Auteur: administratie

  • #36 Het fenikscomplex: ‘de overwegingen’ – Bas Tuurder

    #36 Het fenikscomplex: ‘de overwegingen’ – Bas Tuurder

    door Bas Tuurder

    Het poortje naar de straat staat open. Tegen de zijkant van het huis groeit klimop die niemand ooit opzettelijk plantte, klimop die nu de helft van het wandelpad overwoekert. Dat pad loopt dood in het gras, stopt gewoon. 

    Het schuifraam in de achtergevel beweert dat de tuin een reflectie is. Daarin lijkt het alsof gras niet te maaien is en zweeft een tuinstel met parasol boven de grond. Bij een haag. 

    Of een heg. Dat hangt af van wat wild betekent. Het is een klamme zithoek die altijd in de schaduw ligt. Toch weegt de hitte op wie daar zit. 

    De jongen stoot zijn schoen tegen de voet van de parasol, hij wacht op de oom. Hij wil net onder de tafel kijken wanneer een stem luid opklinkt. 

    ‘Wijn?’ 

    Een tel. Even lijkt de stem van de oom van elders te komen. 

    ‘Oké,’ roept de jongen terug. Misschien wat te luid. 

    In Hawaii-hemd, bermuda-short en teenslippers stapt de oom naar buiten. Hij weifelt even met de fles wijn, glazen en kurkentrekker in zijn handen, bukt zich en zet alles op de grond om het schuifraam achter zich dicht te trekken. Flipfloppend beent hij door het gras op de jongen in de hoek af. 

    ‘Sorry, duurde wat langer dan ik dacht.’ 

    ‘Werk?’ 

    ‘Zoiets. Hier, gezondheid.’ 

    ‘Gezondheid.’ 

    De twee heffen hun glas en nemen een slok. De oom bekijkt het wijnpeil in de glazen en schenkt zichzelf en de jongen meteen maar wat bij. Hij neemt met zijn rug naar het huis tegenover de jongen plaats. Even verzinken ze in gedachten. 

    ‘Als je de hond wil buitenlaten, doe maar hoor.’ 

    ‘Ik dacht dat je het niet zo had op honden?’ 

    ‘Niet echt, nee. Hij is zo oud, weet je?’ 

    ‘Klopt, die doet tegenwoordig weinig meer dan zich wegstoppen. Het is te warm. Trouwens, dan moet ik opstaan om het poortje te sluiten. Als hij de hond van hiernaast opmerkt, wil hij zijn jaren wel eens vergeten.’ 

    ‘Hmm.’ 

    ‘Ik hoor van je moeder dat je vakantieplannen hebt?’ 

    ‘Was zij dat aan de telefoon?’ 

    ‘Nee.’ 

    De jongen tast de voet van de parasol met zijn schoen af. 

    ‘Wel?’ 

    ‘Wel?’ 

    ‘Waar gaat het heen?’ 

    ‘Eh, een beetje overal en nergens, obscure plekjes, je zou niet weten waar, heb zelf geen idee waar ik precies zal belanden. Heb je niet iets sterkers?’ 

    ‘Mag dat-, ja, ja ik heb wel iets, ooit whiskey gedronken?’ 

    ‘Dacht het wel.’ 

    ‘Daar heb je waarschijnlijk meer gelijk in dan je beseft. Ben zo terug.’ 

    De oom, met zijn teenslippers sletsend tegen zijn hielen, steekt het gazon over en verdwijnt het huis in. Hij is hier niet de juiste man voor. Het feit dat hij na al die jaren weer kiest voor een fles Strathisla, verraadt dat hij weet waar hij mee bezig is. Hij neemt de fles bij de hals, grist een emmertje ijs mee en keert terug naar buiten. 

    Daar, op zijn hurken, buigt de jongen onder de tafel en bestudeert de voet van de parasol. Een zware betonnen olifant. De oom voelt de hand van zijn dochter in zijn vingers knijpen, maar wanneer hij ernaar kijkt, ziet hij niets meer dan vergeten glazen. 

    ‘Ik ben de gla—.’ 

    ‘Doe geen moeite, ik drink wel—.’ 

    ‘Barbaar, daar drink je geen whiskey van 21 jaar uit. Doe me een plezier, ga zitten, trek je schoenen uit, je sokken, steek je benen onder tafel, en preepaar toh bie ameized.’ 

