Auteur: administratie

  • RED KLUGER HANS

    RED KLUGER HANS

    Het is zover. Kluger Hans groeit en groeit.
    De werkdruk ook, maar ons boven het hoofd.

    We staan op een kruispunt: of onszelf nog een jaartje uitputten en er dan mee stoppen, of professionaliseren en kunnen voortbestaan. Professionaliseren of imploderen, dus.

    We hebben daarvoor tegen juni 666 475 extra abonnees* nodig (of 147 105 steunabonnementen).

    (We houden de cijfers actueel!)

    Dat moet lukken.
    Samen gaan we Kluger Hans in leven houden.

    Ben jij een van de 666?

    Vragen? Meer informatie nodig?
    Jouw suikertante wil ons een buitengewoon voorstel doen?
    Mail naar info@klugerhans.org t.a.v. Yasmin Van ’tveld.

    Hoezo, professionaliseren? 
    Wat deden jullie nu dan?

    De hele redactie werkt al al die jaren onbezoldigd als vrijwilliger. Met de subsidie van Literatuur Vlaanderen kunnen we de auteurs, kunstenaars, drukker, post, vormgever en boekhouder betalen. Maar voor de redactie en dagelijkse werking (de motor) blijft zo goed als niets over – een doos koekjes en een fles wijn tijdens vergaderingen buiten beschouwing gelaten. 

    Op vier jaar tijd gingen we van 235 inzendingen per jaar naar 630 inzendingen per jaar. Alleen al voor het nummer waar we nu aan werken, ontvingen we zelfs 466 inzendingen. En dan hebben we het nog niet over de rest van wat er allemaal achter de schermen moet gebeuren.

    Waarom juni?

    In december 2024 werd beslist om op zoek te gaan naar genoeg alternatieve fondsenwerving en extra inkomsten om onze professionalisering in gang te kunnen zetten. En om zo de toekomst van Kluger Hans te kunnen garanderen.

    In februari bleek bovendien de regeling van Literatuur Vlaanderen veranderd te zijn. Tot nu was het voor literaire tijdschriften niet mogelijk om meer dan 45.000 euro aan te vragen. Kluger Hans kreeg sinds 2024 29.685,72 euro per jaar toegewezen. Maar voor de periode 2026-2030 is er een nieuw reglement uitgeschreven. Het herschikt de mogelijkheden om ons doel te bereiken en maakt onze wilde dromen wat tastbaarder. De deadline van deze subsidieaanvraag ligt op 15 juni.

    De cijfers

    Om de werking zoals die nu is te stutten zouden we moeten kunnen rekenen op 150.000 euro per jaar. In een ideaal scenario, zodat we ook echt kunnen groeien, hebben we 260.000 euro werkingsbudget per jaar nodig. Er liggen een aantal ideeën op tafel om een subsidieaanvraag in te kunnen dienen die ons vooruit zal helpen. Maar die tafel is uiterst wankel en heeft vraagtekens in plaats van tafelpoten.

    We lanceren dan ook een warme oproep naar waar we wel zeker van zijn: jullie – onze fans, lezers, inzenders, sympathisanten. Samen kunnen we die wankele tafel stutten.

    Wat zit in je abonnement?

    Als abonnee krijg je tweemaal per jaar een verse Kluger Hans in je brievenbus. Elke nieuwe abonnee krijgt het jongste beschikbare nummer (nu #42 Chaos) automatisch als welkomstexemplaar opgestuurd. Mei en november zijn onze oogstmaanden. Dan lanceren we een nieuw themanummer waarin we verhalen, poëzie, essays en theaterteksten van opkomend en onbekend talent verzamelen in een papieren jasje. Indien we betalende evenementen organiseren, dan krijgen onze abonnees daar gratis toegang toe. In de de abonnementsprijs is verzending binnen de Benelux inbegrepen.

    Opmerking: de voorraad van ons laatste nummer #47 Confabulaties is op! De welkomstexemplaren zijn nu #42 Chaos. Wil je sowieso een ander nummer als welkomstexemplaar? Laat het ons weten in het veld ‘Bestelnotities’ bij de bestelling van je abonnement. (Let op: sommige edities zijn uitverkocht.)

    *OPGELET: Alle abonnementen worden jaarlijks automatisch vernieuwd. Je wil graag je abonnement opzeggen? Geen probleem. Stuur minstens twee weken voor de automatische hernieuwing een mailtje naar info(at)klugerhans.org. Dan stoppen we je abonnement voor de volgende periode. Of log in in je online account en annuleer daar zelf je abonnement, zodat de automatische hernieuwing niet meer plaatsvindt.

    Het bedrag dat we samenrapen blijft idealiter stabiel tot 2030, maar we begrijpen het zeker en vast dat dat niet voor iedereen mogelijk is. Met één jaar bijdrage als abonnee zijn we ook al heel vereerd. En vooral dankbaar.


    Kunnen we vriend worden van Kluger Hans?

    Momenteel hebben we nog geen vriendensysteem o.i.d. waarmee we je extra kunnen bedanken voor je steun, maar in geval van succes plannen we een dergelijk programma uit te rollen vanaf 2026. 

    Zou je dat interesseren? Laat het ons weten in het veld ‘Bestelnotities’ bij de bestelling van je abonnement* en dan leggen we een lijst aan.

    Eerder zin in een eenmalige bijdrage?

    Dat kan! Je kan ook doneren in plaats van een abonnement aan te gaan. Handig, want zo kies je gewoon helemaal zelf met welk bedrag je ons wil steunen.

    Doneren kan via overschrijving naar de rekening van Kluger Hans met als mededeling ‘donatie’.

    IBAN: BE70 5230 8065 0525
    BIC: TRIOBEBB

    Hartelijk dank!


    Maar wat doet Kluger Hans eigenlijk allemaal?

    Kluger Hans werd opgericht in 2008, maar kreeg haar huidig profiel na een omwenteling in 2013. Sindsdien is het tijdschrift een literair booreiland voor opkomende auteurs – via open oproepen vissen we heel wat talent op. We hebben een mooie trackrecord: de afgelopen vijftien jaar publiceerden we onder andere vroeg werk van Moya De Feyter, Radna Fabias, Lieven Stoefs, Ramy El-Dardiry, Lize Spit, Marieke Lucas Rijneveld, Giuseppe Minervini, Tijl Nuyts, Mattijs Deraedt, Sara Eelen, Dominique De Groen, Yelena Schmitz, Jens Meijen, Hans Depelchin, Anneleen Van Offel, Astrid Haerens, Iduna Paalman … In Kluger Hans lees je met andere woorden het schrijftalent dat over vijf jaar in ieders boekenkast prijkt. We zijn bovendien nog het enige tijdschrift op papier dat zich uitsluitend richt tot beginnende auteurs.

    Kluger Hans is niet alleen een boorplatform op zoek naar nieuwe grondstoffen, maar ook een vuurtoren die beginnende schrijvers de weg helpt te vinden. We nemen een actieve rol op in het literaire veld. Eén van onze vaste waarden om onze missie te onderstrepen zijn de feedbacksessies waarbij we de auteurs die niet voor publicatie werden geselecteerd de mogelijkheid geven om in gesprek te gaan over de werkpunten van hun ingezonden tekst(en). Door feedback te geven over hoe ze hun werk naar een volgend niveau kunnen tillen, doen we er alles aan om hen dat extra duwtje in de rug te geven, waardoor hun werk een volgende keer misschien wel in Kluger Hans – of een ander tijdschrift – terechtkomt.

    Onze evenementen zijn een andere belangrijke pijler voor onze missie. Ze zijn een manier om beginnende auteurs een live platform en een rechtstreeks publiek te geven. Tegelijk krijgen onze lezers en abonnees zo de kans om nieuw talent aan het werk te zien en om met hen in contact te komen.

  • Steun Kluger Hans

    Steun Kluger Hans

    Bouw mee aan de literatuur van morgen

    Kluger Hans is een vrijplaats voor nieuwe stemmen, een literaire broedplaats waar beginnend talent de ruimte krijgt om te groeien. In een wereld waar gevestigde namen de boventoon voeren, kiezen wij bewust voor de verhalen die anders onopgemerkt blijven.

    Om dit te blijven doen, hebben we jouw steun nodig.

    Dat kan natuurlijk door abonnee te worden, maar losse giften hebben we ook broodnodig. Met jouw donatie help je ons om schrijvers en kunstenaars een platform te bieden, om prikkelende literatuur te publiceren en om inspirerende evenementen te organiseren. Elke bijdrage, groot of klein, draagt bij aan de toekomst van grensverleggende literatuur.

    Hoe?
    Je kan steunen door een bedrag over te schrijven op de rekening van Kluger Hans met als mededeling ‘donatie’. Hartelijk dank!

    IBAN: BE70 5230 8065 0525
    BIC: TRIOBEBB

    Op de hoogte blijven van Kluger Hans? Schrijf je in voor de nieuwsbrief.

  • ‘We zijn nog lang niet halverwege’ – Wout Waanders

    ‘We zijn nog lang niet halverwege’ – Wout Waanders

    Herinner je je nog Wout Waanders, wiens poëzie wel al vaker in het tijdschrift verscheen? Deze auteur bracht op 31 januari 2025 zijn tweede bundel ‘We zijn nog lang niet halverwege‘ uit. Daarin valt onder andere het gedicht ‘de dag dat stacey terug kwam’ dat eerder in Kluger Hans gepubliceerd werd te lezen. Ben jij net zo benieuwd als onze redactie? Werp dan snel een eerste blik op de bundel!


    Lees hier enkele gedichten van Wout Waanders:

    Deur

    Ze zegt dat er een heleboel mensen

    bij haar aan de deur zijn geweest

    om te vragen of ze al weet wat ze

    met haar leven wil gaan doen.

    Wat heb je ze gezegd, vraag ik.

    Niks, zegt ze. Ik heb niet opengedaan.

    Hoe weet je dan dat ze met die vraag

    langs zijn geweest, vraag ik.

    Ik voel dat soort dingen, zegt ze.

    Een week later bel ik bij haar aan

    met een fles witte wijn en zo’n

    zak nachochips met chilismaak.

    Ze doet niet open. Ik bel nog eens.

    Er gaat een lamp aan ergens op

    de overloop. Ik hoor wat gerommel,

    een stoel die schuift. Even denk ik nog

    dat ik iemand de trap af hoor komen.

    Blijf niet bij me maar bij me

    Ik wil je niet kwijt maar ik wil je kwijt,

    ik wil je horen en zien vertrekken, de deur

    open en dicht doen, ik wil je en je niet,

    Coverbeeld ‘We zijn nog lang niet halverwege‘.

    je en niet, ik wil en wil niet,

    ik wil je ogen zien rollen en je zien slapen,

    naast me niet naast me, ik wil niet weten

    wat je van me denkt ik wil het weten,

    ik wil je huid voelen niet voelen,

    ik wil je likken niet likken bijten niet bijten

    dragen niet dragen troosten niet troosten

    in je laten vallen niet laten vallen opstaan

    niet opstaan ontbijten niet ontbijten

    ik wil je begrijpen niet begrijpen de haren

    op mijn rug niet mijn rug niet mijn haren je

    horen schelden niet horen schelden je boos

    zien worden niet worden maken niet maken

    ik wil je zoveel ik je niet wil, ik wil je weg

    ik wil je bij me ik wil je ontlopen niet ontlopen

    ik ben je ik ben je niet ik blijf bij je niet bij je

    blijf niet bij me maar bij me.

    de dag dat stacey terugkwam

    de dag dat stacey terugkwam

    hebben we niet in hoofdletters geschreven.

    ik heb haar opgehaald,

    we hebben chinees gegeten, en we zijn naar bed gegaan.

    pas later bedacht ik

    wat een diepe indruk die dag op haar gemaakt moet hebben.

    ik bedoel: alsof je hoofd een minuut lang

    onder water gehouden wordt, en dan opeens losgelaten,

    dat je uit het water schiet

    met een rood hoofd, spartelende armen. dat de waas wegvalt. dat je,

    zelfs al ben je het water uit, nog niet goed durft te ademen.

    dat je de lucht eerst moet proeven.

    de dag dat stacey terugkwam

    heb ik de hele tijd gedacht dat ik haar moest vragen

    hoe het er was: of ze geslagen was,

    of ze vrienden had gemaakt. of er meer mensen zo konden schreeuwen als zij.

    maar ik vroeg niks

    en ze heeft haar mond gehouden. we hebben de wekker

    op zomaar een uur gezet.

    ze heeft me welterusten gekust, twijfelend, trillend.


    Meer info over Wout Waanders en ‘We zijn nog lang niet halverwege‘ vind je via Uitgeverij De Harmonie en zijn eigen website. Rep je naar je favoriete boekhandel en duik deze bundel in!


    Wout Waanders. (Foto: Duncan de Fey)

    Wout Waanders (1989) schrijft gedichten. Zijn debuutbundel Parkplan (De Harmonie, 2020) won de C. Buddingh-prijs, en werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs. Wout was huisdichter van 3FM en stadsdichter van Nijmegen. Hij combineert zijn poëzie graag met goochelshows, pretparkattracties en tentfeesten. Gedichten van hem verschenen onder meer in Hollands Maandblad, Kluger Hans, DB&W, NRC en Trouw. Wout maakt deel uit van BOYBAND, een boyband die literatuur maakt om doorheen te gillen.

  • ‘Een gedeelde binnenplaats’ – Robin Kramer

    ‘Een gedeelde binnenplaats’ – Robin Kramer

    Terwijl de inbox van de redactie zich intussen aardig vult met inzendingen voor #48 Vervreemding, brengen we graag nog een laatste ode aan #47 Confabulaties en het oerwoud van krioelende hersenspinsels dat zich tussen haar pagina’s bevindt. Je leest hier ‘Een gedeelde binnenplaats’ van Robin Kramer, het openingsverhaal van zijn debuutbundel ‘Achtertuinen’ die deze maand verschijnt bij Uitgeverij Oevers.


    ‘Een gedeelde binnenplaats’

    We mogen het geen bruiloft noemen. Maurits en Mei – ze zijn geen verloofden en zullen straks geen echtgenoten zijn. Ik had een kaart gevonden met de tekst: Gefeliciteerd met jullie geregistreerd partnerschap. Op de achterkant schreef ik: Lieve Maurits en Mei, gefeliciteerd met jullie geregistreerd partnerschap.

    Langs de grachten staat af en toe een bloesemboom in bloei, wit en uitbundig als bevroren vuurwerk. Ik ben weer eens verdwaald geraakt. Uiteindelijk vind ik een metrostation en wacht op een lijn naar Nieuw-West. Naast de roltrappen staan objecten tentoongesteld die door de jaren heen uit de grachten van Amsterdam zijn gevist. Aardewerk, fietsen, gereedschap – alles zorgvuldig per categorie gesorteerd en op evenredige afstand van elkaar geplaatst.

    Het kalmeert me dat er zelfs onder water in de grachten een bepaalde berekenbaarheid te vinden is, ik bedoel: dat bepaalde voorwerpen daar vaker eindigden dan andere voorwerpen.

    Iemand lijkt te zingen vanuit de ondergrondse gangen. Het klinkt als ‘Fireworks’ van Animal Collective, maar als ik beter luister blijkt het gewoon een oud Beach Boys-liedje te zijn.

    Stiekem denk ik al een beetje aan je, misschien dat het daarmee te maken heeft. Het was ons jaar geweest: Neon Bible, For Emma, Forever Ago, Night Falls Over Kortedala. Person Pitch, natuurlijk, Under The Blacklight, Hissing Fauna (‘The Past Is A Grotesque Animal’ hadden we grijsgedraaid, met zijn tweeën dansend op huisfeestjes totdat mensen gek werden van het tien minuten durende nummer). Ik luisterde vooral naar Cassadaga, jij wilde niets anders horen dan Strawberry Jam. Het was een goed jaar voor muziek, een goed jaar om zeventien te zijn.

    Ik weet dat Maurits en Mei vrienden van je zijn. Dat de kans groot is dat ik je zal treffen op de bruiloft die geen bruiloft is. Voordat ik wegging was ik een paar keer de trap op gerend om nog wat aftershave op te doen, mijn haar een bepaalde kant op te duwen, mijn overhemd goed in mijn broek te doen. Nu kijk ik in de reflectie van het metroraam alvast met jouw ogen. Wat wil ik dat je gaat zien? Niet hetzelfde, niet iets anders – een mengeling van het herkenbare en iets spannends nieuws misschien, zo feilloos afgesteld dat je er een beetje ondersteboven van zult raken.

