. Ik pas mijn kleren aan aan de ouderdom, begin doffe jurken met chrysanten en tulpen op te dragen als verbloeming voor wat eronder verwelkt. Er is al wat rot ingetreden. Ik betrap mijzelf meer en meer op slechte adem. Maar ik ben nog kranig voor mijn leeftijd. Ik kan een trap op en af, en ken nog een paar cijfers na de komma van het getal pi. Ik ben niet meer de eerste die het zal horen als mijn zonen een nieuw hoofdstuk omslaan in hun leven. Mensen lachen mij betuttelend toe op straat. Ik voed hun zelfgenoegzame Samaritaanse trekken als ze mij het straat over helpen – zelfs al vroeg ik daar niet om – maar ik laat ze doen. Ik begin mij dommer voor te doen dan ik ben. Aan kassa’s van winkels doe ik alsof ik verward ben en lach verweesd naar de gefrustreerde mensen achter mij in de rij terwijl ik met muntjes wil betalen in een cashloze wereld.
Robin Van der Plaetsen. Door Marte Van Rijckeghem.
Ik ben normaal genoeg om mijzelf heel vreemd te vinden als ik mezelf betrap in de spiegel. Een mens die op een mens lijkt.
Robin Van der Plaetsen (°1995) is boekverkoper bij boekhandel Walry in Gent, en houdt zich bezig met een tiental literaire projecten, onder hevige invloed van zijn studies taal- en letterkunde en Kunstwetenschappen. Zo werkt hij aan romans over stillevens, re-enactment, en ruimtehond Laika, en is hij momenteel ook bezig aan een voorstelling rond apocalyps en ondergang onder de noemer Literair Apocalyptisch Buffet. In 2017 kreeg hij de tweede plek voor zijn tekst over het zwart vierkant van Kasimir Malevich.
In dit kortverhaal onderzoekt Berit Brink de chaos van een disfunctionele familie. ‘Het vuur’ gaat over een moeder, twee dochters en de angst voor de vlammen die voor je het weet alles verteren.
Het vuur
Ieder jaar rond Pasen keken Julie en ik toe hoe mama grote takken en ander tuinafval naar de weide versleepte en een vreugdevuur bouwde waarop ze onze overtollige bezittingen verbrandde.
‘Een schone lei!’ riep ze, terwijl ze koortsachtig grote takken tussen de oude boeken en fotolijstjes stak.
Vlak daarvoor hadden we de oude beer van papa achter ons bed verstopt, samen met mijn konijn en Julie’s kangoeroe. De rest was niet te redden: speelgoedtreinen, Playmobilpoppetjes zonder armen, zelfs Abby’s zelfgemaakte ketting met plastic gele kralen – ze moesten er allemaal aan geloven. Elke keer als we iets in de vlammen lieten vallen verspreidde zich een dikke zwarte rook die nog dagen in onze haren bleef hangen. Alle kleding die niet meer versteld kon worden ging op de stapel, evenals de gebogen vorken die Abby had gebruikt om in de tuin te graven. Die brandden uiteraard niet, maar versmolten tot klompjes metaal die ik de volgende dag uit de as haalde en in mijn zakken liet glijden. Voor de vorm duwde Julie er meestal een paar tekeningen tussen die ze mislukt vond. Tot ze de haas wilde verbranden, vorig jaar.
Het was heel vroeg ‘s ochtends, en het eerste dat ik zag toen ik mijn ogen opende was Julie die in haar bureau rommelde. Ze greep naar haar oranje schetsboek.
‘Nee,’ zei ik, terwijl ik half uit bed tuimelde, ‘die niet.’
Ik griste het boek uit haar handen.
‘Sarah,’ zuchtte ze vermoeid. ‘Je moet – ’
Abrupt hield ze haar mond. Mama stond in de deuropening.
Die avond mocht ik niet mee-eten.
Maar dat gaf niet, want ik had de haas. Terwijl van beneden het geschraap van bestek op borden klonk zat ik op mijn bed met de haas op schoot. Hij had zijn ogen wijd open, alsof hij op het punt stond te ontsnappen. Ik streek met mijn vingertoppen over de schets en verbeeldde me het zachte, fluwelige van een echt konijnenoor te voelen. Van de onderste plank van mijn kledingkast haalde ik een grote glazen fles die ik in het bos had gevonden. Daar stopte ik de tekening in, alsof het een scheepje was, en ik verstopte het geheel onderin de sokkenla.
Ik heb nooit een jaar zonder vuur gekend. Maar nu is mama weg.
Vandaag zou de vuurdag zijn – of de dag van de brandstapel, zoals Julie het noemt – maar in plaats daarvan zit ik in de schommelstoel op de ijskoude veranda terwijl mijn vingertoppen beginnen te tintelen. De lucht is metaalgrijs, alsof de avond alweer is aangebroken voordat de dag is begonnen.
Julie duwt de deur open en komt de veranda op. Ik stop met schommelen.
‘Sarah,’ zegt ze, ‘Oom Marty komt zo langs. Zeg hem maar gewoon gedag, net als anders. Oké?’
Ze heeft haar nachtjapon nog aan. Haar lange haar hangt in een rommelige vlecht over haar schouder, als een rafelig touw.
Ik knik naar haar en begin weer te schommelen. Julie blijft staan. Ik zet mijn voet op de grond.
‘Wat?’
‘Niks. Heb je de kippen al gevoerd?’
Ik knik opnieuw. Ze staart me nog steeds aan.
‘Alles is oké, Sarah,’ zegt ze. Ze wacht tot ik knik, en dan trekt ze de deur weer achter zich dicht.
Het was altijd alleen wij en de weide. Alleen mama, Julie, ik, Abby en de boerderij. Als je me destijds naar het vuur had gevraagd had ik er om gelachen. Het was gewoon iets mafs, bijna een soort grap, één van mama’s eigenaardigheden. Apart, misschien, maar niets meer dan een deuk in ons dagelijks bestaan. Maar eigenlijk klopte dat niet.
Het enige routineuze aan ons leven was dat het geheel aan routine ontbrak. Er zat altijd iets in de lucht, als onweer, en je wist nooit wanneer het losbrak. Zoals toen met de schoolbus, een paam weken geleden.
Mama was naar de markt gegaan voor paprika’s en teruggekomen in een aftandse gele schoolbus. Ik was net met een bot mes een tak in een punt aan het slijpen zodat ik een pijl had voor de boog die ik had gemaakt, en Julie zat op de veranda te tekenen, haar benen opgetrokken en het schetsboek op haar knieën.Toen de bus ronkend de oprijlaan opkwam keken we tegelijk op. Mama toeterde en zwaaide met haar arm uit het raampje.
‘Wat denken jullie?’ riep ze, terwijl ze de treeplank afsprong en haar haar uit haar gezicht duwde. Ze wachtte niet op antwoord.
Ze zou de stoelen eruit slopen en er tafeltjes in bouwen. Ze zou zelf kastjes maken, en misschien zelfs een klein aanrecht met een fornuis.
‘Dan is het een soort huisje,’ zei ze, ‘of een mini-klaslokaal voor als ik na de zomer die lessen over het vormsel geef.’
‘Heeft de kerk daar geen lokalen voor?’ vroeg Julie, terwijl ze langzaam om de bus heen liep. Zij zou zelf ook vormsel doen dat jaar, dus zij kon het weten.
Mama keek haar scherp aan. Het leek alsof ze iets ging zeggen, maar het bleef stil. Ik stak mijn handen in mijn zakken en zocht naar iets om vast te houden. Een prop papieren zakdoek, wat kippenvoer. Een steentje. Het had een scherpe rand waar ik met mijn vingers langs gleed.
‘Julie en ik kunnen gordijnen naaien,’ zei ik snel.
Ik zag wel iets in een kampeerbusje, al had mama niets over kamperen gezegd.
‘We hebben nog bloemetjesstof.’
Te laat bedacht ik me dat die eigenlijk bedoeld was voor Julies nieuwe jurk. Maar mama reageerde niet. Ze veegde wat stof van een van de ruiten, bekeek haar vingertoppen, en stapte weer naar binnen. Julie legde een hand op mijn schouder.
‘Dat is een goed idee,’ zei ze, en ik liet het steentje los.
De volgende dag begon mama aan de bus. Ze sloopte eerst de stoelen eruit en smeet ze een voor een op de oprit. Ze had haar mouwen opgestroopt en haar lange haar in een knot gedaan. Toen Julie vroeg of ze koffie wilde reageerde ze niet, en als ik langsliep hoorde ik haar mompelen over metaallijm en dopsleutels. De schuur, die toch al nooit netjes was geweest, werd nu onbegaanbaar. Als ze niet in de bus was, was ze wel daar, op zoek naar gereedschap dat ik nog nooit had gezien.
Zelfs ‘s avonds, als wij al in bed lagen, hoorden we haar nog op de oprijlaan, zodat haar voetstappen in het grind zo vertrouwd werden als Abby’s zachte ademhaling. Zelf begonnen we aan de gordijnen. Het was echt mooie stof: een zacht maar stevig katoen in gebroken wit, met een motief van kleine blauwe bloemetjes die op vergeetmenietjes leken. Op de eerste dag, toen Julie dacht dat ik niet keek, zag ik hoe ze de stof even tegen haar borst hield. Ze leek haar adem in te houden, en heel even leek het alsof ze iemand anders was, niet mijn zus, maar een meisje uit een verhaal. Iemand die ik niet kende, maar wel graag wilde kennen.
Vlug zette ik de naaimachine aan.
Na een paar dagen waren de gordijnen af, en terwijl mama naar de markt was hing Julie ze op. Er lag rijp op het gras, en waar de zon op de bedauwde bomen viel begonnen hun stammen te dampen, alsof ze ademden. Julie draaide schroefogen in de zijkanten van de bus, waar ze een stuk waslijn doorheen reeg als gordijnroede. Ik zat achterstevoren op de bestuurdersstoel, mijn kin op de rugleuning.
‘Wat vind je?’ vroeg ze na een tijdje.
Ik was met mijn vingers in de condens op de ruit aan het tekenen en keek op. Julie stond midden in een gouden licht. Mijn mond ging open maar er kwam geen geluid. De bus zag eruit als een hut – een magische hut, zoals in Hans en Grietje. Verrukt rende ik op haar af en greep haar armen.
‘Laten we hier wonen!’
Julie lachte. ‘En waar gaan we dan slapen?’
Met één hand wreef ze wat condens van een raampje zodat ze Abby in de gaten kon houden, die op het erf met haar poppen zat te spelen.
‘Oh,’ zei ze, en veegde haar handen snel aan haar broek af. ‘Daar is mama. Kom!’
Mama was de auto nog niet uit of Julie troonde haar mee naar de bus. Ze trok haar de treeplank op en spreidde toen haar armen uit.
‘Verrassing!’
Mama bleef op de bovenste tree staan. Langzaam zette ze de bruine papieren tas op de chauffeursstoel en deed een paar stappen de bus in.
‘Mooi hè,’ zei ik hard. Ik keek naar Julie. Ze stond heel stil en kauwde op de nagel van haar wijsvinger.
‘Wat is dit?’ vroeg mama.
‘Gordijnen,’ zei Julie, ‘die Sarah en ik hebben gemaakt.’