    De jongen reageert niet, buigt zich weer onder de tafel, en wanneer de oom met glazen terugkomt, vraagt hij prompt of die olifant apart verkocht niet meer zou kosten als tuindecoratie dan als voet voor een parasol. 

    ‘Geen idee, het is maar beton. Hier.’

    De jongen neemt het glas aan. 

    ‘Die voeten worden in een mal gemaakt. Cement erin, uitharden, klaar. Eigenlijk hadden we nog sigaren nodig.’ 

    ‘Ik heb tabak.’ 

    ‘Wel, voor een keer dan, het is lang geleden.’ 

    De oom schenkt de glazen in terwijl de jongen sigaretten rolt. Wat later roken, drinken en zwijgen ze. 

    ‘Je had het poortje kunnen sluiten.’ 

    ‘Huh? 

    ‘Dan had je de hond kunnen uitlaten.’ 

    ‘Oh, Thomas ligt te slapen.’ 

    ‘Altijd een vreemde naam gevonden voor een hond.’ 

    ‘Ha, ja, ik veronderstel van wel. Dat was mijn jongste dochter haar idee.’ 

    ‘Oh.’ 

    ‘Ze vond dat de hond haar aankeek alsof hij niet kon geloven dat ze een mens was.’ 

    ‘Ongelovige Thomas, zoiets?’ 

    ‘Zoiets.’ 

    ‘Je hebt haar nooit gekend, mijn jongste, is het niet?’ 

    ‘Nee.’ 

    ‘Jammer. We hadden het er vaak over.’ 

    ‘Over?’ 

    ‘Ach, honden, olifanten, draken ook, dieren in het algemeen. Smaakt het?’ 

    ‘Jawel.’ 

    ‘Je zweet. Kom, trek dat shirt uit, lange mouwen, daar is het veel te warm voor.’ 

    ‘Nee bedankt, het gaat wel, doe maar als jij wil.’ 

    ‘Je schoenen dan, je sokken, ontspan je.’ 

    De oom schenkt zich nog een bodempje bij. 

    ‘Of heeft het iets met cool te maken? Weinig cool aan zweet onder je armen.’ 

    ‘Het is heet. Denk niet dat mensen zich bezighouden met—, en jij moet spreken, met je Hawaii-hemd, en bermuda en teenslippers—. Ik zal maar niet protesteren, zeker?’ 

    De oom reageert niet en de jongen trekt zijn shirt uit. Zijn schoenen en sokken volgen. Het gras is kil en slap onder zijn voeten. De schaduw doet zijn werk. 

    ‘Voelt toch beter, is het niet?’ 

    ‘Ja. Ja.’ 

    De haag, de heg, het muffe tussen de takken beweegt, verschuift. De jongen zit er bleek in, wrijft zich over de neus, de onderarm. De tuinstoel voelt koud aan. 

    ‘Je bent zeker dat je nergens heen moet? Er is daar niemand die op je wacht, niemand waar je liever de tijd mee zou doorbrengen? Zo’n kerel als jij, er moet toch iemand —.’ 

    ‘Niet meteen, nee. Tante is er ook niet, zie ik.’ 

    ‘Oh die. Die is naar Antwerpen met een vriendin, een nieuwe boekenwinkel gespecialiseerd in Spaanse literatuur.’ 

    ‘De Ebro, de dorre vlakten, de hitte, het licht.’ 

    ‘Je leest nog altijd veel?’ 

    ‘Doe ik.’ 

    ‘Oh ja, wat las je onlangs?’ 

    ‘Niets speciaals.’ 

    ‘Ah.’ 

    ‘Ik trek mijn schoenen toch maar weer aan.’ 

    ‘Wat je wil.’ 

    Het gesprek valt stil. De twee kijken van de fles naar hun glas en terug. De schaduw van de haag, of heg, halverwege het huis gekropen, trekt een grillige lijn over de grasmat. Een drukkende warmte neemt het van de hitte over. In elk wijnglas een peuk. 

    ‘Er zijn wel risico’s verbonden aan zo’n backpack-reis, niet?’ 

    ‘Waarschijnlijk.’ 

    ‘Risico’s die jij wel wil nemen.’ 

    De jongen zwijgt. 

    ‘En je weet niet zeker hoelang je wegblijft, of wanneer, dat je terugkomt.’ 

    ‘Nee, er staat niets vast.’ 

    ‘Je wil jezelf wat vinden.’ 

    ‘Vermoedelijk is het zoiets.’ 