    Het is altijd maar de vraag of je elkaar opmerkt op het moment dat je elkaar opmerkt. Ik had je al een uur eerder gezien. Je maakte foto’s van de dansende menigte, zo uit de losse pols, zonder ook maar een oog tegen de zoeker aan te zetten. Ik wilde wachten totdat onze ogen elkaar ontmoetten, om te doen alsof ik je dan voor het eerst zag. Toen je mij uiteindelijk zag staan vermoedde ik dat je hetzelfde van plan was geweest.

    Je zegt: Jij bent ook hier.
         Aan hoe je ouder bent geworden zie ik dat ik ouder ben geworden. Grijze slierten in je donkerbruine haar. Lachlijnen, wallen. Je draagt platte schoenen met een open teen, een zandkleurige kokerrok en een satijnen overhemd in een kleur die je blauw of groen zou kunnen noemen (twee knoopjes open, witte bralette). De zilveren ring om je vinger is aan het oxideren.

    Ik zeg: Ik ben ook hier.

    We omhelzen elkaar en je kust mijn wang. Dan duw je me een beetje van je af, alsof je geschrokken bent van de kus en hem ongedaan wilt maken.

    Ik ben te druk met naar je kijken om een normaal gesprek te voeren. Al vraag ik me af of ik ooit een normaal gesprek heb gevoerd. Je vraagt hoe het met me gaat en ik vraag hoe het met jou gaat. Het gaat goed met ons; als je ons moet geloven. Je raakt even mijn arm aan en ik probeer hetzelfde te doen, maar ik merk dat ik naar je schouder grijp en mijn hand naar beneden laat glijden, totdat ik je ellenboog in de holte van mijn hand draag.

    Je zegt dat je om middernacht vrij bent. Als je het woord ‘vrij’ zegt maak je aanhalingstekens met je vingers. Je rolt met je ogen, maakt snel een paar foto’s, wederom zonder door de zoeker te kijken, en vraagt dan of ik misschien op je wil wachten.

    Je zegt: Of maak je het nooit meer zo laat.

    Ik loop een eindje over de binnenplaats. Ik begin bij het trappenhuis, de sportschool, het café – geestig: je gaat in een grote stad wonen om dicht bij de dingen te zijn en ze bouwen het allemaal in je appartementencomplex – en loop langs de hekken naar de moestuin, waar ledlampen uit de grond steken. Het grind knispert onder mijn schoenen; in de verte bonkt het feest. Ik denk aan de speeches, de taart op een roltafel, de eerste dans. Voor een geregistreerd partnerschap lijkt het toch verdacht veel op een bruiloft.

    Ik kijk naar de portiekflats aan de andere kant van de straat, waar schotels en drogend beddengoed in het paars van de avond als schimmels van balustrades lijken te groeien. In het licht van de lantaarns flikkeren glasscherven waarmee bewoners de halsbandparkieten van de balkons proberen te houden. Het schijnt een plaag te zijn – het gerucht gaat dat ze ooit uit Artis zijn ontsnapt en zich sindsdien over de hele Randstad hebben verspreid.

    Ik draai me om naar het complex van Maurits en Mei, nog geen jaar geleden uit de grond gestampt. Een luxe woonhotel zoals je dat alleen hebt in wereldsteden. De transparantie van de architectuur moest zoiets zeggen als: ja, er komen hier nieuwe mensen wonen, maar je kunt ze in ieder geval zien. De penthouses bovenin steken iets uit, waardoor het lijkt alsof het hele gebouw zich over het Delflandplein buigt. In de brochure stond: De gedeelde binnenplaats heeft een volledig groene indeling op de plaatsen waar geen stenen liggen.

    Ook de mensen uit de omliggende sociale huurwoningen mochten van de binnenplaats gebruikmaken, want in ‘West woon je samen’. Na drie maanden werden er zware hekken om de tuin geplaatst, met een poort die alleen geopend kon worden met een zescijferige code.

    Zonder de vader van Maurits hadden ze hier nooit een appartement kunnen krijgen. Hij kende de architect, de architect de aannemer, de aannemer de makelaar – zo gaan die dingen.

    Hier gaan we gelukkig worden, had Maurits gezegd. En anders gaan we weer ergens anders heen.

    Het wordt frisser. Vrouwen dragen colberts los over hun schouders, roken sigaretten in kluitjes buiten de feesttent. Op de balkons rondom de binnenplaats gaan steeds meer lichten uit. Muizen schieten door de begonia’s het grindpad op, eventjes, en verdwijnen dan weer in een ander perk. Er gaan schalen rond met minihamburgers. Het feest loopt op zijn eind.

    Ik probeer in mijn eentje te dansen, maar mijn lichaam voelt zwaar en ik krijg mijn benen niet mee op het ritme van de muziek – nummers die ik ken, nummers die ik niet ken, nummers die iedereen kent –, dus blijf ik aan de bar staan en staar voor me uit.

    Wanneer hadden we elkaar voor het laatst gezien? Jaren geleden. We hadden afgesproken in een park in Utrecht. Van de voorgenomen volwassenheid waarmee we de afspraak begonnen waren brokkelde met elk half uur een beetje meer af. We dronken wijn, keken naar elkaar.

    Jij was al met die conservator. Je zei: Hij kan geen werk vinden, maar hij zoekt wel heel hard.

    Toen we de tweede fles openmaakten bood ik mijn excuses aan. Voor vroeger, voor jong zijn. Voor het feit dat uitgerekend ik de zeventienjarige jongen had moeten zijn op wie je verliefd was geworden.

    Ik geloof niet dat je iets fout hebt gedaan, zei je. Even zei je niets en toen: Het lijkt wel alsof ik het allemaal overleefd heb uit verveling. Alsof er niet zo gek veel anders te doen was dan dat, weet je. Dan overleven.

    Je zei dat je de wereld zo goed kon voelen. Dat alles altijd aan leek te staan, in leven leek te zijn, ook als je er geen getuige van was. Dat je soms dacht aan de schilderijen in een museum aan de andere kant van de wereld en dat je het je bijna niet kon voorstellen dat die daar allemaal hingen zonder dat jij er was om daar getuige van te zijn.

    Of misschien zei je iets anders. Ik weet het niet meer. Misschien had je alleen gezegd dat je de wereld soms zo goed kon voelen, want dat herkende ik. Het idee dat je constant het volledige leven in je moet dragen en dat het gewoon niet past. En dat je jezelf zo door de wereld moet bewegen – als iets wat aan alle kanten overloopt, naar buiten wil breken, niet past in de behuizing van je botten.

    Wat was er daarna gebeurd? Niet zo veel, en toch ook een beetje alles.

    Toen ik je afzette bij het station kuste ik je snel op je lippen.

    Hé, zei je. Wat doe je? En toen zei je: Nou ja, vooruit dan maar.

    We zitten op een bank bij een basketbalpleintje achter het complex. Met veel moeite hebben een fles wijn van het barpersoneel meegekregen. Je neemt een slok en veegt je mond af met de rug van je hand.

    Gatver, zeg je.

    Ik vraag: Is hij nog conservator?

    Ja.

    Heeft hij die motor nog?

    Je rolt met je ogen en zegt: Ja. Hij is ook gaan hardlopen. Bijna elke avond, soms uren achter elkaar. Hij noemt het hardlopen, maar volgens mij is het wegrennen.

    We lachen.

    Maar ik hou van hem, zeg je, en je frommelt met je handen onder de dunne jas die je over je schouders draagt.

    En ik zeg: Natuurlijk.

    Een groep jongens loopt het veld op. Ze zetten een krat bier onder de basket, openen flesjes aan de rand en steken sigaretten aan. Ze spelen een spel waarbij ze om de beurt moeten gooien, en als je een punt scoort moet je een meter verder van de basket af gaan staan. Ze markeren waar ze zijn gebleven met de groene flessen. Bijna, schreeuwen ze telkens, bijna.

    Ik ben me bewust van hoe dichtbij mijn hand bij je heupen ligt, een paar centimeter maar, plat op het koude metaal. Met de nagel van je wijsvinger haal je vuil onder je andere nagels vandaan. Als je opmerkt dat je dat doet begin je er mee te wapperen, alsof je de gewoonte eruit kunt bewegen.

    Het was een eigenaardige tijd.

    Vind je?

    Ik was gemeen, zeg ik.

    Je haalt je schouders op. Je was een persoon. Ik was ook verward; iedereen was verward. Het geeft niet.

    Ik zeg niets.

    Je grijze haren glinsteren in het licht van de lantaarns.

    Je zegt: Je denkt dat je je van alles herinnert, maar dat valt wel mee.

    Ik zeg niets.

    Je gaat verder: Ken je meneer Bijlsma nog? Van biologie?

    Ik knik.

    Hij kon zo mooi vertellen over de Kaap, weet je dat nog? Over de bosbranden daar. Hij zei dat elke vijftien jaar alles in de brand vliegt en er daarna soms plantensoorten omhoogkomen die al honderden, soms duizenden jaren niet meer hebben gebloeid.

    En opeens zie ik het allemaal weer voor me. Dat krappe appartement waar je met al die broers en zussen woonde. Hoe je moeder nachtenlang kreunde van de pijn, in de kamer naast die van jou. De stugheid van de slaapzak waar we dan onder voosden als ze even stil was. Een orkest van autoalarmen buiten je raam. Hoe je vader altijd op de bank lag te roken en natuurdocumentaires keek. Die geruite broek van je. Hoe je altijd alleen kon afwisselen tussen een shirt en een blouse. Hoe je huilde toen je voor het eerst op de achterbank zat in de auto van mijn vader. Toen ik je later vroeg waarom dat was zei je dat je het niet uit kon leggen, maar dat het iets te maken had met de leren bekleding en hoe dat tegen je huid voelde.

    Wat had ik in jouw leven te betekenen gehad, naast dat alles? Niets.

    Kijk, zeg je, en je pakt je camera. Je leunt met je hoofd tegen mijn schouder en samen kijken we op het kleine scherm naar de foto’s die je van het feest hebt gemaakt.


    Robin Kramer. (Foto: Maria Lecaro)

    Robin Kramer (1990) is schrijver. Zijn korte verhalen verschenen in o.a. Tirade, De Revisor, Papieren Helden en Kluger Hans. Zijn debuutbundel Achtertuinen verschijnt in februari 2025 bij Uitgeverij Oevers. 

  • ‘Ik snel elders’ – Ravi Rosoux

    ‘Ik snel elders’ – Ravi Rosoux

    In onze virtuele achtertuin confabuleren we graag nog even verder. Dat doen we vandaag samen met Ravi Rosoux. Lees hier zijn tekst ‘Ik snel elders’.


    ‘Ik snel elders’

    Ze zal me al lang zijn vergeten. Ze zal oud zijn geworden op een manier die ik niet had verwacht. Iets met haar ogen, die altijd zo katachtig waren, en nu misplaatst strijd zullen leveren tegen de kraaienpootjes en pigmentvlekken van haar bejaarde gezicht.

    Ze zal niet meer dezelfde zijn sinds die knieoperatie, daarbovenop zal ze ook duizendmaal teleurgesteld geweest zijn door de liefde, wat zijn tol eist. Mij zal ze zich niet meer herinneren, ik zal hooguit een symbolische waarde hebben binnen die teleurstelling, een hoofd in een totempaal gewijd aan een voor mij vreemde god.

    J., de enige herinnering waarvan ik zou willen dat we ze nog deelden is er een die we amper samen beleefden:

    We waren jong en al reeds uitgeblust. In een reisbus richting Rome – al zes uur onderweg en in het midden van de nacht – waren we gescheiden door een gangpad omdat de bus overvol was en we de moeite niet hadden gedaan om zitplaatsen te reserveren. Jij had de slaap al gevonden, leunde licht tegen de schouder van de knappe Italiaanse man naast je. Ik keek naar buiten, voelde me wat wagenziek, vond rust in de lijnen van licht die de koplampen van tegenliggers met zich meesleepten. Om de zoveel tijd keek ik naar je en naar hoe juist en liefdevol je wang op de schouder van de Italiaan lag. Ik dacht aan al die liefkozingen, die beloftes die we aan elkaar hadden gemaakt: ‘Je bent de mooiste, de allermooiste op aarde … en je bent de enige, altijd al geweest. De anderen waren voorgangers, dat waren ze toen al, spelingen van het lot en de volgende bestaat niet, behalve dan in vormen die jij nog gaat worden. We worden samen oud.’

    Tussen het zien van de passerende koplampen en jou, ontstond er een gedachte. Ik had eender wie kunnen zijn en jij evengoed. Er zijn meer versies van mij, binnen de ontelbare wegen die het leven in zich waarborgt, die jou nooit ontmoet zouden hebben, die jou dus nooit zouden missen, nooit zouden kwetsen, nooit zouden liefhebben. De bus stopte bij een tankstation. ‘Quindici minuti,’ zei de buschauffeur. Jij en je Italiaanse buur sliepen nog. Ik stapte uit, stak een sigaret op en deed een paar rekoefeningen langs de kant van de baan. Ik heb een zwak voor tankstations, deze oerlelijke nederzettingen bedoeld voor kortstondigheid. De slaperige kassamedewerksters achter het gekraste plexiglas, als prinsessen gevangen in hoge torens van verveling. De benadrukte ongezelligheid die je het recht geeft om je ongeremd pessimistisch en neerslachtig te voelen stemde me gelukkig. Ik twijfelde om een broodje met dit of dat, misschien een drankje, ik maakte me ervan af met een pakje kauwgom: Wild Cherry. De smaak ervan vermengde zich met de rook van mijn sigaret. Hoeveel minuten van de quindici minuti zouden al verstreken zijn? De bus was er nog, verderop schuin geparkeerd op de lege parking, maar ik zag de buschauffeur niet meer.

    Ik had me moeten haasten, maar bleef staan.

    De motor startte op, ik zette me neer op de stoeprand.

    Ik had eender wie kunnen zijn en jij evengoed.

    De bus vertrok, maakte een grote bocht richting de afrit.

    Het was niet dat ik niet meer van je hield, ik zat mee met je op de bus, je rustte op mijn Italiaanse schouder, en ik zat hier voor het tankstation. Het enige verschil was dat ik-hier kers proefde en ik-daar niet.

    Ik keek naar auto’s die aan hoge snelheid passeerden. Ze waren makkelijk te volgen bij het naderen vanuit de verte. Eenmaal voor me leek het of ze een ogenblik lang verdwenen – elders snelden – waarna ze weer verschenen, zich van mij losmaakten; navolgbaar richting de andere verte. Ze werden bestuurd maar ik kon niet zien door wie. Misschien werden ze niet bestuurd, wist ik veel.

    De bus stopte bruusk voor de afrit, even gebeurde er niets, en dan hoorde ik mijn naam, je stormde gejaagd uit de bus, druk gebarend naar de chauffeur en begon te rennen naar het tankstation. Ik doofde mijn sigaret en begon – voor je me in het oog had – ook te rennen; richting jou.

    De rest van de reis lachten we er samen over. Een vermeende foute interpretatie van het Italiaans, of te lang zitten twijfelen over welk walgelijk broodje ik zou hebben genomen. Wat een dommigheid, een afgewende catastrofe. Daar moederziel alleen bij dat tankstation, stel je voor, en daarna: ‘Jij bent de allermooiste … de allerenige.’ Maar ik proefde kers, kauwde in de Romeinse hitte de hele dag door wild cherry.

    J., je zal een heel leven achter de rug hebben gehad. Eén waar ik geen deel van zal hebben uitgemaakt. Deze herinnering zal in rook zijn opgegaan, een jeugdperikel, een naam die net geen belletje doet rinkelen. Je zal dit nooit geweten hebben – maar weet dat ik dit ook voor jou schrijf. Dat ik met de vergetelheid in het vooruitzicht dichter dan ooit tijdens ons samenzijn bij je sta. Want ik had eender wie kunnen zijn en jij evengoed, er zijn meer versies van jou en mij die elkaar nooit zouden hebben ontmoet, en al die versies zullen naast jou staan, je oude pezige hand vasthouden en wachten tot ook jij er niet meer bent. Ik niet, want ik zit nog steeds aan het tankstation met de verveelde prinsessen. Ik snel elders, de lichtstrepen, de smaak van kers, richting de andere verte. De bus is vertrokken.