Mama kwam dichterbij. Julie legde haar handen op mijn schouders. In mijn broekzak vond ik het steentje en duwde de scherpe rand onder mijn nagel. Zonder iets te zeggen deed mama de laatste paar stappen richting het raam en trok de gordijnen van de roede. Het maakte een verschrikkelijk geluid – een schril soort scheuren, als nagels langs een schoolbord. Ik kreeg er kippenvel van.
‘Nee!’ gilde Julie, en sprong naar voren.
‘Nee?’ Mama hield stil en keek haar met opgetrokken wenkbrauwen aan. Julie had tranen in haar ogen.
‘Alsjeblieft.’
Na een kort moment schudde mama haar hoofd. ‘Kom op zeg,’ zei ze met een klein lachje. ‘Het zijn maar gordijnen.’
Ze stak haar hand uit naar de volgende.
Dat was ongeveer een maand geleden. Sindsdien is Julie nog zwijgzamer dan anders, en ik ben voornamelijk bij de kippen of achter het huis. Aan de bus probeer ik niet te denken. Als ik buiten ben, draai ik er altijd van weg, zodat het niets meer is dan een vaalgele vlek aan de rand van mijn blikveld. Een veeg, even onbeduidend als het bos of de kippenren. Maar nu mama weg is, kan ik nergens anders meer aan denken. Elke ochtend lijkt het geel levendiger dan voorheen, fel als een oplichtend sein.
In de verte draait een pick-up truck de oprijlaan op. Oom Marty.
‘Waar is ze?’ roept hij, terwijl hij het portier met een klap dicht smijt. ‘Sarah!’
Hij komt op een drafje naar de veranda en springt het trappetje op.
‘Wat zei ze, Sarah?’
Heel langzaam laat hij zich zakken en laat zijn armen op de armleuning rusten, zodat ik niet meer kan schommelen.
‘Sarah,’ zegt hij, ‘dit is heel belangrijk.’
Ik kijk naar hem, naar zijn rode gezicht dat er altijd uitziet alsof hij op het punt staat een grapje te maken. Naar de bovenste knopen van zijn overhemd die altijd openstaan, zelfs nu het koud is. Naar zijn grijze borsthaar dat er bovenuit piept.
Ik doe mijn mond open en dan meteen weer dicht.
‘Ze weet het niet,’ zegt Julie, vanuit de deuropening.
Vanachter haar been gluurt Abby omhoog naar oom Marty. Oom Marty staat moeizaam op.
‘Ik begrijp het gewoon niet,’ zegt oom Marty, terwijl hij met vlakke hand over zijn gezicht strijkt. ‘Haar auto staat er nog. Zei ze niet waar ze naartoe ging?’ Julie duwt de deur verder open en draait zich om. Oom Marty lijkt even te aarzelen. Hij werpt een fronsende blik op mij, op het erf, op de auto. Dan volgt hij haar naar binnen.
Vanuit het kippenhok kraait een haan.
Een uur later vertrekt oom Marty weer. De hemel is nu zo donker dat de kippen terug hun hok in zijn gescharreld. Zodra de achterlichten van oom Marty’s truck om de hoek zijn verdwenen ga ik naar binnen. Ik heb geen gevoel meer in mijn vingers en tenen. Abby ligt languit voor de kachel te tekenen. Ze houdt een paars wasco-krijtje in haar knuist en duwt zo hard op het papier dat het kreukelt. Julie staat in de keuken in een pan met havermout te roeren. Het ruikt naar kaneel en de zware eau de cologne van oom Marty.
Ik ga de keuken in en blijf bij de eettafel staan.
‘Wat vroeg hij?’
Julie draait zich om en leunt tegen het aanrecht.
‘Hij vroeg waar mama is.’
‘En wat heb je gezegd?’
Julie haalt haar schouders op.
‘Dat ik het niet weet,’ zegt ze, en draait zich weer om. ‘Wat ook zo is. Technisch gezien.’
Ik steek mijn hand uit en glijd met mijn vingers over een kras in het houten tafelblad.
‘Denk je dat we haar moeten gaan zoeken?’ vraag ik.
‘Nee.’
‘Of de politie bellen?’ Julie draait zich met een ruk om en kijkt me scherp aan.
‘Waarom? Ze gaat toch wel vaker wandelen?’
‘Ja – ’
Ze schudt haar hoofd en draait zich weer naar de pan.
‘Nou dan.’
In de slaapkamer lijkt alles nog precies hetzelfde. Daar heeft Julie voor gezorgd. Haar bed staat in de hoek bij het raam, onopgemaakt, zoals altijd. Mijn bed staat in de andere hoek, met het verwassen roze dekbed erop en een wereldkaart erboven. Mijn knuffelkonijn staat naast Julies kangoeroe op de vensterbank, half verborgen achter de verbleekte rode gordijnen. Onder mijn voeten knerpt zand. De laden van de kast hangen open. Ik loop erheen en duw ze langzaam een voor een dicht. Bij de onderste la aarzel ik. Ik duw ‘m dicht. Trek ‘m dan direct weer open. Daar ligt de haas, met een diepe vouw in het midden. Geen fles.
Die is gisteren kapot gegaan.
‘Wat doe je?’ vraagt Julie.
Ze staat in de deuropening en speelt met het uiteinde van haar vlecht, veegt ermee over de palm van haar hand alsof het een kwast is.
‘Ik zocht de tekening,’ zeg ik. ‘Van de haas. Die jij had gemaakt.’
Ze komt de kamer in.
‘Hij is nog heel, toch?’
Ze steekt haar hand in de la en ontrolt het papier. De haas kijkt ons aan, zijn ogen zwart en glanzend. Julie staart er peinzend naar, en ik hoop dat ze de tekening aan mij geeft, zodat ik ‘m kan vasthouden en ervoor kan zorgen dat hij nooit kapotgaat.
‘Misschien kunnen we er een lijstje voor kopen,’ zegt ze uiteindelijk.
Ik staar haar aan.
‘Maar mama – ?’
Ze schudt haar hoofd en rolt het papier weer op.
‘Dat is klaar nu,’ zegt ze.
De kamer is stil. Buiten slaat de wind met een schurend geluid één van de takken van de eik tegen het raam. Ik kijk naar mijn voeten, die stoffig en ijskoud zijn. Naast mijn grote teen glinstert een splinter glas.
Gisteravond. Eén dag voor het vuur. Ik had mijn pyjama al aan en lag op bed te lezen toen mama binnenviel.
‘Oude sokken,’ zei ze, terwijl ze een wasmand vol oude spullen neerzette. ‘Heb je die?’ ‘Nee,’ zei ik, zonder op te kijken.
Mama zette een stap naar de ladenkast en trok ‘m open. En toen pas dacht ik aan de haas. Ik smeet het boek opzij en sprong op. Ik wurmde me langs haar en het voeteneinde van het bed en stak mijn hand onderin de la om de fles met de tekening eruit te halen.
‘Wat is dat?’ vroeg mama. Ze stond stil, maar haar borst ging heel snel op en neer, alsof ze had hardgelopen.
‘Niks,’ zei ik, en ik probeerde weer langs haar te glippen.
‘Als het onderin je la ligt kan het vast wel weg,’ zei ze en ze stak haar hand uit.
‘Nee!’ schreeuwde ik, en ik haalde uit.
De klap was harder dan verwacht. Een moment lang leek de stilte te suizen. Mama viel langzaam, als in slow motion, en ik stond met mijn nog arm in de lucht. Toen voelde ik de pijn in mijn pols, een scherpe pijn die zich verspreidde naar mijn vingers. Ik had het niet verwacht. Ik had het niet gepland. Ik geloof dat ik gilde.
Op de vloer lag mama in een zee van splinters glas. En de haas, de haas. Ik viel voorover op mijn knieën en grabbelde tussen de scherven naar de tekening. Mijn hart klopte in mijn hoofd. En toen was het alsof een volumeknop langzaam weer omhoog werd gedraaid. Bonkende voetstappen op de trap. Abby’s gehuil in mama’s slaapkamer. De takken van de eik die tegen het raam schraapten, alsof hij naar binnen probeerde te komen.
‘Sarah,’ hijgde Julie. Ze hield stil en greep beide deurposten. Ze keek van mama naar mij, en weer terug.
‘Wat – Sarah –’
Mama kreunde. Heel langzaam richtte ze zich op en bracht haar hand naar haar hoofd. In haar haar zat bloed. Ze keek ernaar en keek toen op naar ons.
‘Mama,’ begon Julie, en ze deed een stap naar voren, haar hand uitgestrekt. Mama mepte ‘m opzij.
‘Morgen,’ zei ze alleen maar, en mompelde nog iets dat we niet konden verstaan. ‘Morgen.’
Het bloed liep in een straaltje langs haar slaap en drupte op de houten vloer. Zonder verder iets te zeggen stond ze op. Ze deed een zwalkende stap opzij en hield zich staande aan het bureau. Toen greep ze de wasmand met oude spullen weer beet, maar hij was te zwaar. Hij glipte uit haar vingers, en de tijdschriften met waterschade, dozen met puzzels en de kapotte krultang rolden over de planken. Julie trok me opzij.
Mama keek ons niet aan. Ze stommelde de trap af terwijl ze iets tegen zichzelf mompelde. Af en toe voelde ze aan haar hoofd.
‘Julie,’ begon ik, maar ze schudde haar hoofd en haastte zich naar mama’s slaapkamer, waar Abby nog steeds aan het krijsen was.
Onder me hoorde ik de deur naar buiten opengaan. Ik klom op Julies bed om de scherven te ontwijken en stapte voorzichtig over de matras naar het raam. Er kwam een kou vanaf, en ik trok mijn konijn van de vensterbank en hield hem tegen me aan. Mama kwam het trapje van de veranda af en stak het erf over, de wasmand in haar armen. Met haar heup duwde ze het hek open en ze liep de weide in. Een paar kippen stoven haastig opzij.
‘Gaat ze beginnen met het vuur?’ vroeg Julie achter mij. Ze had Abby op de arm, die met een betraand gezicht op haar duim zoog. Ik haalde mijn schouders op. Voorzichtig zette Julie een paar stappen naar het raam en kwam naast me staan.
In de verte stak de bosrand scherp af tegen de ondergaande zon. Mama liep nog steeds – een figuurtje dat steeds kleiner werd, tot ze uiteindelijk in de schaduw van de bomen verdween.
Ieder jaar rond Pasen keken Julie en ik toe hoe mama grote takken en ander tuinafval naar de weide versleepte en een vreugdevuur bouwde waarop ze onze overtollige bezittingen verbrandde.
‘Een schone lei!’ riep ze, terwijl ze koortsachtig grote takken tussen de oude boeken en fotolijstjes stak.
Vlak daarvoor hadden we de oude beer van papa achter ons bed verstopt, samen met mijn konijn en Julie’s kangoeroe. De rest was niet te redden: speelgoedtreinen, Playmobilpoppetjes zonder armen, zelfs Abby’s zelfgemaakte ketting met plastic gele kralen – ze moesten er allemaal aan geloven. Elke keer als we iets in de vlammen lieten vallen verspreidde zich een dikke zwarte rook die nog dagen in onze haren bleef hangen. Alle kleding die niet meer versteld kon worden ging op de stapel, evenals de gebogen vorken die Abby had gebruikt om in de tuin te graven. Die brandden uiteraard niet, maar versmolten tot klompjes metaal die ik de volgende dag uit de as haalde en in mijn zakken liet glijden. Voor de vorm duwde Julie er meestal een paar tekeningen tussen die ze mislukt vond. Tot ze de haas wilde verbranden, vorig jaar.