    ‘Je loopt niet weg.’ 

    De jongen zwijgt. Hij strekt zijn arm uit en neemt de fles in de hand. Hij giet zijn whiskeyglas vol, biedt de oom ook wat aan. Die laat het ijs achterwege. Halfleeg staat de fles op tafel, een bij zoemt eromheen. 

    ‘Je zou het kunnen.’ De oom slaat de bij weg. 

    De jongen neemt een slok. Veegt zijn mond af. 

    ‘Wegblijven, bedoel ik. Je zou daar ergens in een van je obscure oorden kunnen blijven. Kunnen leven.’ 

    Langzaam zet de oom zijn voet op de olifantsvoet. Hij duwt zijn tenen in het rubber van zijn slippers, zijn slippers tegen de houten parasolstok. Die wiegt lichtjes heen en weer. Misschien wil hij de zon hypnotiseren die nog net boven de haag, of heg, uitpiept, het openstaande poortje in de gaten houdt. 

    ‘Dat zou niemand je kwalijk nemen, weet je. Ze zouden het niet weten. Een kaartje van ergens, het zou hen gerust stellen. Ze zouden zich geen zorgen maken. Als je hen maar laat weten, voor een tijdje, dat je werk hebt, en een vriendin en zo, of dat je jezelf gevonden hebt, gelukkig bent, voor een tijdje, langer hoeven ze dat niet te weten. Je leest toch veel, jij zou zoiets overtuigend kunnen neerschrijven in een brief, zou je niet?’ 

    De parasolstok stokt, staat stil. Het poortje kraakt. 

    ‘Dat zou ik.’ 

    De oom leunt voorover, ellebogen op tafel, whiskey schommelend in zijn glas. 

    ‘Na een tijdje zou je zelfs niets meer van je moeten laten horen— de postkaarten mogen stoppen. Ze zouden nooit denken dat er je iets was overkomen, als je wil, ik kan dat wel garanderen. Mijn jongste, weet je, ze leek erg op je, zij begreep—.’ 

    De oom zakt terug in zijn stoel, staart naar het glas in zijn handen. Langzaam heft hij zijn hoofd. 

    ‘Dan begrijp je wat ik wil zeggen,’  zegt de oom.

    ‘Doe ik,’ zegt de jongen.

    De oom neemt een laatste slok. 

    ‘Ik zei je vader onlangs dat ik voor dit soort gesprekken niet de juiste man ben. Dat zei ik ook tegen je tante, ooit. Waarom vragen ze zoiets aan mij?’ 

    ‘Misschien denken ze dat je er een talent voor hebt.’ 

    Thomas komt buiten. Hij ruikt de hond van de buren niet, sloft traag tot bij de twee mensen, en kruipt onder tafel, dicht tegen de olifantsvoet aan. 

    De drukte ligt vast. De fles staat leeg. De schaduw van de haag, of heg, nu, op de achtergevel van het huis. Tijd was voorbijgegaan. 

    ‘Zullen we?’ 

    De jongen doet zijn shirt aan, staat op. De oom volgt. Zij aan zij wandelen ze het grove gazon over, de tuin uit, het pad langs het huis over, voorbij de klimop naar de straat. 

    De oom draait zich om en terwijl de jongen wegwandelt, controleert hij nog even de brievenbus. Dan gaat hij naar binnen, sluit het poortje achter zich. 

    Met traag kwispelende staart komt Thomas voor hem staan. Hij trekt zijn bermuda-short over zijn knieën, bukt zich, zijn teenslippers klevend aan zijn hielen. Hij neemt de kop van de hond in de handen. Het Hawaii-hemd hangt hem los om het lijf. 

    Thomas snuffelt alleen maar. 



    Over Bas Tuurder
    Dat Bas dingen deed, doet en niet, is warempel onherroepelijk. en niet te bewijzen. dat hij tuurt. traag is. en iets met wormen opeten en het midden zijn.
    Bas leeft, al is er vast iemand die zijn leven beter leeft. dat valt te verzinnen. doet u maar.

    Deze tekst verscheen eerder in Kluger Hans #36 Het fenikscomplex.

  • #36 Het fenikscomplex

    #36 Het fenikscomplex

    De nieuwe Kluger Hans is er!

    Nummer 36 heet Het feniksxcomplex en stelt de vraag of de feniks vernielzucht of net scheppingsdrang ervaart. Dit fabeldier is een mythische vogel die in staat is zichzelf te regenereren door aan zelfontbranding te doen. Het beest komt telkens weer tevoorschijn uit zijn eigen as en is dankzij dit trucje een lang leven beschoren.