    Je zal de allermooiste zijn geweest … de allerenige … in vormen die jij nog zal worden.

    Visgraten.

    Tjirpende fruitboom (vechtende insecten).

    Evenwijdige lichtstrepen op de carrosserie van een afgedankte auto.


    Ravi Rosoux.

    Ravi Rosoux (2001) schrijft. Het liefst in het wilde weg. Geen conventies, alles ondergeschikt aan de richtingloosheid. Hij is gepubliceerd in Kluger Hans, Katern, stond op de shortlist van VloedSchrijft, heeft een maakresidentie gevolgd op KONVOOI en resideert bij het Watlab in de Blikfabriek. Momenteel werkt hij aan zijn debuutroman, aan de dingen die hem daarvan afleiden en er terug naartoe brengen.

  • ‘De put’ – David Weel

    ‘De put’ – David Weel

    Heb je het papieren nummer van #47 Confabulaties reeds van A tot Z doorgenomen? Dan hebben we goed nieuws voor je! Op Roergebied kan je nog wat verder snuisteren in dit thema. Vandaag brengen we je een kortverhaal van David Weel, ‘De put’.


    ‘De put’

    Vroeger vertelde ik de buurtkinderen dat er een man onder de ronde put in de Rue du Sabot woonde. Jullie moeten het zelf weten, zei ik dan, maar als je te dichtbij komt, fluistert hij vieze dingen. Ik had niet bedacht om wat voor vieze dingen het ging, maar het bleek genoeg om de kinderen te doen omlopen. Het voelde fijn om hun looproute te beïnvloeden met iets wat ik had verzonnen.

    Elke dag maak ik dezelfde wandeling van mijn flat naar de academie. Juist als je dezelfde route loopt, ga je meer zien, had een docent gezegd die om onduidelijke redenen maar twee weken lesgaf. Toch is het de belangrijkste les die ik tot dusver heb geleerd. Ineens begon ik de kleine veranderingen op mijn route waar te nemen: de verkleuringen van de bladeren, de reflectie van het zonlicht in de verschillende formaten autospiegels, hoe bij nummer 59 elke dag de krantenartikelen uit Le Monde achter het raam worden geplakt voor buren zonder abonnement en zelfs het humeur van de magere bakkersvrouw kan ik door de vitrine heen categoriseren als ‘gemoedelijk’, ‘onrustig’ of ‘moe’. Ik weet hoe ik moet kijken, maar vandaag loopt alles anders. Nooit eerder keek ik zo angstig naar de bodem.

    Ik weet het zeker, de stem komt uit de put. Gelijk denk ik aan de man met zijn vieze woorden, maar er klinken geen vieze woorden, het is mijn naam. Ik kijk om me heen, niemand lijkt het stemgeluid te horen. Ik twijfel of ik moet terugroepen, schuifel wat heen en weer en besluit dan door te lopen.

    De volgende dag overweeg ik een andere route te nemen, blijf stilstaan op de hoek van de begraafplaats maar sla dan toch af waar ik altijd afsla, groet de bakkersvrouw (onrustig) en loop recht op de put af. Dat anderen mijn verzinsels geloofden betekent niet dat ik het ook moet doen, maar zodra ik met mijn voeten voor de ronde deksel sta, begrijp ik dat het niet om verzinsels gaat. Het gaat niet over geloven.

    Voor de zekerheid spreek ik een vrouw met een rolkoffer aan. Ze kijkt achterdochtig, maar komt toch dichter tot de put, zakt door haar knieën en drukt haar oor voorzichtig tegen de deksel.

    ‘Norris Goulet,’ zegt ze. Ik vraag of ze nog eens wil luisteren. Dat wil ze niet. 

    Robert Delaunay, Manège de cochons [draaimolen voor varkens], 1922.

    ‘Goulet,’ zegt een kind dat ik met twee euro overtuig zijn hoofd op straat te leggen.

    ‘Ja, zeker weten, de stem komt uit deze put,’ verklaart een oude man die met zijn wandelstok op de deksel tikt. Steeds meer mensen komen bij mij staan en bevestigen dat mijn naam uit de put klinkt.

    Het liefst zou ik wegrennen en verdwijnen, een willekeurige bus nemen waarna geen van al deze mensen mij ooit nog terugziet, maar als ik mijn verantwoordelijkheid niet neem en vertrek, zullen ze de politie bellen. En binnen een uur zullen twee agenten mijn atelier binnenvallen. Ze zullen eerst iets zeggen over kunst en over de geur van olieverf. Daarna zullen ze mij aan mijn haren naar buiten trekken, terug naar de put. Ze zullen de put openen en met een soepele zwaai van hun wapenstok naar beneden wijzen. ‘U wordt geroepen,’ zullen ze zeggen.

    Ik ben in mijn leven nog nooit weggelopen van mijn verantwoordelijkheid, dus nu ook niet. Met behulp van de omstanders til ik de putdeksel op, mijn naam klinkt harder nu. ‘Ik word geroepen,’ zeg ik rustig, ‘dus ik zal afdalen.’ De omstanders knikken instemmend terwijl ik wazig in het zwarte gat staar. ‘Morgen zal ik afdalen,’ verbeter ik mijzelf.  

    Wanneer iemand laag en langzaam praat, komt hij geloofwaardiger over. Toen ik gister de woorden ‘afdalen’ en ‘morgenochtend’ in de mond nam, had ik beter op een andere manier kunnen spreken. In een klein krantenartikel uit Le Monde dat met veel plakband achter het raam van nummer 59 hangt, lees ik mijn naam. Er staat dat ik vandaag zal verdwijnen in de bodem, om exact tien uur.

    Ik zou kunnen aanbellen om te vragen of de bewoner het artikel wil verwijderen. Ik kan de bewoner uitleggen dat het hier gaat om een misverstand, verkeerd geïnterpreteerde feiten of zelfs om een grote journalistieke fout. Ik besluit langzaam door te lopen.

    Le Monde had al eens over me geschreven: ‘KIND HELE DAG ACHTERGELATEN IN ZWEEFMOLEN’, en hoe het niemand was opgevallen. Ze hadden er een reconstructie van gemaakt. Hoe de moeder van het kind exact om tien uur ‘s morgens met een lage stem zegt dat ze zo terugkomt, dertig francs in de knokige handen van de foorkramer laat vallen en verdwijnt. Hoe de kindergezichtjes bij elke draai van de zweefmolen als dunne aquarel meer en meer in elkaar overlopen. Hoe de omstanders om die reden het terugkerende kindergezicht verwarren met een ander kindergezicht dat ook ergens zweeft.

    ‘Het kind besloot de wereld stilzwijgend aan zich voorbij te laten flitsen en herinnerde zich achteraf vooral de zwarte nagelrandjes van de foorkramer,’schreef Le Monde. Ik werd een nieuwswaardig verhaal.

    Ik passeer de begraafplaats en denk aan de honderden mensen die straks rond de put zullen staan. Er zal een fotograaf zijn die door haar knieën zakt, haar flitser zal oppoetsen met een gebruikte zakdoek en op het moment dat ik de put in spring zal ze snel en krachtig op het rode knopje drukken. En de journalisten natuurlijk, van die opdringerige met een middenscheiding in het haar. Ze zullen kritische vragen stellen over veiligheid en misschien zelfs over het artistieke idee achter deze happening. Ze zullen mijn sprong naar beneden een happening noemen.

    De bakkersvrouw is me voor. Ze groet mij in plaats van ik haar. Ze weet waarnaar ik op weg ben. Haar blik valt vandaag niet te categoriseren. Ze denkt aan de impact die de aanstaande gebeurtenis op haar verkoopcijfers zal hebben. Ze is een bakkersvrouw én een zakenvrouw.

    ‘Met kunst verdien je niks, met brood wel’, zei ze toen ik weken eerder vertelde over mijn atelier en mijn schilderijen. ‘Goed brood bakken, dat is pas kunst.’

    Ze bakt goede croissants. Ik veronderstel dat het percentage boter in haar croissants hoger is dan bij andere bakkers, maar nu zal ík de reden zijn voor de rij in haar winkel. Omdat ik, Norris Goulet van dat artikel in Le Monde, haar elke ochtend groet met een joviale armzwaai. De bakkersvrouw die verdient aan de kunstenaar, ook dit zou een artikel in de krant kunnen worden.

    Al lopend moet ik denken aan het schoolreisje naar het Centre Pompidou. Ik was zeven en had me met een smoes over de grootte van mijn blaas onttrokken aan de speurtocht die we gezamenlijk door het museum moesten afleggen. Ik ging niet naar het toilet, ik bleef hangen bij dat schilderij. Of het echt een keuze was, weet ik niet meer.

    Zittend op de grond keek ik uren naar de ronde beweging op het doek. Ik vergat dat ik kwijt was en mogelijk gezocht werd door de juf. De kleuren van het schilderij draaiden in elkaar en tolden zo mijn hoofd in. Ik fantaseerde over de afgebeelde man en over zijn benen die niet onder zijn lichaam maar ver daarboven op het doek bungelden. Ik fantaseerde hoe hij door de lucht zweefde in grote ronde slagen.

    Ik zet vijf stappen achteruit en loop opnieuw naar de putdeksel. Niks. Ik hoor verdomme niks. Geen vieze woorden. Geen Norris Goulet. Ik probeer de blik van voorbijgangers te vangen, ze moeten toch iéts horen, maar ik kruis enkel de ogen van een hond. Ik volg zijn felgekleurde riem naar de oorsprong, maar het baasje kijkt onafgebroken naar haar telefoon. Het beest gromt wat. Ik besluit zachtjes terug te grommen.

    Ik hoor mijn moeder blaffen met de krant in haar handen. Hoe had ik het in mijn hoofd gehaald, en waarom en waarom, dat riep ze vaak. Waarom vanuit de telefooncel aan het eind van de straat het tipnummer van Le Monde bellen? Waarom?

    Ze riep dat ik notabene nog nooit in een zweefmolen gezeten had. En toen, en ik begrijp het nu nog niet, riep ze dat ik een liegend varken was. Liegen hazen dan niet? Of egels? Waarom was ik het varken?

    Ik schreeuwde dat ze zelf loog. Ik had de kleuren toch zien draaien? En ik begon te vertellen over die man op het schilderij en als de ronde vorm geen zweefmolen mocht zijn dan was het een put. Een diepe put waardoor benen bungelden. Ik vertelde dat hij een kunstenaar was, die man, en gaf hem mijn naam, maar ik zag dat mijn moeder niet meer luisterde, zoals altijd als ik iets vertelde.

    Er is geen politieagent met een wapenstok als ik met een stuk hout de deksel openwrik. Geen fotografe als ik mijn voeten op de roestige spijlen plaats en tree voor tree afdaal. Er zijn zelfs geen journalisten met een keurige scheiding die mijn naam noteren als ik die vanaf de bodem van de put hard omhoog roep.

    Norris Goulet.

    Niemand boven lijkt mijn stem te horen, maar door de riooltunnels hoor ik water klotsen, ritmische voetstappen en dan stilstand.

    ‘Fijn dat je er bent, Norris’, en mijn hand wordt joviaal geschud.

    Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren (www.deburen.eu) in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre.


    David Weel.

    David Weel (1998) is schrijver, fotograaf en podcastmaker. In zijn werk zoekt hij naar het absurde van de mens en speelt hij met verzonnen waarheden. David werkte eerder als creatief strateeg en studeert nu Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. In de zomer van 2023 ging hij als schrijfresident met deBuren naar Parijs. Zijn verhalen verschenen in De Gids en DW B. Journalistiek werk maakte hij voor VICE, Brandpunt+ en KRO-NCRV.  

  • Melissa Giardina kiest ook voor … ‘Metaalmoeheid’ van Lieven Stoefs

    Melissa Giardina kiest ook voor … ‘Metaalmoeheid’ van Lieven Stoefs

    De peetouders van ons gloednieuwe nummer #47 Confabulaties namen alle teksten door en kozen daarbij hun favorieten. Eerder kon je al een lievelingstekst van Melissa Giardina ontdekken en hier is al de tweede: ‘Metaalmoeheid’ van Lieven Stoefs. Nieuwsgierig naar wat zij vond van deze tekst? Lees dan gauw verder!

    Vriendschappen zijn er en op slag niet meer. Nadien komen de vragen, heerst er stilte. Mannen praten niet, zonder woorden breken ze je hart.

    In zijn nu al kenmerkende stijl beschrijft Lieven Stoefs in dit krachtige Metaalmoeheid een hechte groep jeugdvrienden, – wat ze deelden, waren gemiste kansen – maar hoe buigzaam is de vriendschap nog na tien jaar? En behoort het hoofdpersonage werkelijk tot die jonge bondgenoten, of bengelt hij aan hen vast als een schiereiland? Ik kan niet anders dan terugdenken aan Peninsula, het terecht bejubelde debuut van Lieven Stoefs, waarmee hij op de shortlist van De Bronzen Uil 2023 prijkte en dat ik reeds ontelbare keren cadeau deed aan vrienden. 

    Melissa Giardina. (Foto: Michiel Devijver en Iedereen Leest)

    Onuitgesproken pesterijen, zogezegd vergeten uitnodigingen, een volle kamer die stilvalt als je er binnenstapt – Stoefs brengt al die pijnlijke momenten als geen ander tot leven. Vriendschapsverdriet en de brokstukken van wat rest. 

    Die Stoefs kan schrijven, en we zullen nog van hem horen. 


    Lees hier de eerste pagina van ‘Metaalmoeheid’ van Lieven Stoefs:

    Tegen het einde van die allereerste zomer bleek ik bij een groep te horen. Jeroen was de jongste en toch de leider, dat werd duidelijk als hij er niet was. Dan lummelden we, uren aan een stuk voetbalgames, soms een sigaret buiten. Met hem erbij waren er viergangenmenu’s, festivals en vakanties in Zuid-Frankrijk. Willem was de speelvogel, steeds bereid net iets verder te gaan dan de anderen. Soms maakte hem dat onuitstaanbaar, als hij, tot ieders ontzetting, luidop lachte met iemands uiterlijk of beperking. Toch deed zijn charme zelfs dat snel vergeten. Elke keer stak hij een oude grens over, waarna wij volgden. In Dries zag ik verbluffend intellect, zoveel scherper dan het mijne. En bij Kasper voelde ik hoe graag hij samen optrok. Soms dagen aan een stuk, om de beurt bij elkaar logerend. ’s Nachts hoorde ik hem ruisen, op het matje naast mijn bed, een zachte, zwarte beer.

    Wat ons bond, waren gemiste kansen. We hadden geen gedeeld geboortedorp, middelbare school of scouts. Ieder van ons had meer verwacht van zijn tienerjaren, al werd dat nooit uitgesproken. Wat er niet gebeurde, vormde de grammatica van onze vriendschap. Willem droomde van een muziekcarrière, dat zijn talent in iets groots vorm zou krijgen. Hij sprak er vaak over, zonder ooit dichterbij te komen. Jeroen liep gebukt onder moeilijke schooljaren die zijn zelfvertrouwen licht maar tastbaar hadden gedeukt. De echo’s van zijn ouders die na het middelbaar meteen hun zaak hadden opgericht. Het idee van intellectuele achterstand dat onterecht en alleen bij hem leefde. Dries had in de jaren voor we hem kenden veel geobserveerd, maar weinig geproefd. En Kasper, die probeerden we weg te houden bij meisjes. Angstig dat hij openhartig zou worden na een pint te veel. 

    Tijdens onze eerste reis sliepen we in een houten barak aan het water. ’s Avonds laat, rond de gietijzeren kachel, schikte Kasper stukjes kaas en spek in een gamel, zette die op het gloeiende deksel. Een zilte geur trok door de ruimte. Terwijl we voetbalhelden bespraken, vrouwen rangschikten en onze droomaffiche voor muziekfestivals samenstelden, bediende hij ons. Ik dopte de gesmolten, smeuïge massa op met hompjes brood. Rond mij de walm van sissend spek, knetterende houtblokken, dichte, gestraalde hitte en het zingen van mijn lievelingsjongens.