Ieder jaar rond Pasen keken Julie en ik toe hoe mama grote takken en ander tuinafval naar de weide versleepte en een vreugdevuur bouwde waarop ze onze overtollige bezittingen verbrandde.
‘Een schone lei!’ riep ze, terwijl ze koortsachtig grote takken tussen de oude boeken en fotolijstjes stak.
Vlak daarvoor hadden we de oude beer van papa achter ons bed verstopt, samen met mijn konijn en Julie’s kangoeroe. De rest was niet te redden: speelgoedtreinen, Playmobilpoppetjes zonder armen, zelfs Abby’s zelfgemaakte ketting met plastic gele kralen – ze moesten er allemaal aan geloven. Elke keer als we iets in de vlammen lieten vallen verspreidde zich een dikke zwarte rook die nog dagen in onze haren bleef hangen. Alle kleding die niet meer versteld kon worden ging op de stapel, evenals de gebogen vorken die Abby had gebruikt om in de tuin te graven. Die brandden uiteraard niet, maar versmolten tot klompjes metaal die ik de volgende dag uit de as haalde en in mijn zakken liet glijden. Voor de vorm duwde Julie er meestal een paar tekeningen tussen die ze mislukt vond. Tot ze de haas wilde verbranden, vorig jaar.
Berit Brink woont en werkt in Amsterdam als docent Engelstalige literatuur. Van haar verscheen eerder een verhaal in de bundel Palmares (Uitgeverij Palmslag, 2021). Ze houdt van vertellingen in al hun verschijningsvormen, van poëzie tot podcasts.
Passend bij het thema van het nieuwste nummer, #42 Chaos, zond Marieke Ornelis haar tekst ‘Tussenruimte’ in. De tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre. Speciaal voor Roergebied maakten Marieke en broer Quinten een audiovisuele versie van de tekst. De video vind je hier:
Marieke Ornelis. Foto door Just Van Bommel.
Marieke Ornelis (1999) studeert aan de regieopleiding van de Toneelacademie Maastricht. Naast haar werk als theatermaker richt ze zich ook op schrijven, en op de gebieden tussen die twee disciplines in. Ze vraagt zich af hoe we ons kunnen verhouden tot een werkelijkheid die we construeren aan de hand van onze verhalen, en koestert ondertussen een grote fascinatie voor tabloids en deep fakes. In 2021 ging ze met Vlaams-Nederlands Huis deBuren op schrijfresidentie in Parijs.
De huid is technisch gezien het grootste orgaan van je lichaam, omdat al je huid samen meer weegt dan elk van de andere organen. We dragen er zorg voor, beschermen het van de buitenwereld of gebruiken het voor intiem contact. Het is een meerlagig instrument dat we dagelijks gebruiken om onze wereld waar te nemen. Op basis van onze huid worden wij zelf dan weer op een bepaalde manier waargenomen.
Toch is het niet evident om deze sensorische en visuele realiteit in woorden te vatten. Hoe kan je de schoonheid van het oppervlakte beschrijven in een tekst? Werkt de pagina ook als een soort huid die wij versieren of aantasten met onze woorden? Een huid is namelijk meer dan een menselijk ding. Veel organismen hebben een beschermingslaag die het vitale binnenste omcirkelt. Literatuur bestaat door een serie van dieren- en plantenhuiden: perkament, papyrus, papier. Wat betekent het dat deze vervangen worden door de koude oppervlakten van technologie?
Is onze huid een weerzinwekkend ding dat we halsstarrig proberen te beschermen, zoals Curzio Malaparte beweert in zijn oorlogsroman De Huid? Of beschermt de huid ons juist van de buitenwereld? Hoe voelt het om je huid te laten versieren of het af te dekken? Hoe reageert die huid op kou of hitte, op gewenste of ongewenste aanrakingen, op de rijkheid van het sensorische en emotionele?
Voel je je goed in je vel? Wil je je geliefde met huid en haar verslinden? Heb je al een dikke huid ontwikkeld door het leven?
Stuur ons je zachtste woorden of teksten vol eelt voor Kluger Hans #43.
NIEUW! (Of toch nieuw sinds #40 (des)illusie.) Kluger Hans doet ook graag expliciet een oproep naar beginnende literairevertalers. Wil je graag werk van een opkomende schrijver uit een ander taalgebied vertalen naar het Nederlands? Stuur dan zeker je voorstel in, want we zetten met plezier vertaaltalenten en internationale schrijvers in de kijker. Voor meer info over de voorwaarden kijk je even op onze inzendpagina.
Niet alleen in het papieren nummer, maar ook in onze virtuele achtertuin dragen we chaos hoog in het vaandel. David Jacobowicz stuurde een staaltje meeslepende literatuur in en stelde niet teleur. Laat je meeslepen en lees hieronder zijn volledige tekst, ‘Blues’.
Blues
Ik hou meer van panters dan van katten. Katten doen me te veel aan mensen denken. Blues heeft zelfs haar eigen kamer in dit huis, met speelgoed in zachte kleuren en een juten hangmat. Het interieur is geïnspireerd op haar roomwitte, pluizige vacht en helderblauwe ogen. Vandaag heeft Blues haar speeltjes niet aangeraakt; ze volgt al mijn bewegingen, onderzoekt nog of ik een goede dienstmeid ben of een profiteur.
Als het vijf uur is, vraag ik met een te hoge stem: ‘Lust jij een lekker olijfje?’ Ik moest veel met Blues praten, had Kaya gezegd, dan zouden we snel aan elkaar wennen. Ook moest ik op signalen letten: de staart omhoog is een goed teken, maar in combinatie met een gekromde rug moest ik haar vooral even de ruimte geven. Als haar oogjes tranen is ze gestrest en heeft ze juist behoefte aan fysiek contact. En verder was het voor mij het prettigst om direct in haar ritme mee te gaan.
Een paar dagen geleden had Kaya me een berichtje gestuurd: hoe het nu met me was en of we koffie gingen drinken. In het café vroeg ze of het niet lekker voor me zou zijn om een paar dagen in een echt huis te logeren. ‘Gun jezelf even een andere omgeving, Jet,’ zei ze, ‘met goede koffie, een bad en de rust en ruimte om aan je roman te schrijven.’
Zelf moest ze met Wieger en de kinderen naar een driedaags festival, omdat ze gevraagd was een Ted Talk over levenskunst te houden. Wieger wilde hun huis via Airbnb verhuren, maar Kaya dacht meteen aan mij. En nee, ze hoefden er echt niks voor te hebben. Wel zou het fijn zijn als ik dan een beetje op Blues kon passen, want ze gingen met het oude Volkswagenbusje en Blues was geen kampeerder.
Ze merkte dat ik aarzelde: ‘Hé Soesje, kom op, gun het jezelf. Blues zal je inspireren, de slapende reus in je wakker maken. Als je eenmaal een boek hebt geschreven, kan ik je makkelijker introduceren in het wereldje en kan je eindelijk stoppen met het redigeren van gebruiksaanwijzingen.’
Blues heeft ook een gebruiksaanwijzing. Om te voorkomen dat haar haren zich door het huis verspreiden, dient ze iedere dag zorgvuldig gekamd te worden. Ik moet dan eerst haar halsband afdoen en vooral niet vergeten deze na afloop weer vast te maken. Ook gaat ze er graag samen op uit, naar het kattencafé en een of ander fonteintje onderweg. Ik doe haar dan in haar mandje en laat haar geen moment alleen. Deze laatste aanwijzing zette Kaya kracht bij door te laten vallen dat een Ragdoll een marktwaarde van maar liefst 1500 euro had. En een beauty als Blues al helemaal. Dit los van de emotionele waarde natuurlijk. Ze vertelde over een bekende vlogger wiens Schotse vouwoorkat ontvoerd was en het exorbitante bedrag aan losgeld dat ze van haar geëist hadden.En belangrijk: Blues houdt van slagroom en sushisnoepjes, maar ze mag absoluut geen vlees.
Blues volgt me naar de keuken. Ik open de koelkast, vind de olijven en presenteer ze haar op een bordje. Terwijl zij aan de olijven knabbelt, loop ik langs het kookeiland naar de fotocollage aan de wand in de woonkamer. Kaya met haar diploma, Wieger met zijn diploma, Kaya en Wieger in bruidskleren in een tuin met vuurwerk en tweehonderd gasten. De kinderen: Faas geconcentreerd achter een schaakbord, Tess in een jurkje achter de piano. Wat polaroids van collega’s die het glas heffen. Een hartvormige foto van Kaya en Blues met de neuzen tegen elkaar. Van hartsvriendin Soesje geen spoor.
Na even zoeken vind ik ons in een lijstje achter de fruitschaal op de Hongaarse buffetkast. Allebei een veel te groot racket in de hand en eenzelfde roze zweetband om onze hoofdjes. Ik ging op tennis, dus Kaya ook. Toen ik jaren later Sartre en Camus had gelezen en me voor Wijsbegeerte inschreef, volgde ze me weer. Kaya vond een kamer in Amsterdam en werd actief in de studievereniging, ik bleef thuis wonen en begon steeds meer op te zien tegen de treinreis. Na het eerste semester filosofeerde ik er nog steeds op los, maar vanuit de coffeeshop aan de overkant van het spoor. Mijn moeder dacht al die tijd dat ik in de collegebanken zat, tot de dag dat ze een vreemde geur opmerkte, mijn bureaula opende en de ongeopende boterhamzakjes van de afgelopen maand vond.
Blues ijsbeert door de kamer en maakt een geluid dat lijkt op ‘mmwrap’. Geen idee wat ze van me wil.Huisdieren maken me hulpeloos. Ik had ooit een konijn waar ik erg gesteld op was, maar dat heb ik dood laten vriezen. Ik vraag me af of Kaya dat vergeten is. Of ze vertrouwt er gewoon op dat alles goed komt, zoals een kat ook altijd op zijn pootjes terecht komt. Kaya is een zondagskind, ze weet niet beter.
Na haar cum laudeconcentreerde Kaya zich op haar carrière en netwerken. Later kwamen daar de kinderen bij. Via Facebook en Instagram bleef ik goed op de hoogte. Zo plaatste ze een triomfantelijk bericht dat Faas, nog maar net zindelijk, al gefascineerd was door het alfabet, waardoor hij na elke drol in de wc-pot keek om te zien wat voor letter hij gedraaid had. Op de dag dat ik het bericht las, had mijn moeder voor het eerst bloed opgehoest, maar dat kon Kaya niet weten. Toen ik haar erover vertelde, vond ze het verdrietig. En ze zei dat het misschien niet helemaal vergelijkbaar was, maar dat het haar altijd hielp om zich te richten op de dingen waar ze wel invloed op had, als er iets tegen zat op haar werk bijvoorbeeld. Dat ik het écht moest laten weten als ze iets voor me kon doen.
Wie ook iets voor me deed, was Loet. Ik ontmoette hem in de coffeeshop, waar hij kantoor hield. Hij gaf geen advies, maar luisterde. En toen ik later geld nodig had, leende hij het me zonder vragen te stellen.