    Wat staat er je te wachten?

    De vruchten plukken uit brokstukken. Ballast afwerpen. Niet weggooien, maar recupereren en er iets anders mee doen. Je levenswandel opeisen. Verrijzen uit tristesse. Breken, opnieuw geboren worden en verder gaan. Maar ook de afzondering opzoeken. Of een reis doormaken. Het voortdurend herwerken van hetzelfde verhaal, met telkens kleine wijzigingen die op het einde van de rit een groot verschil maken. De feniks als een langzaam voorbijschrijdende verandering. Of als een gedaantewisseling om aan de realiteit te ontsnappen. Invalshoeken zoals deze en meer kan je in deze bundeling verwachten.

    Auteurs en kunstenaars

    In Het fenikscomplex publiceerden we werk van Bas Tuurder, Casper Burghgraeve, Christiaan Ronda, Hans Depelchin, Jacqueline Verheijen, Jeroen van den Heuvel, Joost Oomen, Leonieke Baerwaldt, Louise Visser, Max Urai, Nele Buyst, Oscar Spaans, Otto Bergman, Shannon Tate Jonas, Sofie Alossery, Tania Verhelst, Tessa Van Wijnen, Uschi Cop, Willemijn Van Den Geest, Wout Waanders, Yelena Schmitz en Yousra Benfquih.

    De beelden zijn kunstwerken van Dimitris Rentoumis en Féline Minne, twee kunstenaars die balanceren tussen vernielzucht en scheppingsdrang – de perfecte aanvulling voor dit nummer.

    Teksten uit het Literair Reservaat

    Daarnaast namen we in deze editie van ons literair tijdschrift ook een aantal teksten op die aan bod kwamen tijdens het tweede Literair Reservaat.

    Het Literair Reservaat werpt vanuit de periferie een kritische, geëngageerde blik op het reilen en zeilen van de Nederlandstalige literatuur in België en Nederland. Deze keer luidde het thema ’Absolute beginners: is schrijven steeds opnieuw beginnen?’ Er kwamen kwesties bovendrijven zoals: Is elke auteur een eeuwige debutant? Start elke literaire tekst van een tabula rasa? Of hebben we de traditie, met haar overgeleverde normen en voorschriften, net nodig om in de kantlijnen ervan te krabbelen, te doorstrepen en te onderstrepen? Via deze brandende vragen die zich buigen over de problematiek van het (her)beginnen, betekenen de teksten van het Literair Reservaat een mooie aanvulling van Het fenikscomplex.

    De tweede editie van dit feest van het woord werd georganiseerd op 18 november 2018 in samenwerking met Vlaams-Nederlands huis voor cultuur en debat deBuren, cultureel tijdschrift rekto:verso en platform voor essayistiek De Nieuwe Garde.

    BESTEL #36 Het fenikscomplex HIER

  • Literaire Schurft @ TumultinGent #7

    Literaire Schurft @ TumultinGent #7

    Kluger Hans is opnieuw een van de curatoren van #TumultinGent!

    Op 8 mei organiseren we er een Literaire Schurft, waar we naar goede gewoonte de nieuwe uitgave van Kluger Hans lanceren.

    Behalve het nieuwe nummer bewonderen, kan je ook komen luisteren naar auteurs Bas TuurderJoost OomenWillemijn van den Geest en Wout Waanders (allen ook te vinden in ‘Het fenikscomplex’) in ons Fenikssalon. Intussen kan je de hele dag meewerken aan een papieren wand vol tekst, tekeningen en andere kriebels in onze Feniksworkshop. Schrijf, teken, klad mee. Laat je inspireren door de schrijvers en het visuele werk van Féline Minne en Dimitris Rentoumis. Bovendien kan je tijdens deze Schurft video’s bekijken van zowel Féline als Dimitris.