    Een decennium vormden zij mijn thuisland. Een oord vol gelach, roes en beschutting. Ik besef nu dat ik maar met enkele lipjes land aan hen had vastgehangen. Een schiereiland, tegen beter weten in. Toen de eerste bevingen door de grond trokken, wimpelde ik ze af. Tot het te laat was en ik vergeefs, met al mijn macht, probeerde aan te klampen. Achteraf leek het logisch, waren onze verschillen te essentieel. Terwijl zij laat op de avond een joint lieten rondgaan, een nieuwe plaat opzetten, las ik liever. Ik zat bij hen in de zetel, keek af en toe op en lachte dan mee. Ik zocht een tussenvorm, zij duldden geen afwijkingen. Misschien was het metaalmoeheid: een niet al te hoge maar voortdurende belasting die onze vriendschap deed bezwijken. Spanningen te sterk voor de grillige banden van die ene, genadige zomer tien jaar eerder. 

    De allerlaatste maanden waren er haperingen. Nieuwe plannen die me trager bereikten, vermoedens dat ik niet meer werd meegevraagd. Als we elkaar dan zagen, herwon ik even vertrouwen. Na een week zonder bericht, groeide de angst weer, ditmaal dieper. Tot hun zwijgen verder indikte, de bittere echo’s steeds onontkoombaarder werden. Dries moet al snel geweten hebben hoe het zou eindigen, maar op ogenblikken dat een verzoening mogelijk leek, hield hij dat tegen. Dan organiseerde hij, tegen zijn dralende natuur in, oudejaar zonder mij. Misschien wist hij dat elke toenadering tijdelijk zou zijn Foto’s van dat feest, zonder mij, lachende gezichten, dronken blikken. Een ultieme poging van mijn geest om andere verklaringen te zoeken voor de glimmende slingers boven hun hoofden. De flessen champagne in hun handen, de liefde in hun versmolten lijven.

    Mijn laatste stap was om zelf iets op poten te zetten. Zoals ik Jeroen jarenlang had zien doen. Ik zocht  gemeenschappelijke vrienden op en organiseerde een weekend in de Ardennen. Vrijdag na het werk verzamelden we aan een tankstation vlakbij de autostrade. Zo’n uur later parkeerden we en liep ik na de anderen het huis in. Zonder dralen werden de kamers verdeeld. Ik ging de trap op. Aan het einde van de gang klonk hun gelach. Ik stapte de kamer binnen en zag twee stapelbedden, elke matras bezet. Ze keken even om en zetten dan hun mop verder.


    Lees je graag de rest van dit kortverhaal? Koop  #47 Confabulaties in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch dit nummer toegestuurd als welkomstexemplaar!


    Lieven Stoefs. (Foto: Elte Peeters)

    Lieven Stoefs (1982) is schrijver en ingenieur. Hij groeide op in Griekenland en woont in Leuven. In zijn debuutroman Peninsula (2022, shortlist Bronzen Uil 2023) schetste hij de liefde en de wanhoop in vier generaties van een familie. Zijn tweede roman, De zomer toen, verschijnt in het voorjaar van 2025, eveneens bij Pelckmans.

  • Open oproep: #48 Vervreemding

    Open oproep: #48 Vervreemding

    Beginnende schrijvers gezocht! Wat we willen bestellen? Poëzie, proza, essays … schrijf erop los. Ons volgende nummer zal draaien rond ‘vervreemding’. “De makkelijkste manier om een doolhof te maken – je knoopt een doek voor je ogen en begint te lopen”, schrijft de Bulgaarse auteur Georgi Gospodinov.[1] Zo snel en eenvoudig kun je de dingen vervreemden: de wereld is precies hetzelfde, maar jouw perceptie ervan is radicaal veranderd.

    Kunst helpt om anders waar te nemen en daarmee automatismen te doorbreken. Een essentieel kenmerk van kunst, van literatuur, is daarom de vervreemding: dat wat de Russische literatuurwetenschapper Viktor Sjklovski ‘ostrannenie’ noemde.[2] Voor Sjklovski was ostrannenie een voorwaarde voor goede kunst. Echte kunst maakt wat we kennen ineens onbekend, door ons te betoveren en te verleiden, door onze aandacht te doen glijden naar het onopgemerkte, ons op het verkeerde been te zetten en nieuwe dingen te tonen. 

    Vervreemding draait om het enigmatisch maken van dingen die we dachten te kennen: heronbekendmaking. Het bekende wordt weer geheimzinnig. Dit is het rijk van het absurdisme en surrealisme waarin begrippen en gedragingen op hun kop worden gezet. En het is ook het terrein van de kleine verrassing of de perspectiefwisseling. Vervreemding voelt alsof de schroefjes van de wereld langzaam losgedraaid worden, alsof de trein ineens naar een ander spoor springt, ook als er niks onwaarschijnlijks gebeurt.

    De hallucinatoire verhalen van Silvina Ocampo en de bizarre fragmenten van Daniil Charms zijn even vervreemdend als de vlijmscherpe alledaagse observaties van Claire-Louise Bennet. De hyperactieve chaos van Fiston Mwanza Mujila’s Tram 83 is even verontrustend als het trage drup-drup-druppen van een eettafelgesprek bij Roberto Bolaño.

    Vervreemding vereist ook veel van de schrijver. Om te weten wát verontrustend zal zijn, moet je eerst weten wat de standaard is, het cliché. Bij vervreemding ligt de vaardigheid er daarom in om de vorm simultaan in te zetten met de inhoud. Een tekst vervreemdt niet als ons gezegd wordt dat de wereld hapert, maar we dat niet kunnen voelen.

    We willen de schrijvers ook graag uitdagen om voor dit nummer meer narratief te schrijven: plot, wendingen, ontwikkelingen, tijdssprongen, locaties, dialogen – en de dingen daarin te destabiliseren, verwarren, heronbekendmaken. Dus geef ons jullie opruiende literatuur, jullie verhalen, gedichten of essays die het bekende in een nieuw licht zetten, jullie teksten die verwarren – niet omdat ze onhelder of warrig zijn, maar omdat ze ons iets nieuws laten voelen.


    Deadline: 14 februari 2025.
    Kijk voor de voorwaarden voor je inzending wel eerst even op onze inzendpagina.

    Kluger Hans doet ook graag expliciet een oproep naar beginnende literaire vertalers. Wil je graag werk van een opkomende schrijver uit een ander taalgebied vertalen naar het Nederlands? Stuur dan zeker je vertalingen in, want we zetten met plezier vertaaltalenten en internationale schrijvers in de kijker. Lees voordat je iets instuurt onze inzendpagina goed na voor de nodige richtlijnen (over rechten, etc.).


    [1] Georgi Gospodinov. De wetten van de melancholie. vert. Hellen Kooijman. Amsterdam: Ambo|Anthos, 2015 [2011].[2] Viktor Sjklovski. “De kunst als priom” [kunstgreep/procedé] (1917), vert. Tine Stuurman & Sjifra Herschberg. in: Barend van Heusden et al. (red.). Literaire cultuur (Heerlen/ Nijmegen: Open Universiteit/Uitgeverij SUN, 2001). p. 104-21.

  • Pat Donnez kiest ook voor … ‘Vergeet nooit’ van Marcelle Stoutjesdijk

    Pat Donnez kiest ook voor … ‘Vergeet nooit’ van Marcelle Stoutjesdijk

    De peetouders van ons nieuwst nummer #47 Confabulaties namen dus grondig alle teksten door en kozen daarbij hun favoriete teksten. We lieten al een favoriet van Pat Donnez op je los: ‘(Blue blind date)’ van Xander Kindt. Zijn andere favoriet? Dat is ‘Vergeet nooit’ van Marcelle Stoutjesdijk!

    Pat Donnez. (Foto: Hartmut De Maertelaere)

    “Mocht het een roman zijn die in deze dwingende, frenetiek opzwepende staccatokadans was geschreven, ik gaf er na één hoofdstuk de brui aan. Maar deze zeshonderdenvier woorden grijpen je bij je nekvel vanaf de eerste intrigerende zin, Ik ben niet iemand die vergeet, tot de laatste uitdijende vergeet, vergeet, vergeet, alles steeds weer. Daar tussenin word je overgeleverd aan een helse, kortademige roadmovie die noodlottig en larmoyant eindigt. Of toch niet? Lezen we de koortsdroom van een nieuwsverslaafde die door de angst op de hielen wordt gezeten, of zitten we middenin het hectische leven van een jonge ouder die – net als veel van zijn of haar tijdgenoten – opgeslorpt wordt door het krankzinnig makende metro, bulot, dodo? Je zou in al je drukdoenerij haast vergeten dat je je kind in de autostoel hebt achtergelaten.”


    Vergeet nooit’ van Marcelle Stoutjesdijk

    Ik ben niet iemand die vergeet. Ik herinner me altijd om de autostoel naar achteren gericht te plaatsen, de riemen over zijn schouders vast te maken, de binnenspiegels aan te passen, de buitenspiegels, de handrem los te maken voordat ik wegrijd, naar mijn vrouw te zwaaien terwijl ik achterom kijk om te controleren of hij slaapt, soepel de snelweg op te rijden, richting aan te geven bij het wisselen van rijstrook, vloeiend in te voegen vanaf de oprit, de snelheid te verhogen om mee te gaan met het verkeer, de snelheid te verminderen voor langzamer verkeer. Ik zal nooit bumperkleven, zwenken, afdrijven, gevaarlijke manoeuvres maken, iemand blokkeren die wil passeren. Nooit de vluchtstrook gebruiken.

    Terwijl ik de parkeerplaats van het kantoor nader, geef ik richting aan, zoek een plekje om te parkeren, zet de motor uit, sluit de ramen, verzamel mijn spullen – laptop, aktetas, oplader, lunch, snacks, sluit de deuren, stap het kantoor binnen, vermijd Mandy van de administratie, controleer mijn e-mails, neem deel aan een vergadering over onze nieuwe lijn ergonomische bureaustoelen, onderhandel over de voorwaarden voor de online verkoop, beheer de opslag, verfijn de logistiek voor tijdige leveringen, stel richtlijnen op voor het afhandelen van klantvragen, geniet van een sandwich met kaas en chutney, een zakje gemengde noten, wat gedroogd fruit, wat chocolaatjes, wat paprika’s met humus en ranchdip.

    Een telefoontje van mijn vrouw, ik neem op, ik luister naar haar hysterische, wanhopige stem, spring op, laat mijn telefoon vallen, ren naar beneden, sprint naar de auto, trek aan de hendels, de deuren, trek, trek, trek, ren terug naar boven, pak mijn autosleutels, sprint weer naar beneden, open zijn deur, open alle deuren, staar naar hem, til hem op, houd hem in mijn armen, schreeuw, huil, hap naar adem, smeek om een ambulance, wacht op de ambulance, wacht, wacht, wacht, houd hem steviger vast, knijp hem fermer, draag hem over, kniel op de grond, zak in elkaar.

    De handen van mijn collega’s van me afschuddend stap ik in de auto, rijd naar huis, kus haar, kus hem, trek iets comfortabels aan, maak het avondeten klaar, douche of beter nog; neem een bad, lees hem een verhaaltje voor, zing een slaapliedje, zit naast hem, controleer zijn ademhaling, controleer het opnieuw, controleer, controleer, controleer, ga naar beneden, vouw de was, veeg het keukenblad af, doe de binnenverlichting uit, doe de buitenverlichting aan, ga weer naar boven, poets mijn tanden, scrol door het nieuws op mijn telefoon, lees over die sneue man, over dat droevige kind, schud het van me af. Besluit nooit meer het nieuws te lezen voor het slapengaan, dim de lichten, stop mijn hoofd onder het kussen, sluit mijn ogen, woel wat, hoor een zacht gehuil in de verte, lig wakker.

    ’s Ochtends sta ik op, ga zijn slaapkamer binnen, strijk door zijn haar, ruik zijn geur, wacht tot hij zijn ogen opent, kies zijn geliefde tuinbroek, selecteer zijn favoriete trui, plaats zijn autostoeltje achteruit, maak de riemen vast over zijn schouders, stel de spiegels af, zwaai naar mijn vrouw, rijd soepel de snelweg op, trap het gaspedaal diep in, slinger, drift, maak zwenkbewegingen, blokkeer iedereen die wil inhalen, rijd rechtstreeks naar kantoor, glimlach naar Mandy, sluit mezelf op in mijn kamer, bestel een pizza, trek een biertje open, eet, drink, laat gore boeren, staar naar buiten, open het raam, zwaai mijn benen over de vensterbank, glij uit, val, tuimel, stort neer, denk aan elk detail van de dag ervoor, vandaag, morgen, voor altijd, bots met mijn hoofd tegen de stoep, raap mezelf op, rijd naar huis, kus haar, kus hem, kruip in bed, vergeet, vergeet, vergeet alles steeds weer.


    Lees je graag de andere gedichten en verhalen in dit nummer? Koop  #47 Confabulaties in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch dit nummer toegestuurd als welkomstexemplaar!


    Marcelle Stoutjesdijk. (Foto: Sean Gannon.)

    Marcelle Stoutjesdijk (1985) is een Nederlandse schrijfster en studente aan de Universiteit van Amsterdam, waar ze haar master Redactie volgt. Haar fictie is gepubliceerd in verschillende tijdschriften, zoals Five on the Fifth, Hollands Maandblad, Kluger Hans en DW B, en recentelijk verscheen ze ook op BBC Upload. Momenteel woont ze in Delft en werkt aan een novelle-in-flash.

  • Melissa Giardina kiest voor … ‘Tussenruimte’ van Hagar Schuringa

    Melissa Giardina kiest voor … ‘Tussenruimte’ van Hagar Schuringa

    Zoals gewoonlijk namen de peetouders van #47 Confabulaties het nummer vlijtig door en kozen zij hun favoriete teksten. Leer hier de eerste lievelingstekst uit #47 Confabulaties van meter Melissa Giardina kennen. Zij kiest voor ‘Tussenruimte’ van Hagar Schuringa.

    Melissa Giardina. (Foto: Michiel Devijver en Iedereen Leest)

    “Het begin van een winter, een kluwen draden onder een schedel en een buurman die hortensia’s plant in paars geglazuurde potten. Hagar Schuringa schets in dit sterke kortverhaal hoe de klimaatverandering en het lichaam – of de herinnering aan een lichaam – met elkaar verbonden zijn, in kamers als theaterdecor. Terwijl de hele wereld lijkt te kapseizen en de bulldozers niet veraf zijn, houdt haar hoofdpersonage zich vast aan de weinige zekerheden in haar omgeving. 

    Iedere morgen klapt de caissière rond half tien de plastic stoelen uit die ze achter het vriesvak bewaart. 

    Tussenruimte is poëtisch doch glashelder geschreven. Er staat geen woord te veel, geen woord te weinig. Wie grijpt in en wie niet? En verdwijnen gebeurtenissen wanneer ze niet herinnerd worden? Ook in haar beeldend werk stelt Hagar zich de vraag hoe individuen zich verhouden tot een steeds veranderend landschap. Gelaagdheid, deconstructie en fragmentatie zijn kenmerkend voor haar werk, waarin dat landschap vaak een prominente rol inneemt. Dit verhaal is alvast een prachtige aanvulling op dat werk en die thematiek. Benieuwd naar meer!”


    Lees hier de eerste pagina van Hagar Schuringa’s ‘Tussenruimte’:

    Steeds verder schuift de kustlijn van Norfolk op. Een roze huis heeft het ene moment nog een tuin van tientallen meters, het volgende moment hangt het huis met haar kont over de klif, als een schip dat op kapseizen staat.

    In de omliggende dorpen zijn de bulldozers al gekomen. Ze is niet gaan kijken. Ze heeft zichzelf opgesloten in huis, om zo getuige te kunnen zijn van iedere minimale verandering. Alles in de woonkamer, de keuken en de smalle badkamer lijkt zijn vaste plek te verliezen. De kamers vormen een theaterdecor, waarin ieder onbekend geluid de aankondiging kan zijn van een nieuwe acte.

    Schuin achter haar huis ligt de oude schoenenfabriek, daarachter de buurtsupermarkt. Iedere morgen klapt de caissière rond half tien de plastic stoelen uit die ze achter het vriesvak bewaart. In het kleine magazijn vult ze een thermoskan met koffie. Sinds de dorpskroeg enkele maanden geleden haar deuren sloot zijn de mannen uit het dorp op gezette tijden welkom tussen de schappen pastasaus en ingeblikte groente. Het merendeel van de mannen heeft in de oude fabriek gewerkt en is nu met pensioen. Ze praten over de visvangst, over hun kleinkinderen, of over de nieuwe snelheidslimiet op de brug. Hun bezoeken zijn stipt en inhoudelijk bijna niet van elkaar te onderscheiden. Sinds een aantal weken blijven steeds meer mannen thuis. Volgens de caissière hebben ze hun angst ingeslikt. De angst hangt ergens halverwege hun slokdarmen en dat maakt converseren moeizaam. 