Als ik eindelijk in de slaapkamer op de witte bedsprei plof, kijkt Blues me aan of ik een indringer ben en verlaat ze de kamer. Blijkbaar is ze even vergeten wie haar de hele dag heeft verzorgd. Ik draai me op mijn zij. Ook in deze kamer valt het me op hoe smetteloos alles is. Even later sta ik op, loop naar de inbouwkast en trek wat deuren en lades open, maar zelfs hier is alles gesorteerd, de kleren zijn gestreken, nergens een vlekje.
Ik slaap bijnaals Blues de kamer binnenloopt met een dode muis in haar bek en zich demonstratief stilhoudt naast het bed. Afwachtend kijkt ze me aan, haar blauwe ogen nog feller in het schemerdonker. Als ik overeind kom, laat ze de muis verschrikt op het vloerkleed vallen. Ik buig voorover naar Blues en fluister in haar oor: ‘Niet doen hoor, van vlees eten ga je naar dood ruiken en daar houdt je baasje niet van.’ De muis laat ik liggen.
Een lachend wit gebit is het eerste wat ik zie als ik mijn ogen open. Ik moet vannacht naar Wiegers kant van het bed gerold zijn. Als ik Kaya op de middelbare school verteld had dat ze later wakker zou worden naast een man met tijdschriften over tandheelkunde op zijn nachtkastje, hadden we de slappe lach gekregen. Wieger zat twee klassen hoger en de Soesjes vonden hem een saaie lul.
Kaya verzekerde me dat Wieger veranderd was en nu ik erover nadenk: hij maakt er echt iets van. In geuren en kleuren vertelt hij over zijn patiënten, zonder uitzondering interessante figuren. Sinds hij zijn praktijk heeft uitgebreid met cosmetische behandelingen zijn de verhalen er niet minder op geworden. Ik vroeg hem eens of dat geroddel niet strijdig is met de gedragsregels, maar hij zegt dat alleen de behandeling zelf onder het beroepsgeheim valt.
Mijn therapeut zegt dat ook ik me moet blijven ontwikkelen. Dat ik mijn loyaliteiten ter discussie moet durven stellen. En dat ik niet moet vergeten dat ik niet toebehoor aan mijn verleden, maar dat mijn verleden toebehoort aan mij.
Als ik me op mijn andere zij draai, kijkt Blues op me neer. Ze knijpt met haar ogen, haalt haar neus op, duwt me met haar poot richting de rand van het bed. ‘Ook goedemorgen, zonnestraaltje,’ zeg ik. Zonder te knipperen met die helblauweogen,haalt ze hautain een wenkbrauw op.
Een rood vlekje op het witte vloerkleed is het enige wat nog van de muis resteert. ‘Jij stoute, kleine panter,’ zeg ik en ik hoop maar dat Blues er geen identiteitsproblematiek aan overhoudt. Aan de andere kant: misschien helpt het haar. Tegen mij zegt Kaya vaak dat ik uit mijn comfortzone moet. ‘Je moet worden wie je bent, Blues, je horizon verbreden.’
Nadat ik haar bak heb gevuld met brokjes en de kraan zacht heb opengezet (Blues drinkt het liefst stromend water), ga ik naar de werkkamer.Ik spreid mijn aantekeningen uit over het tafelblad. In het eerste hoofdstuk wordt Henriëtte, mijn hoofdpersonage, net niet verpletterd door een ondergrondse afvalcontainer die geleegd wordt. Geconfronteerd met haar sterfelijkheid, gaat ze in de rest van het boek op zoek naar de zin van het leven, maar daar stokt de roman.
Het lukt me niet verbanden te leggen, mijn hoofd is vol of dof, of allebei. Mijn therapeut zegt dat ik moet mediteren. Geen idee waarom iedereen daar tegenwoordig zo verwoed mee bezig is. Liever zou ik mezelf een elektrische schok toedienen dan dat ik dertig minuten alleen ben met mijn eigen gedachten.
Ik pak Blues bij haar nekvel en zet haar in haar mand.
‘Oh, wat een cutie!’ zegt een veel te mager meisje als ik met de mand onder mijn arm voor de deur van het kattencafé sta. Ze heeft zich over Blues heen gebogen en maakt kirrendegeluidjes. Blues’ staart komt omhoog en ze knippert met haar ogen. Ik wil naar binnen, maar het meisje blokkeert de deur.
‘Kom kijken, een prachtige Ragdoll,’ roept ze naar een groepje aan de andere kant van de straat. ‘Hoe heet ze? Wat is ze zacht. Gebruik je de Furminator?’
‘Ze is niet van mij,’ zeg ik, maar ze hoort me niet.
‘Heeft ze haar definitieve kleur al?’
‘Ze is niet van mij!’ schreeuw ik. Ik draai me om en loop weg.
Ik laat me zakken aan de rand van een gracht. De mand zet ik naast me.
Kaya was de enige die ik over mijn miskraam vertelde. Ze zei dat ze het vreselijk vond, dat ze het me zo gunde. Ik kon geen woord uitbrengen. Na een lange stilte zei ze: ‘Je weet in ieder geval dat je zwanger kunt worden, Soesje.’ En dat het de volgende keer zou lukken met iemand die ik langer dan één nacht kende. Ik zweeg en ze zei dat ik het nu misschien nog niet kon zien, maar dat deze ervaring me sterker zou maken. En dat ik haar áltijd mocht bellen.
Een week later informeerde ze naar mijn posttraumatische groei en herinnerde ze me eraan de babyspullen te verkopen. Had ik maar bij haar aangeklopt, zei ze, in plaats van schulden te maken bij die woekeraar uit de coffeeshop. Ik had de Bugaboo zo kunnen hebben.
Daarna vroeg ze of ik al toe was aan een nieuwtje, iets om me op te vrolijken. En dat als ik er geen zin in had, ik dat eerlijk moest zeggen. Kaya vertelde dat zij en haar gezin een verantwoordelijkheid voelden hun geluk te delen en besloten hadden naar het asiel te gaan om een kitten een kans op een beter leven te geven. Uiteindelijk gingen ze niet naar het asiel, omdat – ‘echt zo toevallig’ – een collega een foto van een mandje Ragdollkittens op Instagram plaatste en ze toen toch graag een kat zonder rugzakje wilden. Tess had haar direct Blauwtje genoemd, maar ze had twee ogen, dus werd het Blues.
Het is niet netjes om de post te lezen als je ergens te gast bent. Maar we hadden er volgens mij niets over afgesproken en de kaart die op de deurmat ligt, valt op. Op de voorkant een mollige poes en een vrouw in een felroze sweater waar Catsitters op staat, op de achterkant een kortingscode als goedmaker voor de last minute cancellation.
Blues springt uit de mand en verdwijnt in haar kamer. In de woonkamer valt het me nu pas op dat ook de boeken op kleur gesorteerd zijn. Zelf heeft Kaya twee boeken geschreven. Het eerste tijdens haar zwangerschapsverlof, het tweede in de avonduren. Dat laatste boek gaat over omgaan met tegenslag. Wieger stimuleert haar om er een podcastserie van te maken, maar ik vind het een slecht boek. Kaya kent helemaal geen tegenslag en dat vind je erin terug. Wat eigen ervaring zou haar boeken authentieker maken. Soms gun ik haar dat. Een klein beetje tegenspoed, niet te veel, maar precies voldoende om er sterker van te worden. Ik denk dat het ons ook weer dichter bij elkaar zou kunnen brengen.
Er trilt iets in mijn zak: twee gemiste oproepen. Loet wil weten waar zijn poen blijft. De andere oproep is van Kaya en ik bel haar terug.
‘Gaat het een beetje soepeltjes, Jet?’
‘Ja, ik denk dat we wel een klik hebben.’
‘Ik wist het, ik wist het!’
‘Hoe is het festival?’
‘Good vibes only! En bij jullie? Hoe vond je het kattencafé? Briljant, toch?’
‘Ja, geweldig.’
‘Jullie zijn niet lang gebleven.’
‘Hoe weet jij dat?’
‘Track Your Cat. In haar halsband zit een GPS-tracker. Oh Soesje, het is echt allemaal nieuw voor je, hè? Gaat het wel goed met Blues? En met jou? Houdt Blues je niet te veel van je werk?’
‘Nee, ze is echt heel zoet.’
‘Ja, hè? Geniet je? Heb je Blues al in je armen genomen? Je kunt haar heerlijk wiegen, dan laat ze zich ontspannen hangen.’
Blues springt naast me op de bank. ‘En jij, mis je Blues niet te veel?’
‘Jawel, vreselijk! Ja, dat is wel een beetje een dingetje.’
‘Maar weet je, Soesje,’ zeg ik, ‘op zo’n moment besef je wel wat belangrijk voor je is.’
Ik aai Blues over haar witte vacht, maak haar halsbandje los. ‘Amor fati, Blues,’ fluister ik. Haar ogen tranen. Dan bel ik Loet.
‘Heb je pen en papier om een adres te noteren? Ik heb je 1500 euro.’
Ik droomde vannacht over Henriëtte. Ze weet eindelijk wat ze wil. Als een Robin Hood trekt ze ten strijde om het ongeluk eerlijker onder de mensen te verdelen. Ik stap uit bad en met het schuim nog op mijn voeten loop ik naar de werkkamer.
Als het begint te schemeren, is het tijd voor mijn wandeling. Voor de favoriete fontein van Blues blijf ik een paar minuten staan, daarna loop ik verder naar het kattencafé en eraan voorbij. Bij de gracht haal ik de halsband uit mijn zak. Na de plons wacht ik nog even, dan bel ik Kaya.
‘Schrik niet, Soesje.’
David Jacobowicz
David (1980) is student aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.
Als peter van #42 Chaospikte Gaea Schoeters eerder al twee teksten uit het nummer die zij het liefste gelezen heeft. (Dat waren trouwens ‘Afscheid’ van Bouke Schut en ‘Handpalmverhalen’ van Felix Sandon.) Normaal houden we het bij twee favo keuzes, maar omdat het zo moeilijk kiezen bleek, besloot Gaea een derde bijdrage uit te lichten. Het verhaal in kwestie is ‘Zolang je maar gelukkig bent’ van Evelien Flink. Lees hieronder wat Gaea zelf over Eveliens tekst te zeggen heeft:
Gaea en #42 Chaos.
“‘Zolang je maar gelukkig bent’ van Evelien Flink vond ik ook erg sterk. Hoewel wat er verteld wordt eigenlijk intriest is, is het verhaal erg grappig, en ik kan het ook erg smaken als een kritiek op onze tijd. Thematisch doet het me denken aan Cicade van Shaun Tan, en ook een beetje aan The Matrix, maar dan helemaal anders — en dat is goed.
Het verhaal zit goed in elkaar, met een strakke opbouw en een mooie clou — het einde laat alle eerder opgezette motieven mooi resoneren en het eindbeeld maakt de ellips op een spannende manier af. Ritmisch loopt het ook lekker: de dialogen maken het geheel erg levendig. Sommige beelden zijn misschien een beetje vergezocht, maar de klifzwaluwen maken alles goed. Ik heb ervan genoten.“
Zelf benieuwd naar de woorden die deze lovende kritiek opgewekt hebben? Lees hieronder de eerste twee pagina’s van ‘Zolang je maar gelukkig bent’:
‘Zolang je maar gelukkig bent’ door Evelien Flink
Het tafelmes voelt zwaarder in mijn hand dan anders. Ik zeg dat tegen de huisgenoot. Ze antwoordt dat ik minder gluten zou moeten eten. ‘Daar knapt iedereen van op.’ Tevreden met haar suggestie steekt ze een goudkleurige eetlepel in haar magere kwark met boekweit en blauwe bessen.