  • De les van Narcissus: het disruptieve potentieel van zelfabsorptie

    De les van Narcissus: het disruptieve potentieel van zelfabsorptie

    What I desire, I have. My very plenty makes me poor. How I wish I could separate myself from my body!
    Ovidius, Metamorfosen, boek 3

    door Dominika Tylcz

    Selfie is een grappig woord: het verbindt onlosmakelijk uiteenlopende fenomenen als de filosofische notie van het Zelf, moderne technologie en de inherente directheid van sharing, virtualiteit, actualiteit, gender, narcisme, consumentisme en sociale media. Ik haatte het toen het voor het eerst opdook in alledaags taalgebruik vanwege de positieve bijklank die selfie in zich droeg, alsof zelfingenomenheid en narcisme attitudes waren die nu plots welgekomen waren. Nu denk ik echter dat mijn negatieve reactie tegenover deze opkomende praktijk niets meer was dan een vooroordeel dat oprees uit de gendered idee van narcisme, een idee dat doorheen de twintigste eeuw een belangrijke shift in betekenis ondergaan heeft van mentale stoornis naar sociale strategie. Dit essay probeert om de knopen te ontwarren van mijn eigen aversie tegenover selfies, aangezien ik geloof dat mijn eigen gevoel van afkeer opgeroepen wordt door onderdrukkende ideologieën. Om de rehabilitatie van selfie als een praktijk mogelijk te maken, zal deze tekst een poging doen om de mythe van Narcissus te verkennen en terug te brengen tot een archetypische figuur van de jongen die voor zichzelf viel. Zowel de mythe als de discursieve constructie van selfie-als-praktijk vereisen een re-evaluatie van wat die concepten vandaag inhouden. Die re-evaluatie vertrekt vanuit de constatatie dat de negatieve connotaties die beide concepten in zich dragen in mijn ogen onlosmakelijk verbonden zijn met de politieke strijd van verschillende feminismes, zeker cyberfeminisme.

    Selfie-als-praktijk is een erg gendered praktijk, niet omdat ze exclusief beoefend wordt door vrouwen, maar omdat vrouwelijke selfie-producenten discursief neergezet worden als narcistisch in negatieve zin, emotioneel en oppervlakkig. Dus wanneer ik spreek over narcistische actoren, dan bedoel ik kwetsbare subjecten die betrapt worden in flagranti bij de act of self-cognition – de daad van zelfcognitie of zelfherkenning. Mijn argument hier is dat dit erg onwelkom is in elk systeem. Narcissus hoeft geen vrouw te zijn, maar veel vrouwen worden neergezet als moderne Narcissussen. Tegelijkertijd argumenteer ik dat Narcissus neergezet wordt als een archetype van een kansarm verlangensobject, een rol die in een patriarchale samenleving toegekend wordt aan vrouwen.

    Cyborgs en schermen – intra-actieve verstrengelingen

    Ik stel voor om de Narcissus mythe te analyseren in cyborg-terminologie. Donna Haraway introduceerde die terminologie in haar essay ‘Cyborg Manifesto’ en is volgens mij erg relevant om de Narcissus-mythe beter te begrijpen. Ze omschreef een cyborg als een ‘hybrid of machine and organism, a creature of social reality as well as a creature of fiction’. Zowel het fictieve in het algemeen als het fictieve van het sociale zijn essentieel voor deze analyse. De mythische ontmoeting van een goddelijke jongen met zijn eigen reflectie is gemedieerd door een scherm bestaande uit de serene wateren van het meer. Ovidius omschrijft dat meer als loepzuiver, nooit eerder in aanraking gekomen met de mens, abnormaal en magisch in haar helderheid. De virtuele werkelijkheid is vergelijkbaar met dit niet-menselijke gebied, een heldere en onverschillige ruimte die enkel en alleen gedreven wordt door wiskundige formules. Het internet is lijfloos, het is immaterieel, want het is enkel een noemer voor een geheel aan acties en formules die uitgevoerd worden door ontelbare actoren (zowel mensen als machines). De ontologische status van het virtuele is zonder weerga in de materiële werkelijkheid, onvergelijkbaar met een materieel lichaam. Het lijkt meer op een spook dat met ons communiceert via een technologisch spiritueel medium. Voor Narcissus bezat het meer een vergelijkbare ontologische status: het was zowel een medium waardoor hij toegang kreeg tot zijn eigen reflectie, als het ultieme obstakel dat consummatie van zijn verlangens onmogelijk maakte. Er is een verontrustende gelijkenis tussen dit Ovidiaanse meer en de manieren waarop moderne technologie onze affecten navigeert: het roept tegelijkertijd een verlangen op, maar maakt de vervulling ervan onmogelijk. Hierdoor komt het individu vast te zitten in een vicieuze cirkel van onbereikbare maar o zo intieme visies. In die zin is Narcissus het archetype van een cyborg die ingebed is in platformen van sociale media: hij bestaat door exces en vermenigvuldiging, en bereikt zijn lot door een fusie met de machine. Narcissus is zowel echt als fictioneel – hij bestaat als een lichaam en als een beeld dat hij tevergeefs achternaholt. Empirisch gezien is er echter geen verschil tussen beide aspecten, aangezien het materiële lichaam reageert op het beeld en vice versa. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en verworden zo tot één affectief geheel, doordrongen met verlangen en spanning.