    De buurman praat nog wel. Hij vertelt haar dat een groot deel van het sediment onder hun huizen uit till bestaat. Een mengsel van rotsen, zand en grind, vervoerd door het smeltwater van de gletsjers die Engeland ooit bedekten. Als ze haar best doet, ziet ze het, hoe het till onder haar huis straks naar de bodem van de zee zakt, opnieuw aangestuurd wordt door de onvoorstelbare kracht van water, uiteenvalt als een nat biscuitje in een warme beker thee. 

    ‘Ieder land is eindig.’ Ze zegt het hardop tegen zichzelf in de badkamerspiegel. De kringen onder haar groene ogen worden steeds donkerder. Toegeven aan de slaap betekent dromen over zee. Ze ziet haar eigen hoofd boven en onder gaan tussen de schuimkoppen. Haar longen vullen zich met water. Ze is een lekke reddingsboei.


    Lees je graag de rest van dit kortverhaal? Koop  #47 Confabulaties in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch dit nummer toegestuurd als welkomstexemplaar!


    Hagar Schuringa. (Foto: Lara Bongard)

    Hagar Schuringa (1996) studeerde Beeld en Taal aan de Gerrit Rietveld Academie. Ze schreef diverse artikelen over beeldende kunst voor de NRC. Momenteel neemt ze deel aan het Slow Writing Lab, waar ze zowel in tekeningen als in taal de continue beweging in het gebied rondom de Mont Blanc onderzoekt en vastlegt.

  • Pat Donnez kiest voor … ‘(Blue blind date)’ van Xander Kindt

    Pat Donnez kiest voor … ‘(Blue blind date)’ van Xander Kindt

    Zoals gewoonlijk namen de peetouders van #47 Confabulaties het nummer vlijtig door en kozen zij hun favoriete teksten. Vandaag stellen we je voor aan de eerste keuze van Pat Donnez, namelijk ‘(Blue blind date)’ van Xander Kindt.

    Pat Donnez. (Foto: Hartmut De Maertelaere)

    “Of ‘(Blue blind date)’ nu poëzie is, een droomparabel of gewoon een prozagedicht, het heeft geen zin om dit fluïdegevoelige kleinood te labelen. Het blijft ook zonder een naamplaatje rechtovereind. De vraag die de ik-figuur zich stelt, is of het verlangen wel buiten de metafoor kan bestaan? De dromende ik krijgt ’s nachts tijdens zijn visioen een astronaut op bezoek die hem op een ontregelende manier desalniettemin geruststelt. Wat me inneemt voor deze ‘blue blind date’, is dat het op een sluwe (ik zou haast durven zeggen slinkse) manier mij als lezer achterlaat in een staat van – vooruit, ik laat me gaan – aangename gewichtloosheid.”


    (blue blind date) van Xander Kindt

    “Magnificent. Magnificent desolation.”

                -Buzz Aldrin

    sinds kort droom ik over een astronaut. ik heb geen idee wie er onder de helm zit maar als hij me 

    ’s nachts bezoekt drinken we samen thee. iedere keer hij het kopje naar zijn mond wil brengen, 

    botst de porseleinen rand tegen zijn helm aan. hij zucht. ik smeek hem 

    om de helm nog even op te houden, zie in dat uitstel ook een geruststellend afstel. 

    ik ben nooit echt bang geweest voor ruimteziekte maar de gewichtloosheid 

    van een eerste oogcontact is niet aan mij besteed. daarbij hoop ik achteraf 

    de herinnering uit het gevonden blauw te kunnen wegfilteren. als het niets wordt, 

    wil ik kunnen terugkeren zonder schuldgevoel of quarantainebunkers.

    kan het verlangen wel buiten de metafoor bestaan? dat het vannacht 

    als astronaut de atmosfeer wil doorbreken, is nog niet zo gek;

    ter voorbereiding op wat zou kunnen gebeuren sloeg de maanlander 

    zich in een simulatie te pletter. armstrong bereidde zich graag op het ergste voor maar 

    pas na de landing volgde het echte doemdenken en ook de complottheorieën in mij 

    moeten kunnen zeggen dat dit alles niet heeft plaatsgevonden. (“it was certainly intended,”) 

    of toch niet buiten de grenzen van mijn lijf. (even if it wasn’t said—”) wie een vlag plant, 

    moet zorgen dat die lijkt te wapperen. (“although it actually might have been.”)

    wie een lettergreep vergeet, mag hopen dat de geschiedenis niet te streng zal oordelen.


    Lees je graag de andere gedichten en verhalen in dit nummer? Koop  #47 Confabulaties in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch dit nummer toegestuurd als welkomstexemplaar!


    Xander Kindt. (Foto: Merel Vander Elst)

    Xander Kindt (2004) groeide op in het polderdorpje Kieldrecht. Terwijl hij zijn middelbaar doorbracht op de! Kunsthumaniora in Antwerpen, kreeg hij de smaak van de stad te pakken en nu studeert hij er Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium. Xander laat zich graag beïnvloeden, zowel door de stad als door het platteland, zowel door chaos als door stilte. Via taal, beeld, geluid, gebaren of net witruimte probeert hij betekenis te vinden in wat er om en in hem beweegt. In vormen van theater, poëzie, proza en alles daartussen zoekt hij naar wat hij wil vertellen.

  • #47 Confabulaties

    #47 Confabulaties

    Een warme zomerdag, benen vol teken, rug rauw van het slapen op een luchtmatrasje in een tent. Je bent gelukkig. Een briesje briest langs je oren en je hoort de bergen zingen, een wiegelied, een elegie. Behalve … dat je nog nooit in de bergen bent geweest.

    Wie confabuleert herinnert zich dingen die niet (of niet zo) gebeurd zijn als ze denken. Maar hoe krijgt de werkelijkheid vorm, wie bepaalt wat een herinnering echt maakt? Komen twee herinneren ooit precies overeen en hoe snel worden conflicterende belevenissen heel, heel gevaarlijk? Over die vragen buigen de auteurs en kunstenaars in dit nummer zich. En zelfs de vormgeving van het blad speelt met de cognitieve dissonantie van verschillende perspectieven: leg de omslag ’s avonds onder een lamp, knip na een tijdje het licht uit en je ziet iets heel anders. Beide beelden zijn ‘waar’, maar je kunt ze niet allebei tegelijk zien.

    Met verhalen, essays en poëzie van Hanne Craye, Marcelle Stoutjesdijk, Leonore Spee, Aike Rijntjes, Hagar Schuringa, L.J. de Brouwer, Lieven Stoefs, Keet Winter, Maria Breman, Francesca Birlogeanu, Robbe Ghijsels, Xander Kindt en Valeria Gordeev in vertaling van Kees Wallis.

    De kunstenaars in dit nummer werken op geheel eigen wijze met ons thema. Daan Couzijn buigt zich over originaliteit en de vraag waar ideeën überhaupt vandaan komen. In het werk van Delphine Somers wervelen fantasie en geschiedenis, verleden en toekomst om elkaar heen om een nieuwe verhaalwereld te scheppen.

    Themaverantwoordelijke: Zindzi Tillot Owusu.

    Gastredactie: Carlo Siau en Peter De Voecht.

    Peetouders: Melissa Giardina en Pat Donnez.

    Vormgeving: Thijs Kestens, Armée de Verre.

    Koop hier je exemplaar van #47 Confabulaties.

    Vind je de missie van Kluger Hans geweldig? Wil je dat we nog zo lang mogelijk kunnen blijven bestaan? Abonneer je dan, het is absoluut de beste manier om ons, onze werking en beginnende auteurs te steunen.

  • Pat Donnez en Melissa Giardina zijn de peetouders van #47 Confabulatie!

    Pat Donnez en Melissa Giardina zijn de peetouders van #47 Confabulatie!

    Dit nummer wordt onder de vleugels genomen door twee bezige bijen uit literatuurland: Pat Donnez en Melissa Giardina. We stellen ze allebei graag voor. Beide zijn notoire veellezers met een liefde voor het woord; de ene luistert, spreekt en schrijft, de andere stelt vragen als een spons. De twee peetouders ondersteunen mee de nieuwe namen die in dit nummer te lezen zijn. Pat en Melissa kiezen daarbij elk hun twee favoriete teksten uit het nummer – die verschijnen druppelsgewijs op Roergebied.


    Pat Donnez

    Pat Donnez is schrijver, dichter, performer en journalist. Pat was de eerste stadsartiest van Mechelen. Zijn radioprogramma’s en podcasts op VRT (Radio 1 en Klara) zijn bekroond in binnen- en buitenland. 

    Pat Donnez. (Foto Hartmut De Maertelaere)

    Voor VRT MAX maakt hij Poëzie met Pat en Van A tot Z, marathoninterviews.

    Samen met Toni Coppers bedacht en organiseert hij de jaarlijkse Fintroprijzen Supporting Youg Artists, dat jong artistiek talent een flinke duw in de rug geeft.

    De literatuur is een speeltuin, vindt Pat, en dus laat hij zich niet kortwieken door genres of stromingen. Opa sneeuwt is een dichtbundel voor ‘kinderen en andere grote mensen’. Het is een multimediaal project met magnifieke tekeningen van Hans Op de Beeck. De roman Het interview zet een onthutsende confrontatie neer tussen twee sterke vrouwen die – beiden opgezadeld met te veel verleden – elkaars doos van Pandora openen. En in Wonderlust onderzoekt hij samen met Caroline Pauwels of en hoe wetenschap kan bijdragen aan de kunst van een mooi leven.

    9 regels om in 8 te nemen. Pat Donnez.

    Voor het voetlicht: 9 regels om in 8 te nemen.

    “Een vraag die ik wel eens krijg van luisteraars of lezers is, of het geen tijd wordt om, na duizenden interviews en vragen, zelf met een visie te komen op onze tijd.  9 regels om in 8 te nemen is een hartstochtelijk pleidooi voor wat ik noem, ‘empathisch pragmatisme’. Wat als we zouden leren om compromissen te sluiten zonder onszelf te compromitteren? En het boek is, hoop ik, een manifest voor onbevangenheid dat in deze sombere tijden enig soelaas probeert te brengen. Klaag niet over het donker, maar steek liever een kaars aan.”

    Melissa Giardina

    Melissa Giardina. (Foto: Michiel Devijver en Iedereen Leest)

    Melissa Giardina is het gezicht van Vindetta!, haar bedrijf dat sinds 2020 alles verenigt wat ze het liefste doet: auteurs en kunstenaars interviewen, modereren, redigeren, vertalen, maar ook PR en communicatie. Ze behaalde een master als vertaler Engels/Italiaans, houdt van fotografie en film, maar is vooral en bovenal een notoir veellezer, belust op schoonheid en verwondering in taal en verhaal. Ze dweept iets te vaak met Sylvia Plath, Hugo Claus en Peter Verhelst en is groot liefhebber van het kortverhaal. Melissa werkte jarenlang als boekhandelaar bij onder andere Paard Van Troje in Gent en was ambassadeur van het Leesfonds bij de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren.Ze is vast panellid van Uitgelezen (het live boekenprogramma in VierNulVier), lid van het Arkcomité van het Vrije Woord en jurylid van De Bronzen Uil en de Vloedschrijfwedstrijd. De liefde van haar leven is schrijver en journalist Roderik Six. Giardina heeft Siciliaanse en Brusselse roots, maar woont en leest in Gent. 

    Voor het voetlicht: Jeroen Maris

    De stilte in het salon is dik en lomp. Ik vraag me af of mijn vinger een verschil kan maken, of ik in dat obese zwijgen kan prikken, maar dan barst de zus van mijn moeder in hikken en snikken uit, een aardappelmesje dat de stilte schilt. Ze heeft een zakdoek bij, daar moet al het verdriet in. Ik voel voor het eerst dat een familie confetti is, stippen geperforeerd uit hetzelfde papier.

    Dertig jaar later loopt mijn dochter de aula van haar eerste begrafenis uit. Ze jubelt omdat er van de dag nog heel veel overblijft. Het herfstlicht spreekt en ik zwijg, blij dat mijn dochter zichzelf heeft leren praten.
    – fragment uit Stippen

    Jeroen Maris. (Foto: Jasmine Baert)

    ‘Sinds een jaar of twee kijk ik elke week steevast uit naar de column van Jeroen Maris in De Morgen. Hij schrijft kleine, intieme stukjes in de traditie van Martin Bril en Bernard Dewulf waarin vaak de verscheurdheid tussen klein dorp en wereldstad resoneert, dochter Polly steeds een glorieuze rol toegeschreven krijgt, en die mij zonder uitzondering, stukje voor stukje, ontroeren, doen lachen, wegdromen, filosoferen – tegelijkertijd.

    Maris debuteerde als twintiger bij Humo. Zijn forte is het grote, zachte interview, fraai gestileerd uitgeschreven. Hij had twee jongensdromen: Humo én romans schrijven. Misschien is het zo stilaan tijd voor de tweede. Ik verlang tot de dag waarop Jeroen mij eindelijk het eerste hoofdstuk stuurt en ik kan antwoorden: “Ja! Maris! Nog!”’


    Wil je je graag abonneren op Kluger Hans en twee keer per jaar nieuw literair talent ontdekken? Dat kan hier! Je vindt dan als eerste het nieuwste nummer in je brievenbus. Wil je enkel #47 Confabulatie aanschaffen? Haast je dan naar onze webwinkel!

    Ontmoet het schrijftalent van morgen. Kluger Hans is er voor de nieuwsgierige lezer die graag verder kijkt dan de gevestigde namen. Via dit tijdschrift leer je nu al de auteurs kennen die over vijf jaar op ieders salontafel prijken. Mei en oktober zijn onze oogstmaanden. Dan lanceren we een nieuw themanummer waarin we verhalen, poëzie, essays en theaterteksten van opkomend en onbekend talent verzamelen in een papieren jasje. Er is maar een grondregel: tekstvormgeving en beeldende kunst spelen steeds op elkaar in.

  • 28 november: Literaire Schurft #47 Confabulaties

    28 november: Literaire Schurft #47 Confabulaties

    Zin om de nieuwe confabulaties van de auteurs van vandaag en morgen te ontdekken? Kom dan naar de Literaire Schurft, waar we het nieuwe nummer #47 Confabulaties lanceren.

    Confabulatie is het geloof dat je iets hebt meegemaakt dat nooit gebeurd is, een vervormde herinnering die onze hersenen voor een of andere reden verzinnen. In de nieuwste worp van Kluger Hans ontdek je alles van halve waarheden, foutieve herinneringen en fantasierijke geheugens.

    Wie? Auteurs Lieven Stoefs, Francesca Birlogeanu en Xander Kindt brengen tijdens Literaire Schurft hun confabulaties op het podium. Kunstenaar Delphine Somers gaat in gesprek met hoofdredacteur Yasmin Van ‘tveld over de werken die in het nummer zijn opgenomen.

    Waar? Boekhandel Limerick, Koningin Elisabethlaan 142 9000 Gent

    Wanneer? Donderdag 28 november om 20 uur (deuren open om 19.30 uur)

    Jij wil erbij zijn? Fijn! Aangezien er beperkte capaciteit is, werken we met inschrijvingen. Stuur gewoon een mailtje naar boekhandel@limerick.be met naam en hoeveel personen je meeneemt.


    Francesca Birlogeanu.

    Francesca Birlogeanu (@f.r.antasie) is dichter, performer en student geneeskunde. Hun gedichten verschenen onder andere in Kluger Hans, Deus Ex Machina, Op Ruwe Planken, Het Liegend Konijn en op literaire platformen zoals DIG, Hard//hoofd en Notulen van het Onzichtbare. Ze deed in 2022 mee aan het BK Poetry Slam en ging in de zomer van 2023 mee met deBuren op de Schrijfresidentie naar Parijs. In haar werk vloeit haar interne wereld over in de externe en tast die de grillige grenzen af van seksualiteit, vrouwelijkheid en lichamelijkheid.