De huisgenoot eet haar kwark uit een hoge weckpot. Ze moet diep graven om alle bessen eruit te vissen. Ernaast staat een bijpassend dopje met een dampend zesminutenei.
‘Je zou ook wat vaker mee kunnen gaan naar de bootcamples,’ gaat ze verder. ‘Of download een mindfulnessapp. Dat heeft mij echt geholpen.’
Ik knik, maar zeg niets en neem een hap van mijn boterham. Pindakaas met stukjes pinda, kleine weerhaakjes in mijn keel.
De huisgenoot schraapt het laatste restje kwark uit de pot, likt de lepel af en legt deze op tafel. Ze vouwt haar handen in elkaar onder haar kin en kijkt me indringend aan. ‘Leg het dan eens uit. Waarom denk je zelf dat je zo moe bent?’
Ik pak haar ongepelde ei uit het dopje. ‘Let op,’ zeg ik. ‘Dit is mijn hoofd.’ Voordat de huisgenoot iets kan zeggen, draai ik het ei om en sla ik met de bovenkant hard op de tafel. Zijlings lijkt het topje van het ei nu op een vulkanische krater. Stukjes eierschaal vallen op het formicablad en goudgeel struif druppelt langs mijn vingers. De huisgenoot fronst haar wenkbrauwen. Ik hou het ei vlak voor haar gezicht.
‘Dit is mijn hoofd,’ zeg ik opnieuw.
Mijn teamleider zegt: ‘Je moet jezelf altijd blijven uitdagen.’ Mijn vader zegt: ‘Als je denkt dat je niet meer kunt, kun je nog tien kilo meter.’ Mijn moeder zegt: ‘Je kunt niet meer doen dan je best.’ Ze zegt ook: ‘Zolang je maar gelukkig bent.’
Vandaag rij ik achteruit naar het werk, als een oude videoband die wordt teruggespoeld. Het is een onverwacht warme lentedag en in de metrocoupé hangt een muffe lucht. Klam, bleek dijvlees plakt aan de plastic zitvlakken als kakkerlakpootjes aan een lijmval. Het is hier te vol, we zijn met te veel. Maar zolang we rijden, blijven de deuren dicht en kan er niemand weg.
De hoofdpijn begint dit keer al halverwege de rit en neemt toe totdat het gebonk achter mijn slapen het geraas van metrowielen op stalen rails overstemt. Ik adem diep in en probeer mijn blik op één punt te richten. Op de stoel tegenover me zit een kolos van een man met een glanzend kaal hoofd, grijze stoppels en hangende oogleden. Om ons heen wasemen halfblote lijven hitte en unieke geuren uit – cocktails van huidvet, zweet en zonnebrand – maar de kolos gaat gehuld in een lange, donkerbruine leren jas met bontcapuchon. Ik beeld me in hoe hij onder die dikke jas een wapen verbergt, de glimmende loop van een semiautomatisch geweer stevig tussen zijn mannentieten geklemd. De gedachte maakt me weer rustig. Misschien verloopt de reis vandaag anders, en hoeven we allemaal niet naar ons werk.
(…)
Evelien Flink.
Evelien Flink (1988) is afgestudeerd als communicatiewetenschapper en journalist, maar schrijft het liefst verhalen waarbij ze zelf mag bepalen hoe het afloopt. Haar proza verscheen onder andere bij De Optimist, Hard//hoofd en in literair tijdschrift Extaze.
Wil je dit verhaal graag helemaal lezen en/of het ook op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #42 Chaos in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #42 Chaos toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
Peter Arno Van Vlierberghe koos naast een favoriete prozatekst eveneens zijn lievelingsgedicht uit #42 Chaos. Zijn keuze viel op ‘HET MASKER VAN LAUTRÉAMONT DRAAGT ONS SMOELVEL (BEL Radio Edit) BASS BOOSTED’ van dichtersduo Casper Burghgraeve en Benjamin De Roover. Een woordje uitleg:
Meer dan een gaaf eindresultaat van een autonoom scheppend proces, laat de tekst van De Roover & Burghgraeve zich lezen als een bass boosted echo-kamer. Een oorverdovende ruimte waarin je als lezer je oorschelp tegen de muur moet houden om de stemmen aan de andere kant waar te nemen. Stemmen van lang geleden, zoals Hans van den Waarsenburg en CB Vaandrager. Stemmen van niet zo lang geleden, zoals A Tribe Called Quest, Jeroen Mettes en Skrillex. Eerder dan lippendienst te bewijzen aan de fictie van romantisch schrijverschap, lijkt de tekst meer een getuige te zijn van uncreative writing, een koppig herschikken van brokstukken. Vormelijk is de tekst ook een soort schip van Theseus: weliswaar herkenbaar, maar fundamenteel ambigu qua samenstelling en authenticiteit. In elke haven een slachtoffer. Deze laudatio zou, tot nu toe, doen vermoeden dat ik de twee schrijvers een soort angry young men-postmodernisme toeschrijf. Dat is niet zo. Het is De Roover & Burghgraeve menens, en de tekst geeft geen blijk van interesse in de eindeloze carrousel van de strontvermoeiende negatieve dialectiek die wordt verward met literaire vernieuwing. Wie deze tekst ook schreef, of uit welke stemmen ze bestaat: eenheid & zuiverheid stonden niet hoog op de agenda. “Dus de brand erin, in alles, inclusief onszelf.” Ik giet met plezier wat kerosine op de vlammen, en stap er mee in.
Fragment uit ‘HET MASKER VAN LAUTRÉAMONT DRAAGT ONS SMOELVEL (BEL Radio Edit) BASS BOOSTED’:
Net als de geschiedenis, slaapt het gedicht nooit,
Het wil enkel overleven,het wil alles hebben gezien
Een gewonde soldaat, strompelend over het slagveld van de 21e eeuw,
Dagdromend, met 1 oog op het beeldscherm en 1 op de loop,
Van standbeelden die standbeelden onthoofden
Eerst de strijd in, dan de strijd om de 20e eeuw
Want toen we op een ochtend wakker werden op het kunstgras, naast de witte fuckende
Politici op het kunstgras, viel in ons als licht door het glasraam van een kathedraal, de opdracht:
Laat ons het vuur verder in brand steken, lieve vrienden,
Lieve loontrekkende vrienden,
Lang voordat wij onze intrede deden in dit land, deed de schipbreuk haar intrede in ons
Coherentie is voor de vijand nooit een struikelblok geweest, waarom dan voor ons?
Laat je niet opslokken door de vortex van hun tegenstrijdigheden
Nee, niet langer heden, verleden en toekomst ingeruild voor de tijd die enkel verglijdt en verdrukt
Laat je niet verblinden door post-fascistische barok
Lees diep in het warme gangenstelstel van de universitaire refter
Luidop aan de zakken soep je protestverzen voor
Crisistijd vraagt crisistekst: The age demands an image / of its accelerated grimace
The food too
Iemand moet de Kuifje uit de koppen van de Belgen trappen, toch?
Ja, vat dat maar op als een dreiging, de dreiging die liefde heet
Wie wij zijn? Vlaamse suburbia hebben ons en ons specifieke gevoelsregister
Over de spoorlijn heen de Vlaamse kleinstad in gefluimd
Niet de fabriekshal of het kantoor, maar het overdekte zwembad
Annex fuifzaal legde als eerste beslag op ons lichaam
Als een 2008-markt crashten we vervolgens, Skrillex nog nagalmend in de oren, ons bed in,
Hetzelfde bed waarin we sinds het middelbaar geen proza meer in
Lezen, enkel powezie, anti-powezie, teorie, anti-teorie en alles tussenin
We hebben onze harten met fantasieën gevoed
En onze harten werden vreemd
Dus de brand erin, in alles, inclusief onszelf
Dries, we hebben het ook tegen jou
Jij, door poli-journalistiek jargon ingebunkerd
Maar eens zullen we het parlement opleuken met je ingewanden en je tanden
Joachim, we hebben het ook tegen jou
We kijken het VRT-nieuws met onze moeders en leveren staand driftig commentaar
We vragen: welk nieuw seizoen luidt de jacht op witte konijnen in?
Benjamin De Roover en Casper Burghgraeve. Foto door Lore Deuninck.
Benjamin De Roover (1996) is dichter. Hij werd geboren in Zottegem en studeerde in Gent, waar hij als lid van Auw La, studentenvereniging voor poëzie, verscheidene literaire evenementen organiseerde. Bij Auw La ontmoette hij ook Casper Burghgraeve, sinds jaren een goede vriend en intellectuele sparringpartner. Momenteel woont hij terug in Zottegem, waar hij werkt en wandelt.
Casper Burghgraeve (1997) is dichter en amateurkunstenaar. Hij werd geboren in Gent en studeert in Gent, waar hij als lid van Auw La, studentenvereniging voor poëzie, verscheidene literaire evenementen organiseert. Bij Auw La ontmoette hij ook Benjamin De Roover, sinds jaren een goede vriend en intellectuele sparringpartner. Momenteel woont hij in Oudenaarde, waar hij nog steeds voor school werkt, en in zijn kamer zit.
Wil je dit gedicht graag helemaal verslinden en/of het ook op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #42 Chaos in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #42 Chaos toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
Eerder maakten we reeds Gaea’s eerste keuze, ‘Afscheid’ van Bouke Schut, bekend. In deze post slepen we graag Felix Sandons ‘Handpalmverhalen’ in de spotlights.
Benieuwd waarom Gaea ‘Handpalmverhalen’ koos? Je leest het hier:
“De ‘Handpalmverhalen’ van Felix Sandon charmeerden me door hun originele vorm. In heel weinig woorden toch iets van betekenis zeggen, is niet iedereen gegeven. En zeker in de eerste twee verhalen doet Felix dat prima. In twee paragrafen weet hij een heel universum op te bouwen, waarachter een ander, groter verhaal doorschemert, dat niet expliciet verteld wordt, maar zich wel laat raden. De verhalen zijn een soort vensters, die je een blik gunnen op een wereld die je maar gedeeltelijk te zien krijgt. Net dat maakt ze spannend: de rest is aan de lezer en dat is altijd goed. De laatste twee vond ik net iets minder, maar dat is niet erg; wie altijd meteen zoekt wat ‘ie vindt, speelt op veilig, en dat is nooit interessant.”
Nieuwsgierig? Hier alvast een voorproefje:
‘Handpalmverhalen’ door Felix Sandon
Vloed
De eerste golfslag tegen de voordeur kondigde de komst van de vloed aan. We waren het intussen gewoon geworden, de taakverdeling was duidelijk. Bliksemsnel trokken we alle kabels van de televisie uit en sleurden haar de trap op. Dan gingen we op bed liggen en luisterden naar elkaars verhalen en de verhalen die we onthouden hadden van onze ouders en grootouders. Tot het water weer wegtrok en we opnieuw naar beneden konden.