    Het mythologische paradigma kan gemakkelijk gevonden worden in ons hedendaags treffen met technologie. Een selfie-producent is ook een hybride figuur. De feministische onderzoekster Katie Warfield omschrijft die staat van hybriditeit als een verstrengeling, iets waarmee ze geloof betuigt aan het New Materialism. In dat licht is de lijn tussen het subject en het object radicaal vervaagd – materie en betekenis worden onlosmakelijk en epistemologie, ethiek, ontologie en semiotiek smelten samen. De selfie-producent versmelt in dit proces waarin een simulacrum gegenereerd wordt: een selfie maken is niet enkel een actie die uitgevoerd wordt door een subject via een passief object, maar eerder een uitvoering van verborgen krachten, potentiëlen, betekenissen en spanningen. Het is een intra-actie, en geen inter-actie. Het onderscheid tussen subject – scherm/reflectie wordt nutteloos, aangezien via de intra-actieve verstrengeling elk element inter-geconnecteerd is en dus ook alle elementen in elkaar aanwezig zijn. Het beeld op het scherm is geïncorporeerd door het subject in zoverre dat de selfie-producent investeert in zijn sense of the Self, esthetiek, concepties en verwachtingen die komen bij het proces van een foto nemen. De narcistische situatie – het selfie-proces – wordt zo een heterogeen event, een verstrengeling van verschillende entiteiten die verschillen in substantie maar toch onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn nu. Als een gevolg is de ‘schone schaduw’ die nagestreefd wordt door de selfie-producent niet opgevat als een opzichzelfstaande entiteit. In de plaats daarvan is ze een extensie van het Zelf, een belichaming van verlangens, topoi, gender normen, enz. Wat er gebeurt op het scherm is een intra-actie van iemands lichaam met een medium (en dat lichamelijk aspect is de kern van de ervaring), een voeling met het Zelf, affect, normen, surveillance, geschiedenis, enz – het is mogelijk om ontelbare entiteiten ad infinitum op te noemen voor alle factoren die onze subjectiviteit uitmaken. De narcistische reflectie is een individuele oefening in gemeenschappelijke verbeelding, en de nexus van onze affecten; het versmelt het subjectieve met het objectieve, het lichamelijke met het verbeelde. Om vergelijkbare redenen beschrijft Ovidius de lokken van de jongen als waardig aan Apollo of Bacchus.

    Het publiek nabootsen

    Is there anybody here?
    Ovidius, Metamorpheses, Book III

    Zowel een Narcissistische scène als selfie-productie vinden plaats in een bevreemdende, verlaten ruimte. Narcissus roept ‘is hier iemand’ en alleen de vervloekte nymf Echo beantwoordt hem. Selfies als een praktijk van zelfcognitie (zij het nu auto-erotische liefde of zelfonderzoek) worden doorgaans genomen in een bij voorkeur besloten ruimte, zodat een intieme ontmoeting met de camera mogelijk wordt. Dit is niet noodzakelijk zo voor andere vormen van selfieproductie, zoals bijvoorbeeld wanneer iemand deelneemt aan een sociaal event of wanneer een selfie gebruikt wordt als documentatie van een ontmoeting. Die vormen van selfieproductie vallen echter buiten de focus van dit essay, aangezien die vormen niet als narcistisch gezien worden.