    Lieven Stoefs. (Foto: Elte Peeters)

    Lieven Stoefs (1982) is schrijver en ingenieur, hij groeide op in Griekenland.  In zijn debuutroman Peninsula (2022, shortlist Bronzen Uil 2023) schetste hij de liefde en de wanhoop in vier generaties van een familie. De jury van de Bronzen Uil noemde Peninsula “een overrompelend mooi debuut van een beloftevol en ingenieus talent.” Zijn tweede roman, De zomer toen, verschijnt in het voorjaar van 2025, eveneens bij Pelckmans.

    Xander Kindt. (Foto: Merel Vander Elst)

    Xander Kindt (2004) groeide op in de polders van het Waasland. Terwijl hij zijn middelbaar doorbracht op de Kunsthumaniora in Antwerpen, kreeg hij de smaak van de stad te pakken en nu studeert hij er Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium. Via taal, beeld, geluid, beweging en witruimte probeert hij betekenis te vinden in wat er om en in hem beweegt. In vormen van theater, poëzie, proza en alles daartussen zoekt hij naar wat hij wil vertellen.

    Delphine Somers. (Foto: Angel Alberdi)

    Delphine Somers werd geboren in Brugge, woont en werkt in Brussel en is een autodidactische schilder. Haar werk bewandelt de dunne lijn tussen de archetypes die opduiken in folklore, mythes, rituelen, magie en droomwereld enerzijds, en het acuut hedendaagse, maatschappelijke en cultureel specifieke anderzijds. Het verkent de werking van zowel het menselijk onbewuste als de complexe sociale werkelijkheid en de wisselwerking tussen deze twee.

    Wil je #47 Confabulatie graag meteen in je brievenbus? Neem dan een abonnement via onze webwinkel!

  • Literaire Schurft #Throwback op de Gentse Feesten met Lize Spit, Ramy El-Dardiry, Iduna Paalman en Xavier Roelens

    Literaire Schurft #Throwback op de Gentse Feesten met Lize Spit, Ramy El-Dardiry, Iduna Paalman en Xavier Roelens

    In het kader van het Zomerlief gaat vreemd-programma van KANTL presenteert Kluger Hans een feestelijke literaire avond met een blik op vroeger. Als boorplatform voor nieuw en opkomend talent zijn we er namelijk soms al heel vroeg bij. In deze tweede editie van Literaire Schurft #Throwback komen er weer vier auteurs langs uit de archieven van Kluger Hans.


    Wie? Auteurs Lize Spit, Ramy El-Dardiry, Iduna Paalman en Xavier Roelens dragen voor uit oude en nieuwe teksten. MC Maite Vanthournhout heet jullie van harte welkom.

    Waar? KANTL, Koningstraat 18, 9000 Gent

    Wanneer? Zaterdag 20 juli om 17:00.

    Jij komt graag af? Super! Het evenement is gratis en in de buurt van het feestgedruis. Kom dus even genieten voor je weer verder feest!


    Iduna Paalman (c) Sebastian Steveniers

    Iduna Paalman (1991) is dichter en schrijver. In 2019 verscheen bij uitgeverij Querido haar poëziedebuut De grom uit de hond halen. De bundel werd bekroond met de Poëziedebuutprijs 2020, genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs en de C. Buddingh’-prijs, en kreeg een eervolle vermelding van de Grote Poëzieprijs. De Volkskrant riep Iduna uit tot literatuurtalent van het jaar. In 2022 kwam haar tweede dichtbundel Bewijs van bewaring uit, die in 2023 bekroond werd met de J.C. Bloemprijs en genomineerd werd voor de Herman de Coninckprijs. Naast poëzie schrijft Iduna proza, toneel, besprekingen en essays, onder meer voor De Groene Amsterdammer en NRC Handelsblad. Ze draagt voor op podia als De Nacht van de Poëzie, Lowlands, Crossing Border en Read My World. Ook werkt Iduna als presentator en docent.

    Iduna Paalman verscheen voor het eerst in Kluger Hans in #33 De Waarheid (2017).

    Ramy El-Dardiry (c) Tessa Posthuma de Boer

    Ramy El-Dardiry (1985) is onderzoeker en schrijver. Hij promoveerde in de natuurkunde en werkt in Nederland bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Zijn korte verhalen verschenen in onder meer De Gids, Kluger Hans, Liter en NRC. In 2023 verscheen bij uitgeverij Querido zijn debuutroman Tussen morgenzee en avondland. Dit boek werd bekroond met de Bronzen Uil en stond op de longlist van de Libris Literatuur Prijs.

    Ramy El-Dardiry verscheen voor het eerst in Kluger Hans in #39 Algoritmes (2020).

    Lize Spit (c) Lieve Blancquaert

    Lize Spit (1988) groeide op in Viersel, in de Antwerpse Kempen, en woont sinds 2005 in Brussel. In 2016 verscheen haar debuutroman Het smelt, waarvan meer dan 250.000 exemplaren werden verkocht. Er volgden vertalingen in zestien landen en een verfilming, die in het voorjaar van 2023 werd uitgebracht. Het boek won de Bronzen Uil, de Boekhandelsprijs, de Hebban Debuutprijs, de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, werd NRC Boek van het Jaar en haalde de shortlist van de Libris Literatuur Prijs en de Premio Strega Europeo. Haar tweede – volgens NRC ‘onweglegbare’ – roman verscheen in december 2020: Ik ben er niet. In 2023 had ze de eer om het boekenweekgeschenk te schrijven: De Eerlijke vinder werd in een oplage van 550.000 gedrukt en jubelend door de pers onthaald. Lize is gastdocent creatief schrijven aan het RITCS en ze is columnist bij dagblad De Morgen.

    Lize Spit verscheen voor het eerst in #15 (2012).

    Xavier Roelens (c) Tessa Posthuma de Boer

    Xavier Roelens (1976) was met zijn bundel ‘Stormen, olielekken, motetten’ (Atlas Contact, 2012) een van de eerste dichters van de nieuwe generatie die het thema ‘klimaatverandering’ poëtisch onder woorden bracht. Het werk bezorgde hem ook een nominatie voor de Herman de Coninckprijs. In zijn recentste bundel ‘Onze kinderjaren’ (Atlas Contact, 2018) schrijft hij een alternatieve geschiedenis van de 20ste eeuw aan de hand van de vroegste herinneringen van 365 mensen, de groeiende kindercultuur (van Bumba over Pluk van de Petteflet tot Asterix en Sherlock Holmes) en een liefdevolle aandacht voor de kleine mens in het raderwerk van de grote gebeurtenissen. ‘Onze kinderjaren’ werd genomineerd voor de Grote Poëzieprijs. Naast poëzie is Xavier ook gefascineerd door zowel literaire als algemeen-culturele tijdschriften, een thema dat hij graag verwerkt in zijn lezingen.

    Xavier Roelens stond aan de wieg van Kluger Hans en was de eerste hoofdredacteur.

    Wil je er ook altijd vroeg bij zijn en het talent van morgen vandaag al lezen? Neem dan een Kluger Hans-abonnement via onze webwinkel!

  • Astrid Haerens kiest ook voor … ‘Dode dingen’ van Hannah Roels

    Astrid Haerens kiest ook voor … ‘Dode dingen’ van Hannah Roels

    Tijd voor de laatste peetouderkeuze! Meter Astrid Haerens kiest als tweede favoriete tekst het kortverhaal ‘Dode dingen’ van Hannah Roels.

    Astrid Haerens.

    “Hannah Roels schreef een verhaal waar bij het herlezen steeds meer te ontdekken valt. Heerlijk om op slechts enkele bladzijden in een heel universum te worden getrokken, een trillend universum dat mijn honger stilt. Roels zinnen zijn even beenhard als het bospad, maar af en toe zet de auteur secuur een niet minder dan zinderend beeld neer: seks met de smaak van ansjovispizza’s, ‘friste ligt als armen rond de chalet’, ‘de spieren van beukenstammen’. Het verhaal zit vol contrasten: een vrouw als moeder versus een geil seksueel wezen, een verlangen naar isolatie versus één naar verbinding, kinderlijke onschuld versus de gruwel tussen dieren. Tussen de regels door wasemt een gruwelijke zwaarte, maar als lezer kan je blijven ademen, hoewel de lucht steeds minder zuurstofrijk wordt en de tekst me zowel opgewonden als met een verloren gevoel achterlaat.”


    Fragment uit ‘Dode Dingen’ van Hannah Roels:

    Beeldend werk van Felipe Muhr.

    Kort na het ongeluk. Ze sluipt op haar kousen de trap af. De mussen maken al kabaal. Ze klimt bij me in bed, steenkoude knietjes tegen mijn buik, brengt haar gezicht heel dicht bij dat van mij.

    ‘Mama.’

    Er dendert een auto over de kasseien.

    ‘Wij zijn nu getrouwd,’ kondigt ze aan en ik ruik haar speeksel.

    Ik draag haar als een pakketje naar de badkamer, til haar naar de kraan om deze open te zetten en vraag; ‘Ben jij dan de man of de vrouw?’

    Maar nu zijn we meer dan een jaar verder en begin ik er genoeg van te krijgen. Van het vastklampen. De vanzelfsprekendheid waarmee kinderen tegen je aankruipen, het zoontje van de poetshulp waarmee ze optrekt en dat ook al zo huilerig is. Ik heb meer dan ooit behoefte aan rust en ruimte.

    ~

    Mijn schoonzus belt en vraagt of ik morgen op mijn nichtje en haar vriendje kan passen. Ik schiet in de lach en zeg: ‘Als je ze tot hier brengt.’ Waarop ze antwoordt: ‘Prachtig, we zijn er voor de middag.’ Ik kijk uit het raam boven mijn werktafel. Gaat Diane drie uur in de auto zitten om de kinderen hier even af te zetten? Ik ken die toon, er ontsnapt iets aan haar controle.

    De friste ligt als armen rond de chalet. Ik rits mijn jas dicht en loop tot aan de bosrand. Dat smoezelige bruingroen, de tergend langzame overgang naar de lente. Het is lang geleden dat ik verder dan het dorp gewandeld ben. De velden liggen er braak bij en zo voel ik me zelf ook, stilgevallen en onbekwaam.

    ~

    Zijn chalet, vreselijk. De opgesloten geur, prullaria, accordeondeuren en veters tikkend op het laminaat. Ik wil zo snel mogelijk naar buiten.

    ~

    (…)

    ~

    We horen nog even de snelweg in de verte. Daarna onze stappen op het beenharde bospad, trillende insecten, een opvliegende vogel. Varens wiegend op handhoogte. De lichtstralen door het bladerdak als striemen, glinsterende vlekken, als een uitdrukking die over een gezicht glijdt. Mijn ochtendhumeur klaart volledig op, ik begin me goed te voelen bij deze kinderen, hoe ze hun voetjes tussen de boomwortels zetten en rondkijken. Langzaam verzamelt zich warmte in de lucht, dit wordt de eerste middag zonder jas. Het mos is nog bleek en kort, als een afgesleten tapijt, zon over de spieren van de beukenstammen. Vandaag heeft de wereld duidelijke contouren, een dag zo compact dat ze een schaduw kan leggen over het pad.

    ~

    Tegelijk moet ik toegeven dat haar nieuwe houding me bevalt. De middagen op het platteland lijken haar minder kleinzielig te maken. Ze hangt niet meer zo aan me.

    ~

    We wandelen nog geen uur en de bouvier heeft al een wild konijn te grazen. Het spartelt. Het schreeuwt vreemd ijl. We rennen. De hond geeft het konijn zonder problemen af, maar blijft rond ons jakkeren en trillen. De vacht van het konijn is goudbruin en glanzend tussen mijn vingers, ik vraag me af wat zijn opengesperde ogen zien. Het achterlijf is in een vreemde hoek gedraaid. De kinderen aaien zijn oren, ze proberen zijn worstelende lichaam te kalmeren, een veelheid van handjes rond me heen.

    ‘Ik ga hem zo snel mogelijk dood maken zodat hij geen pijn meer heeft,’ kondig ik aan. Onmiddellijk, zonder iets te zeggen, zetten ze een stap naar achter.

    Ik tast naar mijn opinel en zet het lemmet vast. Hoewel ik het mes pas heb geslepen, is het moeilijk om door de wervels te raken. Het konijnenlijf geeft een laatste spartel, als een flappende hand, en hangt zacht naar beneden in mijn arm.

    ‘Je kunt de nek ook breken, maar ik ben bang dat ze dan niet meteen doodgaan.’

    We stoppen de kop en het lijf in de plastiek zak waar onze boterhammen in zaten. Ik toon me zelfverzekerd, omdat ik bang ben voor hun emoties, maar het is de eerste keer dat ik dit doe.

    (…)

    Wil je de rest van ‘Dode dingen’ lezen? Koop dan #46 Het Dier in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #46 Het Dier toegestuurd als welkomstexemplaar! Geef jezelf eens een literair cadeautje.


    Hannah Roels. Foto door Gaby Jongenelen.

    Hannah Roels studeerde Romaanse talen en literatuurwetenschap. Ze gaf een paar jaar Frans aan migranten in Brussel en volgde het schrijfatelier van Els Moors. In 2017 verscheen haar debuutroman Het portret bij Prometheus. Ze werd geselecteerd voor Cela Europe in 2019. Haar korte verhalen worden gepubliceerd in De Gids en DW B. Op dit moment werkt ze aan een nieuwe roman.

  • Yousra Benfquih kiest ook voor … ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut

    Yousra Benfquih kiest ook voor … ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut

    Meter Yousra’s tweede favoriete kortverhaal is ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut. Ontdek hier wat ze van dit krachtig staaltje proza vindt!

    “Een tekst die me deed lachen en tegelijkertijd ontroerde is het kortverhaal ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut. De manier waarop Jutta het hoofdpersonage van de kaketoe als kaketoe – zo vrij mogelijk van antropomorfisme – tracht te belichamen is indrukwekkend, en heeft allicht te maken met haar achtergrond in de gedragsbiologie. Tijdens het verhaal wordt de innerlijke leefwereld van de vogel voortdurend gereduceerd (geluiden kunnen er alleen op wijzen dat hij broeds is of hongerig), en dat is exemplarisch voor hoe we met dieren omgaan: doorgaans vanuit een Cartesiaanse superioriteit die het dier misschien wel als lief, schattig, of wijs, maar in wezen niet als ‘kin’ ziet, als ‘more-than-human-other’. Het is alleen in dat soort denken dat mensen vergelijken met dieren beledigend kan zijn.

    Yousra Benfquih. Foto door Wouter le Duc.

    Het verhaal is doorspekt met hilarische inversies (‘Waarom zou je twee keer hetzelfde zicht willen hebben?’) en prachtige, voor mij bijzonder actuele, filosofische bespiegelingen over vrijheid en gevangenschap: ‘Misschien,’ zei ik tegen de chauffeur, ‘misschien zit ik helemaal niet opgesloten, maar zit jij vast. Want wie bepaalt wat binnen en wat buiten is?’

    In essentie gaat het verhaal voor mij daarover: over wie de macht heeft om te benoemen, te categoriseren in – aldus Jutta – de ‘onderverdeling der soorten’, om toe te eigenen, te onderwerpen en te domesticeren”, aldus Yousra.


    Fragment uit ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut:

    Guido had me in een nog kleinere kooi gewrongen en die op de achterbank van een taxi gezet. De taxichauffeur had de veiligheidsgordel om de kooi heen gebonden. We reden door één of ander Parijs’ arrondissement, zelf telde ik ze niet. Parijs was Parijs en straten waren straten en op de grond raakte ik hoe dan ook het noorden kwijt. 

    De kooi was zo krap dat ik niet eens mijn vleugels kon spreiden, ik had alleen net genoeg ruimte om bij iedere bocht, hobbel of put tegen de tralies geknald te worden. Dat gebeurde zo vaak en ging zo hard dat ik vreesde dat ze een lijk zouden afleveren aan mijn nieuwe assistent. Dan kreeg hij tenminste waar voor zijn ondermaats bod. Ik krijste van het lachen of van angst bij dat idee – ik kon mijn eigen emoties nooit echt uit elkaar houden. 