Elke keer was het een ontdekkingstocht, te zien wat de golven door de kier onder de voordeur, het kattenluik achteraan en het klapperende raampje hadden binnengeloodst: schelpen, wrakhout van eeuwenoude schepen, een kompas overwoekerd door wieren, losgerukte krabbenscharen, een verroest Boeddhabeeldje op sleutelhangerformaat. En wat de zee onherroepelijk had meegenomen. Sommige boeken in de boekenkast waren helemaal onleesbaar geworden, van andere was enkel het einde uitgewist. We besloten om voor elk gehavend boek een nieuw slot te verzinnen, snel, voor de vloed terugkeerde. Eerst sloten we de televisie weer aan en zonken vermoeid weg in de sofa met de zeepokken op de poten.
(…)
Felix Sandon. Foto door Anton De Pooter.
Felix Sandon (Bonheiden, 1993) werd geboren op de dag dat Herman Brusselmans stopte met drinken. Zijn favoriete woord is ‘handpalmverhaal’: een verhaal zo klein en zo kostbaar dat het in de palm van je hand past. Daarnaast schrijft hij poëzie, artikels over muziek voor het online magazine Luminous Dash, ooit een roman en ooit een toneelstuk. Felix verscheen eerder al in #35 Denkmal
Wil je dit verhaal graag helemaal lezen en/of het ook op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #42 Chaos in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #42 Chaos toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
Peter van #42 ChaosArno Van Vlierberghe selecteerde ‘Een onvolledige catalogus van ruïnes of utopieën’ van Christiaan Ronda als favoriete prozatekst. Waarom dit staaltje literatuur zijn aandacht trok, lees je hier:
Arno Van Vlierberghe. Foto door Catherine Lemblé.
“Wat is een chaotische tekst? Anders gezegd: wat zijn de benoembare eigenschappen van een tekst die pretendeert niet te willen conformeren aan bepaalde regels van orde en voorspelbaarheid? Aan welke regels (sociaal, politiek, grammaticaal, typografisch &tc) pleegt men niet te conformeren, en hoe historisch-fluïde zijn die regels? Is het überhaupt mogelijk om binnen de vooraf bepaalde beperkingen van een themanummer tegemoet te komen aan een oproep tot roekeloosheid & verzet? Zo ja: hoe ziet dat verzet eruit, en hoe roekeloos mag het zijn vooraleer het frontaal inbeukt op de basisbeginselen van de redactie? Nog anders gezegd: de vraag is niet zelden of de repressie tolerant zal zijn, maar hoezeer. Het zijn klassieke vraagstukken, even sofistisch als ze voorspelbaar en verlammend zijn. De antwoorden stikken in hun postmoderne dressing en kijken hulpeloos toe.
En toch zijn er zeventien mensen gevonden die de lokroep van Kluger Hans met open vizier tegemoet zijn gesneld. Ik feliciteer hen allen, in elk geval. De redactie deelde hun zestien inzendingen netjes op in twee mapjes: ‘poëzie_chaos’ en ‘proza_chaos’. Zelfs te midden van absolute chaos lijken de grenzen van genres kristalhelder. Dit is proza, dit is poëzie. En wat daartussen? Tekst.
Het is behoorlijk antithetisch om binnenin de chaotische moddersoep op te zoek te moeten gaan naar één tekst die perfect samenvalt met mijn checklist van literaire symptomen die op ‘experiment’ wijzen. En toch: wat betreft het mapje ‘proza_chaos’ laat vooral de ruïneuze tekst van Christiaan Ronda de diepste indruk na. Vorig jaar verkondigde Ronda (in een essay op deze website) zijn verlangen naar ‘progressie, naar groei, naar durf’. Literatuur moest ‘hup, het onbekende in’, richting ‘nieuw, intuïtief en onconventioneel proza’. Hoe betreurenswaardig het ook is om na talloze historische ismes en contra-ismes nog zo’n achterhoedegevecht aan te moeten gaan, kan ik enkel maar instemmen en volmondig mee verlangen. In zijn ‘onvolledige catalogus van ruïnes of utopieën’ wijst Ronda een weinig begane weg aan die ons voorbij het ‘therapieproza’ en ‘faux-realisme’ van de hedendaagse letteren zou kunnen leiden. Het is een stugge, koppige tekst die zich verzet tegen de knarsende tandwielen van onze interpretatiemachine. Wanneer bestaande woorden niet volstaan, worden er nieuwe uitgevonden en oude afgebroken en gerecycleerd. Inhet eeuwige touwtrekken tussen verstaanbaarheid en grammaticale helderheid verliezen beiden wanneer literaire durf het midden naar zich toe rukt. En ook in die arena deelt Ronda rake klappen uit. Kortom: het is een tekst die zegt: ‘Dit is mijn vorm, ik aanvaard hem, ik erken hem’ en daarna de lans breekt op zichzelf & voor zichzelf.”
De eerste twee en halve pagina’s van Christiaan Ronda’s ‘Een onvolledige catalogus van ruïnes of utopieën’:
I. De villa in het winterkwartier van het Staatscircus van de DDR in Hoppegarten, Brandenburg
zegt, Het tegenovergestelde van orde is de ruïne—vergane glorie, de entropie steengeworden, poging poginger pogingst mislukt en de villa zegt, Een ruïne is een gebouw dat haar zondagse pak niet kan vinden, zit daar in een vochtige keuken zit daar in een oude badjas en ongepoetste tanden, nee: ongepoetst grijs kapsel een pruik van wolvenhaar, de tanden (gebit als een berenklem als een opwindspeeltje) nog op het nachtkastje in een glas waar al het water uit verdampt is en de ruïne trekt haar badjas recht en zucht en vertelt, Een ruïne is een land dat wel bestaat en niet bestaat en ze zegt, Een ruïne is een clown die na het afschminken niet naar huis mag, almaar overeind blijven constant overeind blijven consistent blijven terwijl het al lang niet grappig meer is — het is maar show, performance en ze neemt een lange lange hijs van een Inka-sigaret en ze zegt, Show, performance, al die anglicismen, alles geven we op alles laten we vallen alsof we zelf geen woorden kunnen vinden of desnoods kunnen verzinnen als we ze nodig hebben, de taal als ruïne uitgebeend overal graffiti op de adjectieven gespoten, tussen de lettergrepen kruipen spaties als scheuren in het cement, de zwaartekracht heeft alles naar beneden getrokken en nu doet de tijd langzaam de rest en ze hijst weer en zegt, Het is allemaal maar optrederigheid, je reinste alsofferij en diepe diepe treurnis, de griem is van de kloun geveegd de kloun kijkt in de spiegel en wil niet meer en de ruïne likt haar lippen alsof ze het ijzer van de pistoolloop al kan proeven en ze verzucht, Taal gebouwen vertrouwen sigaretten toestemming genade kunst: red ons of laat ons vallen, maar hou ons niet vast in het voorgeborchte de liminale non-ruimte waarin je niet mag leven en niet mag zeuren en niet mag rotten en ze zegt, Een ruïne is een gedachte waar de toekomst zich tegen verzet en waar de nostalgie bang voor is en het is moeilijk haar te verstaan de opname hapert oude videoband en ze zegt, De mens is een ruïne en de beschaving is een ruïne en de woestijn is een ruïne en de toendra is een ruïne, een ruïne ieder standbeeld en iedere plaquette en iedere grafsteen en iedere film en iedere roman en ze zegt, Een ruïne is elk hek en elke poort en elk vluchtelingenkamp en ieder rubberen bootje en Es ist niemals ein Dokument der Kultur, ohne zugleich ein solches der Barbarei zu sein en ze zegt, En iedere ruïne wacht op een kort moment van onoplettendheid om in te kunnen storten Walhalla kan toch niet ver meer zijn we zijn tenslotte al zo lang onderweg jullie blijven ons maar restaureren niet-restaureren toezeggen afpakken overeind trekken onder water duwen, laat mij toch zijn mierennest honingraat laat mij verdwijnen of geef me een doel deze implosie kan toch niet eeuwig duren en ze zegt, Een ruïne is niets dan een monument voor onvermogen, een gekarteld gedenkteken voor gebrek en ze kijkt naar iets buiten beeld en zegt, Waar hadden we het ook alweer over? en ze zucht en ze zwijgt en hijst en ze
II Het schild van een reuzenschildpad in de branding van San Salvador, Ecuador Steeds vaker sta ik even stil en moet ik overwegen of een gedachte een herinnering betreft of een droom. Ik vraag me af wat dit betekent: wordt mijn verbeeldingskracht sterker, of mijn geheugen zwakker? ‘Stilstaan’ is hier natuurlijk een metafoor: mijn denkwezen blijft eventjes staan en loopt dan weer verder—mijn fysieke dimensie ligt al eeuwen dood, leeg en zinloos op het strand. Vlees en zenuwen en oogballen en spieren en pezen en botten verdwenen: een schild ben ik, zowel zinloze ravage als absolute essentie: zonder schild is het dier tenslotte onherkenbaar. Het geeft allemaal niks, mijn bewustzijn wandelt lekker over het eiland, zal blijven wandelen tot de zeeën of vulkanen alles verzwelgen en de planeet tot ruïne maken en alle dagen verstreken zijn en het eindelijk stil is. Ze hebben me verorberd, jaren en jaren geleden. Eigen schuld, schildpadvlees schijnt een van de lekkerste soorten vlees op aarde te zijn. Ze kwamen. Ieder ruïneverhaal eindigt met een vertrek en het begint met een aankomst: ze kwamen in boten, of: ze kwamen op tanks, of: ze kwamen in huifkarren, of: ze kwamen te voet. Ze kwamen, ruïnes beginnen met binnendringers. Kun je me horen, is de branding niet te luid? Niet dat ik ’m kan dempen, maar ik kan proberen harder te praten. Ze kwamen in boten en ik was nieuwsgierig en toen was ik niet meer. Misschien begint iedere ruïne wel met een utopisch verlangen: als we niet ooit eens in de toekomst geloofden hadden we deze wereld niet gebouwd, maar nu die toekomst onmogelijk blijkt laten we de wereld vergaan. Soñamos con utopía y nos despertamos gritando. Het schild van een reuzenschildpad in de branding van een eiland in de Grote Oceaan is niet veel belachelijker dan een Egyptische piramide in de woestijn of een Inca-piramide in de jungle of een communistische piramide in het hart van Tirana. Ja, in alles, in alle pogingen en optredens en revoluties en metselwerken en regeerakkoorden en tempelcomplexen en capitulaties en liefdesverklaringen en begonnen manuscripten — in álles zijn reeds de omtrekken van de toekomstige puinhoop te ontwaren. Het enige dat geweld en vergeetachtigheid altijd overleeft, is de verbeeldingskracht. Er is geen kunst in de hemel, en dus is de hemel de hel. De beste manier om een reuzenschildpad te bereiden voor consumptie is precies de manier waar je nu aan denkt. (…)
Christiaan Ronda (1987) woont in Berlijn. Zijn verhalen verschenen o.a. in Kluger Hans, DW B, Tirade en Deus Ex Machina. In zijn teksten zoekt hij altijd naar vonkjes vervreemding, onrust en ontmantelingen van verwachtingen, want kunst dient om ons met nieuwe ogen naar het bekende te laten kijken. In 2021 publiceerde hij een veel te lang essay (titel: ‘Ik ben u geen geruststelling verschuldigd’) over de stand van de hedendaagse literatuur bij Kluger Hans en werkte hij mee aan de podcastreeks De Canonconversaties van de Vlaamse Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren (KANTL) en Vlaams Nederlands cultuurhuis deBuren. Hij hoopt dit jaar zelf een hallucinante, grappige en agressieve roman uit te geven met de titel Junkie in een maatpak. (www.ekrituur.nl | @christiaanronda)
Wil je dit verhaal graag helemaal lezen en/of het ook op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #42 Chaos in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #42 Chaos toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
Bij elke editie van Kluger Hans horen traditiegetrouw twee trotse peetouders die hun favoriete teksten uit het nummer kiezen. Als een van de peters van #42 Chaosselecteerde ook Gaea Schoeters haar lievelingsteksten. Een van die teksten is het verhaal ‘Afscheid’ van Bouke Schut. Hieronder lees je waarom Gaea Boukes tekst koos:
Gaea Schoeters met #42 Chaos.