    Bij de selfie als zelfcognitie geldt het oude principe art est celare artem, waarbij het lange productieproces verborgen wordt onder een pose van luchthartigheid. Een mogelijke reden voor die pose is de idee dat de eigen fysieke aanwezigheid in het openbaar benadrukken al snel vervalt in eroticisme. Narcissus werd steeds opnieuw onderworpen aan de verlangens van anderen, achtervolgd en achternagezeten, en vervolgens veroordeeld en uitgescholden vanwege het gebrek aan wederkerigheid. Daarmee is er een opvallende gelijkenis tussen de positie van Narcissus en de hedendaagse positie van de vrouw in een patriarchale samenleving, aangezien beiden objecten van verlangen en trofeeën voor anderen zijn. Beide figuren zijn daardoor gevangen in een onoplosbare situatie waarbij ze gewaardeerd worden om hun schoonheid, maar tegelijkertijd die schoonheid zelf niet mogen waarderen omdat ze anders neergezet worden als oppervlakkig, cru, auto-erotisch of promiscue. Echter, dankzij het feit dat ze dezelfde samenleving delen, wordt de blik waar ze aan onderworpen worden meteen ook de blik waardoor ze zichzelf percipiëren. Zo ontstaat er een ‘dubbel bewustzijn’, waarbij men zich percipieert door de blik van anderen en enkel op die manier zichzelf gewaarwordt. Zo vormt men een beeld van zichzelf door diezelfde patriarchale blik. De schoonheid van Narcissus behoort tot het gemeenschappelijke canon, en vormt een gemeenschappelijke affectieve verbeelding, waaruit de narcistische liefde origineert. In die zin anticipeert en verwelkomt het afwezige publiek (of zoals Echo, het verstopte publiek) elke narcistische handeling. Het publiek is onzichtbaar, maar aanwezig, ‘folded under the skin’ van het narcistisch subject: het individu heeft op zichzelf de collectieve verwachtingen van haar eigen lichaam geprojecteerd, en daarmee ook de verwachtingen die horen bij haar genderrol.

    Vergelijkbaar hiermee is de manier waarop de selfie-producent beperkt blijft in de echokamer waarin ze steeds opnieuw oog-in-oog komt te staan met de verwachtingen die bij haar lichamelijke realiteit komt kijken – via de interface waarin ze zichzelf bekijkt past ze haar uiterlijk aan om haar individualiteit te conformeren aan die normen. Ze is zowel toeschouwer als bekekene, belichaamde uitvoering van een dubbel bewustzijn waarbij ze probeert om de subjectiviteit van een onderworpen individu te verzoenen met de dominante blik van de Ander. Het narcistisch subject probeert om haar eigen reflectie te incorporeren, zodat ze het beeld wordt dat door het onzichtbare publiek wordt verlangd.


    Het Zelf performen – Prosthetische identiteit

    Een selfie is geen eenduidig beeld, zoals verschillende onderzoekers al eerder hebben aangetoond. Het is zowel een belichaming als een performance, een (re)presentatie en een praktijk. Het belichaamt en voert discursieve entiteiten uit, waarvan gender de meest prominente is. Sinds Judith Butler wordt gender als performatief beschouwd, wat betekent dat het een sociale rol is die iemand opneemt in een samenleving. Iemand performt dus vrouwelijke kenmerken, in plaats van dat ze uit een mythische biologische bron voortspruiten. De selfie is discursief geconstrueerd als een vrouwelijke praktijk met een zelfingenomen, narcistische kern. Echter, als hiernaar gekeken wordt vanuit een kunsthistorisch perspectief, wordt al snel duidelijk dat de selfie (opnieuw) een andere spiegel is die de archetypische vrouw in haar hand heeft (fig. 2). De hypocrisie van deze topos werd erg gevat beschreven door John Berger in zijn reeks Ways of Seeing:

    You painted a naked woman because you enjoyed looking at her, you put a mirror in her hand and you called the painting “Vanity”, thus morally condemning the woman whose nakedness you had depicted for your own pleasure.

    De selfie compliceert dit doelbewust reductionistische concept van vrouwelijk narcisme, een concept dat het performatieve potentieel van zelf-weergave lijkt te minimaliseren. Het verschil tussen een selfie en klassiek naakt is het agentschap: het onderwerp van verlangen legt zichzelf vast. De game-changer hier is het feit dat de machtsrelatie voortkomt uit het bewustzijn dat genderrollen performatief voortgebracht worden, en dat identiteiten geproduceerd worden in alle representaties.