    De chauffeur draaide zich om en gaf een klap op mijn kooi. Voor het eerst in mijn vederige bestaan zag ik het voordeel van mijn opsluiting in. Ik kon niet naar buiten, maar de buitenwereld kon mij evenmin raken. Het bracht me op de rand van een geweldige filosofische doorbraak, dat voelde ik, dus wilde ik er dieper op ingaan: ‘Misschien,’ zei ik tegen de chauffeur, ‘misschien zit ik helemaal niet opgesloten, maar zit jij vast. Want wie bepaalt wat binnen en wat buiten is? Je kan denken dat ik in een heel erg kleine kooi zit, maar wat als dit eigenlijk een gigantische kooi is die de hele aardbol omspant, behalve dan deze dertig centimeter?’ Hij zuchtte en keek mij vanuit de achteruitkijkspiegel geërgerd aan. Ik begreep het wel, het moest vervelend zijn als je hele denkwereld zomaar op een gewone werkdag omver werd gegooid. Ik voelde me aangemoedigd: ‘Wat als het jouw diepste wens was om precies in deze dertig centimeter te zitten? Het is niet omdat jij meer beweegruimte hebt dat je per se vrijer bent, wel?’ 

    Beeldend werk van Ellen Braga.

    Het was een mooie theorie waar ik graag langer in had willen geloven, maar de chauffeur remde, gooide het portier open, stapte uit en zei: ‘Nu is het genoeg met dat gekrijs.’ Hij kletterde mij en mijn kooi bruut de kofferbak in waardoor ik de rest van de rit onder mijn etensbakje geklemd zat. Met geen filosofie ter wereld kreeg ik mijn pootje los. 

    Zo kwam ik bij een nieuwe assistent terecht, een Guido van een heel ander soort slag. Ze heette ook niet Guido, maar Patricia. Ze had lang, geelblond haar en bezat een zin voor overdrijving en dramatiek die me zelden stoorde wanneer ze het over mijn persoonlijkheid had. 

    ‘Ik heb zo lang op je gewacht’ zei ze, toen de taxichauffeur me bij haar afzette. ‘Zo lang gewacht! Lief, klein kaketoeteltje mijn’. 

    Ik wilde graag zeggen dat het wederzijds was, maar ik wist nog maar anderhalve dag van haar bestaan af. 

    Ze bezat een gigantisch appartement. In de woonkamer, vlak voor het raam stond ‘le petit château’, zoals Patricia mijn kooi noemde. 

    Mijn nieuwe luchtruim bedroeg zo’n twee kubieke meter, de laatste keer dat ik zoveel plaats had dateerde van voor de klap. Naast mijn kooi had Patricia een gechromeerde luchtzuiveringsinstallatie opgehangen en een ventilator, zodat ik af en toe de wind door mijn veren kon voelen strijken. Wanneer de woonkamerramen net gewassen waren, ik door twee spijlen heen keek en me een beetje meewerkend opstelde, kon ik best geloven dat ik me in de vrije lucht bevond. 

    Hoe dan ook had Patricia zich de aankoop van le petit château beter bespaard want ik was ondertussen zo bekwaam geworden in stil blijven staan dat grote ruimtes me alleen maar benauwden. Straks zou ze ook nog eens verwachten dat ik deed alsof ik kon vliegen. 

    (…)

    Wil je de rest van ‘Schreeuwbek’ lezen? Koop dan #46 Het Dier in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #46 Het Dier toegestuurd als welkomstexemplaar! Gun jezelf een literair cadeautje.


    Jutta Callebaut.

    Jutta Callebaut (1992) werkte in verschillende internationale dolfinaria. Ze bestudeerde hoe het gedwongen uitvoeren van salto’s in ruil voor diepgevroren schelvis de zelfwaarde van jonge zeeleeuwen aantast. Bìjna behaalde ze haar doctoraat gedragsbiologie, maar een bond van verbolgen zeeleeuwenshow-organisatoren wist de publicatie van haar onderzoek te voorkomen. Ze wendde zich tot de literatuur in de hoop haar resultaten alsnog te openbaren, zij het in dichtvorm. Ze schrijft uitsluitend fictie en boze lezersbrieven.

  • Astrid Haerens kiest voor … ‘Confrontaties’ van Maartje Franken

    Astrid Haerens kiest voor … ‘Confrontaties’ van Maartje Franken

    Meter Astrid Haerens kiest voor gedichten en een kortverhaal. Haar eerste favoriete tekst is het poëtische tweeluik ‘Confrontaties’ van Maartje Franken. 

    Astrid Haerens.

    “In een documentaire zei Marcel Broodthaers eens dat ‘poëzie de gewoontes verstoort in een wereld waar men poogt alles te verklaren, alles te ordenen’. Althans, zo meen ik het me te herinneren. Goede gedichten laten zien dat de ruimtes die ze vormen niet enkel aangenaam of troostrijk maar ook of net juist oncomfortabel, tochtig en ongemakkelijk kunnen zijn. Zo ook in ‘Confrontaties’ van Maartje Franken. Haar tweedelig gedicht voelt tijdens het lezen steeds meer aan als een benauwende kamer, niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk: zelfs het blad is te krap voor de voorlaatste regel. ‘Je wil iets uitdrukken / met je handen’, schrijft ze. De regels van dit gedicht roepen machteloosheid en woede bij me op, de tekst schippert tussen verdriet en horror. Die horror geeft me tegelijk goesting om verder te lezen en dit dierennummer van Kluger Hans dicht te klappen en ver weg te leggen. Gelukkig las ik verder. Het gedicht ontregelt en bruskeert, slaat en zalft, zoals, volgens Marcel en volgens mij, goede poëzie doet.”


    ‘Confrontaties’ van Maartje Franken:

    I

    misschien niet het besef laten landen dat de hond op je for-you-page eigenlijk 

    een Japanse man in een hondenpak is. hij rolt over het gras en je wenst 

    een hond met rare ogen de realiteit in. 

    misschien: geen groot dier zien sterven. geen zwaar vlees geen vliegen niet het woord: kadaver. 

    of de zoon van je oude wiskundeleraar; hoe hij verdween in Peru en tot op heden 

    niet gevonden is. misschien denk je niet na over open zee. of stoffelijk overschot en 

    wat daarvan overblijft wanneer het kale hoofd van een geliefde kapot spat tegen een spoor.

    je wil iets uitdrukken 

    met je handen  – misschien iets bolvormigs en omvangrijks – maar je kan er de juiste wijdte

    niet voor blootleggen.

    je vindt jezelf;

    in een hobbywinkel sta je oog in oog met een gezichtsloos stokpaard.

    II

    er bestaan krengenwagens voor grote dode beesten. die laten zien

    dat het dendert; soms allemaal een grote lompe bedoeling is

    je kijkt een filmpje over een freak-accident op een waterglijbaan waarin iemand zijn hoofd verliest.

    je graaft per ongeluk je gestorven konijn op uit de moestuin. 

    je herkent iets: in jezelf, in je vrienden, in de grijns van een opgezette vos in de slaapkamer van een familielid. 

    het dendert.

    Benieuwd naar de rest van het nummer? Koop #46 Het Dier in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #46 Het Dier toegestuurd als welkomstexemplaar!


    Maartje Franken.

    Maartje Franken (2000) woont in Nijmegen en studeert Psychologie. Ze schrijft vooral proza, waarmee ze eerder verscheen in onder andere Op Ruwe Planken, Kluger Hans, De Optimist, en Notulen van het Onzichtbare. Ook verscheen ze op diverse podia, waaronder op Kunstnacht Nijmegen, het Nieuwe Types festival en het Inscience Filmfestival. Daarnaast is ze enthousiast redactielid bij Op Ruwe Planken.

  • Kluger Hans zoekt een redactiesecretaris-zakelijk ondersteuner (vrijwilliger) (M/V/X)

    Kluger Hans zoekt een redactiesecretaris-zakelijk ondersteuner (vrijwilliger) (M/V/X)

    Heb jij een hart voor literatuur en een oog voor centen? 

    Kluger Hans is op zoek naar iemand met een hoofd en een hart voor de zakelijke kant van onze literaire werking.

    Wil je bijdragen aan het succes van een fris en jong literair tijdschrift dat nieuw literair talent kansen geeft, wil je deel uitmaken van een warme en enthousiaste groep van vrijwilligers?

    Wat wordt van je verwacht?

    ·        Als deel van het vrijwilligersteam van Kluger Hans sta je in voor de zakelijke kant van ons tijdschrift.

    ·        Je bent het aanspreekpunt voor ons boekhoudkantoor en levert het nodige materiaal zodat zij de boekhouding kunnen opmaken.

    ·        Je maakt de jaarlijkse begroting op en volgt samen met de redactie het budget op.

    ·        Bij de opmaak van subsidiedossiers en meerjarenplannen zorg jij voor de financiële input.

    ·        Je betaalt auteurs en kunstenaars uit en bent het contactpunt voor hen als het over centen gaat.

    ·        Je staat in voor de betaling van inkomende facturen en de opmaak en opvolging van uitgaande facturen.

    ·        Je volgt de jaarlijkse wettelijke vzw-verplichtingen op.

     Profiel:

    ·        Je hebt een neus voor cijfers.

    ·        Je hebt een hart voor literatuur.

    ·        Je weet om te gaan met de vragen van subsidiegevers en de onervarenheid van sommige literaire starters.

    Interesse? Neem dan contact op met Yasmin Van ’tveld en Peter Hautekiet via info@klugerhans.org.

  • Yousra Benfquih kiest voor … ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems

    Yousra Benfquih kiest voor … ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems

    Bij een nieuw nummer horen nieuwe peetouderkeuzes en dat is ook bij #46 Het Dier niet anders! Graag stellen we je voor aan de favorieten van Yousra Benfquih. Zij kiest voor twee kortverhalen. Haar eerste favoriete tekst is het verhaal ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems.

    Yousra Benfquih. Foto door Wouter le Duc.

    “Momenteel is de genocide in Gaza – en de waarheden die ze blootlegt – de lens waardoor ik kijk naar de wereld. Bij het nummer over ‘Dier’ gaan mijn gedachten dan ook naar de genocidale retoriek (veroordeeld door het Internationaal Gerechtshof) waarmee Israëlische politici en legerofficieren Palestijnen dehumaniseren en vergelijken met dieren: ze worden ‘human animals’ genoemd, mieren, ratten, slangen, en zelfs ‘lesser than animals’. Ook vandaag gaat koloniaal beschavingsdenken dus nog hand in hand met antropocentrisme. Vertrekken vanuit het dier vind ik daarom a priori boeiend.

    Binnen het nummer zijn er enkele teksten die in het bijzonder bijblijven. Bijvoorbeeld de ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems. Ik vind het mooi hoe de tekst een feministische knipoog werpt naar patriarchale, institutionele religie door de vrouw van de profeet Noah een naam te geven: ‘deze naam vormt een beeld, maakt een verhaal mogelijk’, klinkt het treffend in de openingsparagraaf. Ook hier denk ik aan hoe we van de gedode Palestijnen de namen en verhalen niet kennen, hoe zij cijfers voor ons blijven. 

    Door zijn zintuigelijke beschrijvingen slaagt Maarten erin een bijzonder rijke wereld te scheppen, bewoond door Javaanse tijgers en tarantula’s, reuzenschildpadden en kleurige gekkosoorten. Dat zijn debuutbundel een bestiarium zal zijn, verbaast me niet. De beelden die hij schetst zijn erg sterk en blijven hangen, waaronder die van de door de zee volledig bedekte aardbol, die van de warme zeewind die als een pasgeboren zoon onder haar jurk tegen Naamah’s huid aankruipt, alsook het prachtige einde.”


    Eerste twee pagina’s van ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems:

    Dag nul
    Een man heeft volgens de overlevering eerst een moeder en dan een naam en dan een vrouw. Noach is al vijfhonderd jaar wanneer hij ook drie zonen krijgt: Sem, Cham en Jafet. Zij hebben elks dezelfde moeder, een andere naam, en op de dag van de zondvloed ook alle drie een andere vrouw. We kunnen hieruit afleiden dat dezelfde volgorde ook voor vrouwen moet gelden: moeder, naam, man. Daaruit zou moeten blijken dat Noachs vrouw een naam heeft. Deze naam is ons echter niet bekend, net zomin als die van Noachs moeder. In middeleeuwse bibliotheken kopieerden monniken met vroom geduld hele Bijbels, maar zagen het niet gepast hen een naam te geven. Rabbi’s en imams verwezen op hun spreekgestoelte steevast naar Noachs vrouw als ‘de vrouw’. In sommige commentaren op de scriptuur komen we het toch tegen, pogingen tot het noemen. Een van die pogingen noemt haar Naamah, wat zoveel betekent als ‘aangenaam’. Deze naam vormt een beeld, maakt een verhaal mogelijk. Wanneer de zondvloed begint, is Naamah vijfhonderd jaar, maar honderd jaar jonger dan Noach, en ze heeft sinds kort enkele aswitte lokken in haar roetzwarte haar.  

    Dag een
    Salamandersoorten hebben nog geen namen, laat staan Latijnse. Ze zijn slechts te onderscheiden aan de hand van hun kleuren: terracottabruin, gifgeel, Pruisisch blauwe stippen, vlezig roze. Hetzelfde geldt voor kikkers, motten, wespen, zelfs de suikervogels. Massaal staan zij op die eerste dag aan de poorten van de ark. Er is maar plaats voor zeven paartjes van de reine dieren, twee van de onreine dieren. Noach kan de boekhouding niet bijhouden, wrijft in zijn baard, zucht soms, slikt, gaapt. Naamah ziet Noach vaak ontredderd in haar richting kijken. Dan wijst Noach uiteindelijk toch met zijn vinger naar een hok en zegt hij tegen een paartje: daar, daar mag je slapen.
    Maanden werkten Naamah en Noach aan volières, terraria, zoetwateraquaria. Ze zochten geschikte mossen, varens, sliepen in hangmatten of hoofd-tegen-hoofd in de holte van een dode boom. Legden voorraden aan van zeldzame noten, gedroogde krekels, savannegras, fermenteerden kool en haring en roofden hele bijennesten waarvan ze de honingraten versneden en verdeelden in bokalen. En nu staan de dieren hier te drammen. En hun zonen zijn al in hun kajuiten gekropen met hun vrouwen. En Noach weet geen raad. Een dag lang zegt hij naar eigen goeddunken: jij en jij en jij en jij, ik hou van je kleur, geluid, je karakter, maar de rest mag niet mee, nee , jullie zijn niet uitverkoren, blijf hier, leer zwemmen. 

    Dag zeven
    Het duurt zeven dagen voor het eerste sterfgeval. Buiten blijft het water stijgen, binnen ontspoort de misselijkheid. Diep in het scheepsruim ligt de Javaanse tijger te kermen in het onfrisse hooi van zijn kooi, het dier hunkert naar vers vlees, nat gras, de verlossing van een dageraad. Net zo ligt Noach in zijn kajuit zijn roes uit te slapen, want zonder dat God of Naamah het wist, had hij tien vaten wijn meegesmokkeld, en liet daarvoor een volledig genus loopvogels aan land. Naamah doet de rondes, vindt de tijger, weet direct hoe en wat. Tovert uit haar binnenzak een minuscule kruisboog, verdooft het tijgervrouwtje met een pijl vol ketamine in haar bil. Dan haalt Naamah een kleine, glazen flacon boven. Ze opent de kooi, sust het mannetje. Bij het hijgen en zingen van het hele scheepscompartiment trekt Naamah de tijger af, doorkruist dan de gangen naar de spermakamer, bevriest het goedje met stikstofdamp. Prevelt een gebed, noemt het Gods werk. 

    Dag zevenentwintig
    De cederhouten planken, het beddengoed, Naamahs huid, haar, Noachs baard, alles ruikt naar de regen die al vier weken onophoudelijk op het dek en tegen de wanden klettert. Uit de weinige ramen van het schip is zelfs de zee nauwelijks te zien in de grijze, alomvattende hemelcascade. Door de vloeren van de verschillende verdiepingen van de ark sijpelt alsmaar meer regenwater, samen met talloze urinelozingen druipt het tot in de voorraadkasten. Het meel, de linnen gewaden, de boekhouding, alles is doordrenkt, schimmels tieren welig. Drie dagen geleden stortte een zwarte neushoorn door enkele rotte planken een verdieping naar beneden. De neushoorn bleef ongedeerd, maar hij bezorgde met zijn val de ultieme vergetelheid aan zesenzeventig felgekleurde gekkosoorten.

    (…)

    Lees je graag de rest van dit verhaal? Koop #46 Het Dier in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #46 Het Dier toegestuurd als welkomstexemplaar! Hoera!


    Maarten Jochems. Foto door Tess Van der Sanden.