“… een wonderlijk verhaal.Hoewel de ‘ik’ uit het verhaal het nooit rechtstreeks over zichzelf heeft, maar alleen over hoe andere mensen hem zien, schetst Bouke toch een prachtig portret van zijn hoofdpersonage. En dat vanuit een heel consequent en spannend perspectief: je hebt echt het gevoel dat je in het hoofd van die twaalfjarige jongen zit. Een bijzonder hoofd, dat prachtige lange zinnen maakt, net zo lang als zijn gedachten, die evenveel kanten opspringen.
De gebeurtenissen, even klein als ingrijpend, worden met trefzekere beelden en anekdotes geschetst. En met heel veel humor: ik was al verkocht bij de anekdote over de nep-paashaas, en toen moest het drama met de Cats-cd nog komen. Toch is het verhaal allesbehalve onbetekenend: onder de kleine drama’s aan de oppervlakte schuilen veel grotere. Maar Bouke verstaat de kunst om heel licht over zware dingen te schrijven. Een zeldzame gave, en volgens Renate Dorrestein een Heel Goed Teken.“
Zelf benieuwd naar de tekst die deze lovende woorden opwekte? Lees hier de eerste twee pagina’s uit Boukes verhaal:
‘Afscheid’ door Bouke Schut
Ken jij Claudia nog? Papa noemt haar altijd ‘die oranje tennismoeder’, maar eigenlijk is ze de moeder van Ruud, bij wie ik elke vrijdag speel. Ze draagt van die knalwitte sportschoenen en ruikt heel lekker naar wasmiddel en thuis zingt ze heel hard mee met de cd van de musical Cats – ze kent elk liedje uit haar hoofd – en toen ik haar vroeg hoe ze al die moeilijke woorden kan onthouden zei ze dat het een kwestie van oefenen is, oefenen oefenen oefenen, op een dag zing je zonder erbij na te denken, en ik knikte en ging weer op zoek naar Ruud, die boven met een tennisbal tegen zijn slaapkamerdeur gooide. Waarom mag Ruud dat eigenlijk wel bij hem thuis en niet bij ons? Papa zegt dat hij een Ruudtax heeft, maar ik weet niet zo goed wat dat betekent.
Ik loop Claudia vaak voor de voeten. Als ze bijvoorbeeld aan het stofzuigen is (ze heeft een stofzuiger zonder snoer, zoiets heb je nog nooit gezien, een soort bezem met knipperlichtjes en een draaiende kop) dan mag ik niet naar beneden komen voor een glas water, want als ze me ziet begint ze te zuchten en zet dan haar stofzuiger uit en kijkt me zwijgend na terwijl ik mijn glas onder de kraan hou en weer terug loop en dan zegt ze: ‘We hebben boven kranen, Boris,’ en dan zeg ik ‘oh ja,’ en pas als ik halverwege de trap ben zet ze de stofzuiger weer aan. Of toen ik Ruud zocht (soms lijkt het net of Ruud zich de hele tijd voor mij verstopt, ik ben de helft van de dag naar hem aan het zoeken) en Claudia met een gil tegen me opbotste en ik me aan de trapleuning moest vastgrijpen om niet te vallen en haar toen vroeg waar Ruud was. In de stilte tussen ons klonk het geluid van Ruuds schietspelletje uit de woonkamer. Ik zei: ‘Sorry,’ ook al wist ik niet zo goed waarvoor.
Claudia noemt mij all over the place. Dat heb ik haar meerdere keren horen zeggen, tegen Ruud en tegen de vader van Ruud (die me altijd groet met ‘dag jongen’ en de rest van het eten naar zijn telefoon kijkt) maar ook tegen papa. Ze zei het tegen mijn meester na de paasoptocht waar ik even van de groep afweek om een haas te achtervolgen, een échte haas, niet de moeder van Judith die in een hazenpak de groep leidde, en die met haar harde stem alle echte hazen de stuipen op het lijf joeg, ik was die echte haas gevolgd en ineens was ik helemaal alleen en het bos leek eindeloos groot en hoog en toen dacht ik aan de verhalen van Gül en Eelco over kinderlokkers die in de bossen waren en allemaal vreselijke dingen met me zouden doen, en het duurde niet lang voordat ik in paniek rondrende, zoekend naar mijn groep, en over takken viel en me bezeerde aan een prikkelstruik, en ik stapte in de modder en mijn schoen raakte los en dus holde ik met één blote voet door, en ik weet niet hoe lang het duurde voordat ik de harde stem van de neppaashaas hoorde, maar ineens was ik wel blij dat deze zo hard was. Toen ik de groep weer vond, keken alle kinderen me aan alsof ze een draak uit de struiken zagen komen, en mijn meester holde op me af, ‘Daar ben je, jongen toch, wat is er gebeurd?’, en ik zei ‘kkkinderlokker’, meer kwam er niet uit mijn keel want ik had vreselijk hard gerend en was nog steeds een beetje bang dat de kinderlokkers elk moment konden verschijnen, en het gezicht van de meester veranderde, hij bekeek de schrammen op mijn armen en mijn blote voet en hij slikte en slikte en er verschenen drie andere volwassenen naast hem, en ik begreep dat iedereen op mijn verhaal zat te wachten, dus legde ik uit dat ik op de vlucht was voor de kinderlokkers, ik had geen kinderlokker gezien, maar als ik Gül en Eelco moest geloven stik te het hier in het bos van de kinderlokkers, en de meester slaakte een zucht en stond op en zette zijn handen in zijn rug en boog achterover en lachte één keer hard en kort en zei toen tegen de moeder van Judith, die haar hazenkop had afgetrokken en in haar hand hield: ‘Verdomme, ik dacht, ik dacht,’ en verder kan ik me niet herinneren wat er gebeurde, behalve dat Claudia op school naast mij en de meester kwam staan toen hij mijn schoen – ik weet niet wie hem had teruggevonden – met een doekje schoonwreef, en zei: ‘Hij is toch ook wel all over the place, hè,’ en het klonk niet zo aardig, ook al zei ze het met een glimlach, het klonk als een reden om mij als laatste te kiezen bij gym, en de meester zei: ‘Nu even niet, Claudia,’ en keek naar de openstaande deur van het wc-hokje waardoor ze met wat onverstaanbaar gemompel verdween.
(…)
Bouke Schut. Foto door Kelli de Vriendt.
Bouke Schut is redacteur bij literair platform Karakters. Pendelend tussen Amsterdam en Antwerpen schrijft hij over alles wat op zijn pad komt. Eerder werk verscheen in o.a. Kluger Hans #35 Denkmal en #36 Het Fenikscomplex , De Optimist, cineville.nl en Filmmagie.
Wil je dit verhaal graag helemaal lezen en/of het ook op papier bemachtigen om je collectie mee te vervolledigen? Dat kan! Koop #42 Chaos in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #42 Chaos toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.
Kluger Hans presenteert: editie #42 Chaos! Dient chaos omzeild te worden? Of moeten we chaos toelaten, juist uitlokken, als vorm van verzet tegen de orde van het leven? En welk nieuw leven kan groeien in zo’n levenloze ruimte? Deze vragen staan centraal in het nieuwste nummer van Kluger Hans. Om het voorjaarsnummer #42 Chaos te lanceren organiseert Kluger Hans op 9 juni een Literaire Schurft. Het evenement gaat van start om 20 uur en vindt plaats in Koevoet, Kleindokkaai 3-5, 9000 Gent. Enkele auteurs die in het nummer verschijnen betreden het podium en presenteren hun creatieve bijdrage aan deze editie.
Bouke Schut brengt een voorproefje van zijn tekst ‘Afscheid’, waarvan je de volledige versie in het papieren nummer zal kunnen lezen. Gwyn Bouwman schotelt ons haar roze en ijdele poëzie voor en eveneens zal dichtersduo Casper Burghgraeve en Benjamin De Roover het publiek op een eigenzinnige performance trakteren.
Bouke Schut is redacteur bij literair platform Karakters. Pendelend tussen Amsterdam en Antwerpen schrijft hij over alles wat op zijn pad komt. Eerder werk verscheen in o.a. Kluger Hans #35, De Optimist, cineville.nl en Filmmagie.
Bouke Schut. Foto Kelli de Vriendt.
Ken jij Claudia nog? Papa noemt haar altijd ‘die oranje tennismoeder’, maar eigenlijk is ze de moeder van Ruud, bij wie ik elke vrijdag speel. Ze draagt van die knalwitte sportschoenen en ruikt heel lekker naar wasmiddel en thuis zingt ze heel hard mee met de cd van de musical Cats – (…)
Fragment uit ‘Afscheid’ uit #42 Chaos.
Gwyn Bouwman. Foto Arwen La Rocca.
Gwyn Bouwman werd geboren in Nederland en woont sinds zeven jaar in Brussel. Ze studeerde Spaans en Comparative Literary Studies in Utrecht en woonde een tijd in Parijs, Buenos Aires en Santiago de Chili. Op dit moment volgt ze een opleiding aan de Schrijversacademie en de Vertalersvakschool in Antwerpen.
de liefde is een telefooncel ergens tussenverstopte aderen een kapotte lantaarnpaal flikkert in het lichaam, liefde een paar keer per dag wil ik je bellen ik bel god nummer verloren nooit geboren nooit ontmoet bestaat niet meer
Fragment uit ‘dichten is roze en ijdel / ongemakkelijk gedicht over zeepaardjes’ uit #42 Chaos.
Casper Burghgraeve is dichter en amateurkunstenaar. Hij werd geboren in Gent en studeert in Gent, waar hij als lid van Auw La, studentenvereniging voor poëzie, verscheidene literaire evenementen organiseert. Momenteel woont hij in Oudenaarde, waar hij nog steeds voor school werkt, en in zijn kamer zit. Benjamin De Roover is dichter. Hij werd geboren in Zottegem en studeerde in Gent, waar hij als lid van Auw La, studentenvereniging voor poëzie, verscheidene literaire evenementen organiseerde. Nu woont hij terug in Zottegem, waar hij werkt en wandelt.
Benjamin De Roover & Casper Burghgraeve. Foto Lore Deuninck.
Iemand moet de Kuifje uit de koppen van de Belgen trappen, toch?
Ja, vat dat maar op als een dreiging, de dreiging die liefde heet
Wie wij zijn? Vlaamse suburbia hebben ons en ons specifieke gevoelsregister
Over de spoorlijn heen de Vlaamse kleinstad in gefluimd
Fragment uit ‘HET MASKER VAN LAUTRÉAMONT DRAAGT ONS SMOELVEL (BEL Radio Edit) BASS BOOSTED’ uit #42 Chaos.
Kluger Hans presenteert Gaea Schoeters en Arno Van Vlierberghe: de peetouders van ons nieuwste nummer #42 Chaos. (Nog een dag of tien en je krijgt het te zien!)