    Maarten Jochems (1996) studeerde filosofie in Antwerpen, Madrid en Leuven. Zijn gedichten verschenen eerder bij Deus ex Machina en De Optimist. Voor Fantômas schreef hij verschillende filmkritische teksten. Momenteel voltooit hij zijn master schrijven aan het RITCS in Brussel en werkt hij aan zijn eerste dichtbundel, een bestiarium.

  • Open oproep #47 Confabulatie: tussen herinnering en verzinsel

    Open oproep #47 Confabulatie: tussen herinnering en verzinsel

    Een warme zomerdag, benen vol teken, rug rauw van het slapen op een luchtmatrasje in een tent. Je bent gelukkig. Een briesje briest je langs je oren en je hoort de bergen zingen, een wiegelied, een elegie.

    Behalve … dat je nog nooit in de bergen geweest bent.

    Hoe weet je zeker dat een herinnering van jou is? Op die vraag hebben we voorlopig nog geen antwoord. Wat we wel weten, is dat alle mensen confabuleren. De één al meer dan de ander. Onze hersenen eigenen zich herinneringen toe die niet van ons zijn, verdraaien een herinnering of verzinnen er iets bij dat we in een droom of op televisie hebben gezien.


    Het woord ‘confabuleren’ komt van het Latijnse ‘com’ (samen) en ‘fabulari’ (spreken), wat dan weer van ‘fabula’ (verhaal) komt. Confabuleren is niet gelijk aan liegen, in tegendeel zelfs, iemand die confabuleert is er stellig van overtuigd dat wat die zich herinnert werkelijk is gebeurd. Confabulaties komen voort uit de vervorming van herinneringen. Onze hersenen kampen niet goed met leegtes in het geheugen, dus ze vullen deze op. Confabuleren komt vaker en heviger voor bij dementie, het syndroom van Korsakov, schizofrenie, trauma en andere neurocognitieve stoornissen.

    Mensen die confabuleren geloven dus dat ze iets hebben meegemaakt dat feitelijk niet gebeurd is. Maar hoe belangrijk is het dat we ons dingen niet (helemaal) juist herinneren? Is de vermeende beleving van een herinnering realiteit genoeg? En nemen we confabulaties en waar ze vandaan komen wel serieus genoeg?

    Herinneringen zijn een belangrijk aspect van ons mens-zijn, ons schrijven en onze geschiedenis. Want ook onze geschiedenis bestaat al dan niet onopzettelijk uit een heleboel on- of halve waarheden. Wanneer wordt het gevaarlijk als we ons dingen foutief herinneren? En, als je in je eigen geheugen graaft, hoe zeker ben je dan van je stuk?

    En wij — als individu of als soort — zullen wij ‘juist’ herinnerd worden?

    Stuur ons je beste verzinsels of eerlijkste waarheden in poëzie of prozavorm, mijmer over ons
    collectief geheugen in een essay of laat vermeende waarheid en herinnering in gesprek gaan in
    een theatertekst. Samen creëren we eindeloze interpretaties van Kluger Hans #47 Confabulatie in
    een onvergetelijk nummer.

    Drop je schrijfsels via het inschrijfformulier in onze inbox.

    Deadline: vrijdag 16 augustus 2024.

    Kluger Hans doet ook graag expliciet een oproep naar beginnende literaire vertalers. Wil je graag werk van een opkomende schrijver uit een ander taalgebied vertalen naar het Nederlands? Stuur dan zeker je vertalingen in, want we zetten met plezier vertaaltalenten en internationale schrijvers in de kijker. Voor meer info over de voorwaarden kijk je even op onze inzendpagina.


    Bronnen:
    https://gezonderleven.com/wat-zijn-confabulaties-en-waarom-komen-ze-voor/
    https://www.vocabulary.com/dictionary/confabulate#:~:text=If you suffer from memory,the
    psychiatric sense came later.

  • #46 Het dier

    #46 Het dier

    Het gebrek aan een gemeenschappelijke taal slaat een kloof tussen mens en dier, zegt John Berger in zijn essay ‘Waarom naar dieren kijken’. Sommige schrijvers in dit nummer nemen die kloof onder de loep door mens en dier met elkaar in conflict te brengen. Ze doen dat vanuit verschillende perspectieven en vermijden de valkuil van het antropomorfisme. Andere schrijvers proberen de kloof net te dichten door de natuur zelf aan het woord te laten. Zo maken ze voelbaar dat mens en dier in de grotere orde der dingen even kwetsbaar en dus in zekere zin lotgenoten zijn.

    Met tekst van Merel Aalders, Ellen Apers, Jutta Callebaut, Anke Cuijpers, Dion Dekkers, Veerle De Caestecker, Maartje Franken, Hanne Janssens, Maarten Jochems, Hannah Roels, Loes Rom, Ravi Rosoux en Robin Van der Plaetsen.

    Kunst van Elen Braga en Felipe Muhr. Elen Braga peutert contradicties los terwijl benaderingen van identiteit binnenstebuiten worden gekeerd. Met haar vaak arbeidsintensieve stukken en interventies bekijkt Elen hoe mythologische narratieven zich standhouden omringd door hedendaagse overtuigingen. Dieren helpen haar daarbij een taal te spreken die abstracte gegevens omzet in een ontleding van vraagtekens. Felipe Muhr is gefascineerd door de visuele representatie van wat ooit was maar we niet meer kunnen zien. Het beeld dat we hebben van dieren die niet meer bestaan is grotendeels bepaald door interpretaties van vormgevers en illustratoren. En ondanks hun feitelijkheid carpoolen bijvoorbeeld dino’s in onze verbeelding met draken en eenhoorns.

    Themaverantwoordelijke: Mattijs Deraedt.

    Gastredacteur: Anne Broeksma.

    Gastcurator: Els Wuyts.

    De peetouders van dit nummer zijn Astrid Haerens en Yousra Benfquih.

    In de vormgeving van dit nummer vind je verwijzingen naar de originele Kluger Hans (ca. 1885 – 1916), het paard waarvan eigenaar Wilhelm von Osten beweerde dat het kon rekenen. Zo heb je bij het openen van dit nummer alvast het zadel van Kluger Hans’ rug gehaald. Het getemde paard is losgelaten.

    Koop hier je exemplaar van #46 Het dier.

    Vind je de missie van Kluger Hans geweldig? Wil je dat we nog zo lang mogelijk kunnen blijven bestaan? Abonneer je dan, het is absoluut de beste manier om ons, onze werking en beginnende auteurs te steunen.

  • Astrid Haerens en Yousra Benfquih zijn de peetouders van #46 Het dier!

    Astrid Haerens en Yousra Benfquih zijn de peetouders van #46 Het dier!

    Nummer 46 Het dier is geadopteerd door Astrid Haerens en Yousra Benfquih. We stellen ze graag aan je voor. Beide auteurs schrijven zowel poëzie als proza. Ook zijn ze sterke performers die regelmatig het podium betreden. De twee peetouders ondersteunen mee de nieuwe namen die in dit nummer te lezen zijn. Astrid en Yousra hebben gaan daarbij elk hun twee favoriete teksten uit het nummer kiezen. Benieuwd naar hun selectie? Houd dan Roergebied in de gaten.


    Astrid Haerens.

    Astrid Haerens

    Astrid Haerens schrijft proza, poëzie en non-fictie. Haar werk onderzoekt onder andere de lichamelijke en zintuigelijke aspecten van schrijven. Ze studeerde Woordkunst aan het conservatorium van Antwerpen en debuteerde met de roman Stadspanters bij Uitgeverij Polis in 2017. In 2019 maakte ze een multimediale poëzieplattegrond van de Westhoek, samen met filmmaker Leonardo van Dijl. In 2022 verscheen de poëziebundel Oerhert bij Uitgeverij Atlas Contact, die de Poëziedebuutprijs 2023 won en genomineerd werd voor de Herman de Coninckprijs en de C. Buddingh’-prijs.

    Met geluidskunstenaar Maris en cellist Jasmijn Lootens maakte ze de lp Anger’s Family Tree, die in januari 2024 uitkwam bij W.E.R.F. records. In 2024 gaan ze met deze plaat op tournee met Jazzlab. In haar performances onderzoekt Astrid verschillende manieren waarop poëzie op een podium gebracht kan worden.

    Aanvullend op haar schrijfpraktijk, exploreert ze de sociale aspecten van schrijven in haar werk met collectieven, als curator, leraar en vriend. Zo werkt ze als docent aan het conservatorium van Antwerpen en het RITCS in Brussel, leidt ze als Letterzetter van Kortrijk een collectief en cureerde ze twee keer het Memento Woordfestival in Kortrijk.

    Astrid woont en werkt in Brussel, maar is momenteel writer-in-residence aan de Jan van Eyckacademie, Maastricht. Ze houdt het meest van papieren post.


    Voor het voetlicht: touwen

    “Momenteel ben ik erg geïnteresseerd in touwen. In Staying With the Trouble beschrijft Donna Haraway mooi de (symbolische) aspecten van ‘het touwfiguur’. Voor Memento in Kortrijk met thema ‘spelen’ schreef ik een reflecterende tekst over het stadsdichterschap waarin het touwfiguur centraal stond. Sindsdien kom ik veel touwen tegen: in Garments Against Women van Anne Boyer, in het werk van Fred Sandback dat ik onlangs zag in New York, maar ook dichter bij huis in de prachtige schilderijen van Michael Raedecker in het Kunstmuseum van Den Haag. Enigmatisch maar erg ontroerend werk.”  

    Yousra Benfquih

    Yousra Benfquih is schrijver, dichter en spoken word artiest.

    In 2017 won ze de txt-on-stage wedstrijd Naft voor Woord en werd ze geselecteerd voor de schrijversresidentie van deBuren in Parijs. Sindsdien is Yousra een vaste waarde op de Vlaamse podia, gaande van de Bozar tot de Roma, de Arenberg tot Theater Aan Zee. Haar werk lees je o.a. in Kluger Hans, DW B, Poëziekrant, De Revisor en Notulen van het Onzichtbare, en haar columns in De Standaard, Knack, De Morgen en op Radio 1.

    Yousra Benfquih. Foto door Wouter le Duc.

    In 2019 werd ze geshortlist voor de Joost Zwagerman Essayprijs. In 2021 werd ze geselecteerd voor het Slow Writing Lab, het mastertraject van het Nederlands Letterenfonds, en in 2022 voor Vers van het Mes, het poëzieprogramma van deBuren en Perdu, en Eenzame Avonturen, een traject voor literaire non-fictie van deBuren en De Gids.

    Yousra behoort tot de vaste auteurspoule van rekto:verso en geeft Spoken Word aan LUCA School of Arts (Writing for Performance). Ze volgde, tijdens het behalen van haar doctoraat in de mensenrechten, de opleiding Literair Schrijven aan de Academie van Borgerhout. Momenteel werkt ze aan haar dichtbundel.

    W.I.P. Shamisa Debroey.

    Voor het voetlicht: Women is Present

    “Een project dat ik graag in de kijker zet is W.I.P., de achtdelige podcast die ik cureerde en hoste voor de Vrouwenraad. W.I.P. staat voor ‘Women is Present’ (geleend van artieste Marina Abramovićs The Artist is Present) en is een podcast over intersectioneel feminisme. Vanuit die intersectionele feministische lens duik ik met gasten in klimaatrechtvaardigheid, de openbare ruimte en ons rechtssysteem, maar ook in de kunsten, dekolonisatie en de gezondheidszorg. Voor schrijver Sara Ahmed (van o.a. Living a Feminist Life en The Feminist Killjoy Handbook) bestaat intersectioneel feminisme erin om de wereld draaglijker te maken (‘to make the world more bearable’). Dat is wat deze parels van gesprekken voor me doen: ze zijn verdiepend, verbindend, helend en urgent. Ze herinneren ons eraan dat andere werelden mogelijk zijn, maar ook dat feministisch werk nooit af is. Daarom staat W.I.P. ook voor ‘Work in Progress’. Luister, rate en deel!”


    Wil je je graag abonneren op Kluger Hans en twee keer per jaar nieuw literair talent ontdekken? Dat kan hier! Je vindt dan als eerste het nieuwste nummer in je brievenbus. Wil je enkel #46 Het dier aanschaffen? Hou dan onze webwinkel in de gaten.

    Ontmoet het schrijftalent van morgen. Kluger Hans is er voor de nieuwsgierige lezer die graag verder kijkt dan de gevestigde namen. Via dit tijdschrift leer je nu al de auteurs kennen die over vijf jaar op ieders salontafel prijken. Mei en oktober zijn onze oogstmaanden. Dan lanceren we een nieuw themanummer waarin we verhalen, poëzie, essays en theaterteksten van opkomend en onbekend talent verzamelen in een papieren jasje. Er is maar een grondregel: tekst, vormgeving en beeldende kunst spelen steeds op elkaar in.

  • Literaire Schurft #46 Het dier

    Literaire Schurft #46 Het dier

    Het is bijna weer tijd om een nieuw nummer van Kluger Hans te vieren! In #46 Het dier verkennen dertien auteurs het dierlijke in de mens, het menselijke in het dier en de verbindingen en verschillen tussen de twee. We hebben er een paar uitgenodigd om het nieuwe nummer te lanceren, en jij kan er bij zijn!


    Wie? Auteurs Jutta Callebaut, Robin van der Plaetsen en Veerle De Caestecker dragen voor uit hun teksten en hoofdredactrice Yasmin Van ‘tveld gaat in gesprek met kunstenaar Felipe Muhr.

    Waar? Boekhandel Limerick, Koningin Elisabethlaan 142, 9000 Gent.

    Wanneer? Vrijdag 17 mei om 20 uur.

    Jij komt graag af? Fijn! Aangezien er beperkte capaciteit is, werken we met inschrijvingen. Stuur gewoon een mailtje naar boekhandel@limerick.be met naam en hoeveel personen je meeneemt. Tot dan!


    Jutta Callebout.

    Jutta Callebaut (1992) werkte in verschillende internationale dolfinaria. Ze bestudeerde hoe het gedwongen uitvoeren van salto’s in ruil voor diepgevroren schelvis de zelfwaarde van jonge zeeleeuwen aantast. Bìjna behaalde ze haar doctoraat gedragsbiologie, maar een bond van verbolgen zeeleeuwenshow-organisatoren wist de publicatie van haar onderzoek te voorkomen. Ze wendde zich tot de literatuur in de hoop haar resultaten alsnog te openbaren, zij het in dichtvorm. Ze schrijft uitsluitend fictie en boze lezersbrieven.

    Robin Van der Plaetsen.

    Robin Van der Plaetsen, ambachtelijk gemaakt in 1995, is boekhandelaar, literair interviewer, en performer. Na zijn studies in Taal-en Letterkunde en Kunstwetenschappen begon hij te schrijven aan romans en novelles waaruit een duidelijke fixatie op het verleden, de burgermaatschappij, en stillevens blijkt. In de aangename luwte van zijn leven tussen de boeken, werkt hij aan dat ene nog te publiceren debuut. Van zijn hand verscheen het kortverhaal ‘Een visser die op een visser lijkt’ al op het Literaire boorplatform van Kluger Hans. 

    Veerle De Caestecker.

    Veerle De Caestecker (1998) is schrijver, denker en zelfverklaarde geveltuinverzorger uit Borgerhout. Ze studeerde in 2021 af in Wijsbegeerte aan de Universiteit van Antwerpen en behaalde in 2023 de master Audiovisuele kunsten-Schrijven aan het RITCS in Brussel. In het Slow Writing Lab 2024 werkt ze aan een polyfoon verhaal over ecologische rouw. Daarnaast wordt ze warm van theater, woorden die ze op straat van de grond raapt en andere poëzie. Een terugkomende vraag die ze zich doorheen haar werk stelt, is hoe we kunnen leren luisteren naar mensen, dieren en dingen waarnaar doorgaans minder goed geluisterd wordt.

    Felipe Muhr.

    Felipe Muhr (°1986, Santiago de Chile) studeerde af in beeldende kunst aan de Universidad Católica de Chile en behaalde in 2015 een MFA in illustratie aan FIT, New York City. In 2020 rondde hij zijn studie af met een Advanced Research Master in Arts and Design aan Sint Lucas, Antwerpen, en werd hij laureaat van het HISK-programma 2022 in Gent. Daarnaast werkte hij als museografisch en redactioneel illustrator en als tekendocent. Hij woont en werkt in Gent.

    Wil je #46 Het dier graag meteen in je brievenbus? Neem dan een abonnement via onze webwinkel!