Dient chaos omzeild te worden? Of moeten we chaos toelaten, juist uitlokken, als vorm van verzet tegen de orde van het leven? En welk nieuw leven kan groeien in zo’n levenloze ruimte? Deze vragen staan centraal in ons nakende nummer 42. Samen ondersteunen peters Gaea en Arno de lancering van deze editie.
Benieuwd naar welke teksten onze peetouders zelf het liefste gelezen hebben? (Ze kregen uiteraard een preview.) Houd dan zeker Roergebied in de gaten. Daar onthullen Gaea en Arno hun favoriete bijdragen aan Chaos.
Gaea Schoeters
Gaea Schoeters (1976) is schrijver, scenarist, librettist en journalist. Af en toe waagt ze zich stiekem aan poëzie. Ze debuteerde in 2018 met de reisroman Meisjes, moslims en motoren, een biografisch verhaal over de motorreis die ze door Iran, Centraal-Azië en het Arabisch Schiereiland maakte met fotografe Trui Hanoulle. In haar vrije tijd schopt Gaea af en toe tegen de schenen van de wereld in columns en opiniestukken.
Gaea Schoeters. Foto door Sebastièn Van Malleghem.
Gaea’s werk bevindt zich op het kruispunt van vormonderzoek en sociaal engagement. Co-creatie en muziek maken deel uit van bijna al haar werk. Samen met Johanna Pas vertaalde ze Kae Tempest, met Gerda Dendooven maakte ze het filosofische kinderboek (N)Iets. Met componiste Annelies Van Parys werkt ze regelmatig aan opera’s en muziektheaterproducties, zoals de bekroonde opera’s Private View en Usher en de recente Van Ostaijen-bewerking Holle haven, waarin de twee de grenzen aftasten van spoken word. Hun werk wordt gespeeld in heel Europa, en momenteel werken ze samen aan een performance voor de Biënnale van Venetië. Na Gaea’s debuutroman Meisjes, moslims en motoren volgden nog meer romans, waaronder De kunst van het vallen, Zonder Titel #1 en Trofee.
Zeker lezen
Trofee(2020) beschrijft de pracht van de wilde natuur verstrengeld met de harde realiteit van onze omgang met Afrika. Het boek haalde de longlist van de Boekenbonprijs en de Boon Literatuur prijs, de shortlist van de Confituurprijs en de VN Thrillerprijs, kreeg een Special Mention van de European Literature Prijs en won de Sabam Literatuurprijs.
Trofee neemt ons mee in de verdrongen geest van een westerse jager, voor wie Afrika één grote speeltuin is. Geleid door een dubieus moreel kompas weegt hij de waarde van een leven af. Een stilistische tour de force, waarin het razende ritme de fysieke dreiging het plot nog hoger opstuwt.
Arno Van Vlierberghe
Arno Van Vlierberghe. Foto door Catherine Lemblé.
NAAM: Arno Van Vlierberghe DATUM VAN GEBOORTE: 29/08/1990 TIJDSTIP VAN GEBOORTE: 23.15 uur PLEK VAN GEBOORTE: Ukkel, België MEDIUM VAN GEBOORTE: overwegend vaginaal POSITIE IN HET LITERAIRE LANDSCHAP: overwegend rechtopstaand PUBLICATIES IN BOEKVORM: Vloekschrift (2017, het balanseer) / Ex Daemon (2022, het balanseer) PUBLICATIES IN TIJDSCHRIFTEN: her en der, offline en online
Ode aan Mark Baumer
Een naam die Arno Van Vlierberghe graag onder de aandacht wil brengen is die van MARK BAUMER (1983 – 2017). Mark Baumer – dichter, activist – ondernam in 2016 een tweede wandeltocht (blootsvoets) van de Oostkust naar de Westkust van de Verenigde Staten. Hij zamelde geld in tegen fracking. Elke dag hield hij een videodagboek bij, dat nog steeds te raadplegen valt op YouTube. Op dag 101 werd hij overdag aangereden door een terreinwagen. Hij was op slag dood. Daarmee verloren we een belangrijke handtekening onder het manifest van de wereld. Hoeveel Mark Baumers kunnen we nog verliezen? Wat moeten we doen wanneer niets meer kan? Hoeveel bouwgrond bevat de chaos van na mij, na ons? Het nagelaten werk van Mark Baumer is de sidderende hand die naar de zon wijst en net daarom van de schaduw houdt, het begrip voor de blaffende hond die gebroken werd om een bakstenen grammatica te beschermen, de private tranen die rollen bij het moedig flikkeren van de laatste pixel op een stukgeslagen bord, de aangeboden schoen hoewel de eelt de last net nog draagt.
Wil je als eerste #42 Chaos in je brievenbus zien verschijnen? Abonneer je dan nu op Kluger Hans! Of doe iemand een jaarabonnement cadeau met onze nieuwe cadeaubonnen.
Een nieuw jaar, een nieuwe actie! Word tussen nu en 7 februari 2022 abonnee en ontvang niet alleen #41 Gêne als welkomstexemplaar, maar ook een nummer naar keuze uit ons archief.Als je hier klikt, dan krijg je de hele lijst te zien.
Abonneren doe je hier. Schrijf tijdens je bestelling je keuze in het hokje ‘bestelnotities’. Zo weten we welk extra nummer we je mogen opsturen.
Keuzestress? Noteer dan ‘kies maar’ en de redactie maakt de keuze wel voor jou.
#41 Gêne
Als abonnee steun je beginnende schrijvers en onze werking. Je krijgt dan tweemaal per jaar een zorgvuldig vormgegeven Kluger Hans in de bus om je vrienden mee jaloers te maken. Daarnaast krijg je als abonnee gratis toegang tot onze evenementen, waar je de schrijvers kan zien, horen en ruiken.
Ben je graag als eerste op de hoogte van ongekende, maar begiftigde auteurs? Kluger Hans verzamelt ze voor je in een halfjaarlijks tijdschrift. Onze collectie proza, poëzie en essay komt in een papieren jasje, waarin tekst, vormgeving en beeldende kunst elkaar versterken. Een Kluger Hans gooi je niet weg, maar bewaar je in je boekenkast.
De tweede aflevering van Droesem is er! Voor deze podcast van Kluger Hans kiest een gast een verhaal uit de archieven van ons tijdschrift, leest het voor en bespreekt het. Tot slot kiezen ze een gast voor de volgende aflevering: zo ontstaat er een ketting van nieuw bezinksel.
Voor deze tweede aflevering koos Dominique De Groen ‘Polymeer’ van Lieven Stoefs, verschenen in Kluger Hans #38 Het belang van het irrelevante. In conversatie met Anna Van Hoof bespreekt Dominique de spanning tussen het lichamelijke en het machinale in Lievens verhaal en de poëtische kant daarvan: “Het is alsof er continu een soort evenwicht gezocht wordt in de relatie tussen mensen die gevangenzitten in structuren die groter zijn dan zijzelf en die hen in bepaalde verhoudingen dwingen,” zegt ze, “maar anderzijds wordt er ook op zoek gegaan naar de mogelijkheid tot menselijkheid binnen zo’n systeem.”
Anna, Dominique (foto door Tiny Geeroms) en Lieven.
Lieven Stoefs (°1982) is ingenieur en schrijver. Zijn kortverhalen verschenen onder meer in Kluger Hans, Op Ruwe Planken en Tijdschrift Ei. Zijn debuutroman verschijnt dit najaar.
Dominique De Groen (°1991) is schrijver, beeldend kunstenaar en medeoprichter van Marktcorruptie, een label voor DIY-uitgaves. Bij het balanseer verschenen van haar de dichtbundels Shop Girl (2017), Sticky Drama (2019) en Offerlam (2020).
Volg Droesem op je favoriete podcastplatform en blijf op de hoogte van toekomstige afleveringen.
‘Polymeer’ in #38 Het belang van het irrelevante.
MuziekAiko Devriendt Stem, montage Anna Van Hoof Artwork Francesca Gaby Van Daele Met dank aan Hectolitre, Timon Van De Voorde en Max Adams.
Geïnteresseerd in de papieren versie van ‘Polymeer’ van Lieven Stoefs? Koop #38 Het belang van het irrelevante hier.Met je aankoop steun je je favoriete tijdschrift en nu ook je favoriete podcast. En daarmee ook verse literair talent.
Het zat eraan te komen dat de peetouders eens voor dezelfde tekst gingen vallen. En dat is bij dezen gebeurd! Zowel Lies Gallez als Esohe Weyden kozen ‘Zoekgeschiedenis’ van Marloes van der Singel als een van hun twee favoriete teksten uit #41 Gêne. Lees hieronder waarom.
‘Zoekgeschiedenis’ in #41 Gêne. Rechts: According to Lulu he has the smallest dick ever (2017) van Joëlle Dubois.
Esohe: “Ik heb slechts twee woorden nodig om dit gedicht te beschrijven: hoe herkenbaar. Maar ik wil graag meer woorden toevoegen, zoals eerlijk, transparant, gedurfd en verfrissend. Ik ben zelf iemand die continu veel vragen stelt en niet kan rusten zonder een antwoord. Letterlijk. Ik zou midden in de nacht mijn gsm erbij kunnen halen om een stomme vraag te googelen. Of regenwormen kunnen huilen zou nu éxact een voorbeeld kunnen zijn. Zalig. Ik hou ervan hoe de opzoekingen in dit gedicht niets met elkaar te maken hebben maar ergens ook weer wel. Marloes van der Singel maakt chaos samenhangend en durft ook de taboe rond onze – soms gênante – zoekgeschiedenis te doorbreken. Op het einde doet ze wat we nooit zouden toegeven, maar wat we allemaal ooit wel eens hebben gedaan: ze googelt zichzelf. Geniaal.”
Lies: “Dit gedicht viel me onmiddellijk op door de bijzondere lay-out, maar ook door de humoristische toon die al van regel één gezet wordt. Tegelijkertijd biedt het gedicht een venster op ons online leven dat we vaak zo vanzelfsprekend nemen. Het belicht iets met een vette knipoog. Er staat geen regel te veel. De tekst is lekker springerig, maar het past ook bij de vorm die gekozen is. Het past bij hoe wij online zoeken. Vorm en inhoud sluiten naadloos bij elkaar aan. Het lijkt me een soort goed gestructureerde of modernere vorm van stream of consciousness. Nu ik dit las, kijk ik uit naar meer van Marloes van der Singel. Wat een geweldige ontdekking is dit.”
Marloes van der Singel (°1982, Weststellingwerf) schrijft korte verhalen en gedichten die onder meer gaan over drijvende mieren, kattencafés, Hubba Bubba en kwijtraken wat je lief is. Eerder werk werd o.a. gepubliceerd in Op Ruwe Planken, Tijdschrift Ei, De Optimist, MUGzines en het festivalmagazine van Dichters in de Prinsentuin. In 2020 werd ze genomineerd voor de Rob de Vos-poëzieprijs. Wanneer ze niet schrijft, loopt ze het liefst op blote voeten door de bossen in de omgeving waar ze opgroeide.
Wil je ‘Zoekgeschiedenis’ van Marloes in je bibliotheek? Schaf je dan een papieren exemplaar aan van #41 Gêne! Dat kan via onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #41 Gêne toegestuurd als welkomstexemplaar. Dat is meteen ook de beste manier om ons te steunen.