    Het performatieve is niet enkel beperkt tot theatrale kwaliteiten, maar impliceert ook een hoge graad van agency. De selfie is performatief ook in de zin dat het iets voortbrengt, als in de performatieve uiting ‘let there be x’. Tegelijkertijd kan de selfie als praktijk – ‘a gesture that can send different messages to different individuals, communities, and audiences’ – identiteiten construeren die rijker zijn dan enkel een reflectie van iemands gender. Het kan een werkinstrument worden om te onderhandelen over iemands maatschappelijke positie. Daarbij is het belangrijk om identiteit te zien als iets dat niet inherent deel uitmaakt van iemands zijn, maar dat eerder fungeert als een prothese, als een extensie die iemand toestaat om op gelijke hoogte te functioneren binnen een maatschappij, of om een andere dimensie van de sociale werkelijkheid te bereiken. Tegelijkertijd kan een prothese een verlies vervangen, of het individu voorzien van nieuwe mogelijkheden. In het geval van de selfie staat het het narcistische individu toe om te functioneren los van de strop van gendercriteria, net dankzij het nauwe verband tussen de selfie en iemands lichamelijke realiteit. Door het feit dat een selfie een fotografisch documentaire noema is – iets wat Barthes omschreef als een statement ‘dat-geweest-is’ – valideert het iemands claim om te handelen buiten sociale verwachtingen, om voorbij het cliché te gaan en daarmee te claimen een alternatieve manier van zijn te hebben geproduceerd. Zo kunnen deze alternatieven gemeenschappen van verzet produceren die functioneren voorbij de dominante machtsstructuren. Zoals Theresa Senft, een belangrijke specialist op het vlak van cyberfeminisme, het omschrijft:

    The site of my prosthetic identity is my hypothetical cyberspace community.

    En Narcissus vraagt:Oh woods, you who have lived so many centuries, do you remember anyone, in all your long years, who has pined away as I do?

    Afwezig lichaam of toegevoegd subject?

    What you see is [..] in itself nothing. It comes with you, and lasts while you there; it will go when you go, if go you can.
     – Ovid, Metamorphoses, Book III

    Het lichaam heeft een problematische status in het narcistische paradigma. Het wordt geïmpliceerd in het lijden van Narcissus, maar de materialiteit van het lichaam is zwak, oplosbaar in beide betekenissen van het woord. Het lichaam vervaagt in de overspoeling aan affecten, en de drie punten van de driehoek lichaam – subject – beeld komen langzaam los te staan van elkaar. De droom van Narcissus is om te vervreemden van zichzelf: ‘How I wish I could seperate myself from my body!’, schreeuwt hij. Het materiële, organische lichaam verdwijnt zo, wordt gradueel gedematerialiseerd. Het lichaam verwordt tot een bundel aan affecten, iets dat ‘out there’ is – voorbij het scherm van het meer, onbereikbaar maar toch reëel. Door de daad van allocatie wordt de reflectie voorzien van een niet-fysiek, hypothetisch lichaam, een container aan verlangens, die erg precies de subjectiviteit van het gevangen individu nabootst. Zonder dat hij het beseft, beweegt Narcissus van het verbeelde lichaam van de Ander naar een schaduw van zichzelf, die enkel vastgehouden kan worden zolang het verlangen en aandacht kan blijven aantrekken. Dit is het eeuwig dilemma van het narcistische subject: het heft haar eigen subjectiviteit op om verenigd te kunnen worden met een artificieel zijn. Het subject wordt zo toegevoegd aan een virtueel lichaam, waardoor het de status verwerft van half-avatar, half-minnaar.

    Het Zelf wordt zo verstoten en verwerft het karakter van een toevoeging: het kan toegevoegd worden aan verschillende oppervlaktes, voorzien worden van verschillende uiteenlopende kenmerken, en zo steeds ondefinieerbaar blijven. Het narcistisch subject is een prototype van identiteit in de virtuele ruimte. Die logica wordt door Jennif Gonzalez omschreven als een ‘appended subject’, een ‘toegevoegd subject’, waarbij ze drie verschillende interpretaties toevoegt:  

    A subject comprised of appendages, of parts put together, of supplementary materials; 2. Subject or a person defined by a relation of supplementarity, added to some other principal body (colonized subject to the imperial state) 3. Subject as object constituted by electronic elements serving as a psychic or bodily appendage, an artificial subjectivity that is attached to a supposed original or unitary being, an online persona understood as appended to a real person who resides elsewhere;

    Het verbaast niet dat alle drie deze varianten toepasbaar zijn op Narcissus: als cyborg is Narcissus een allegaartje van verschillende onderdelen waarvan er geen enkel domineert; als object van gemeenschappelijk verlangen opereert hij als een toevoeging aan een machtsstructuur, een attribuut die de machtswerking vlotter laat verlopen; als zichzelf verleent hij authenticiteit aan zijn eigen reflectie, een online avatar. Het lichaam verschijnt hier opnieuw op een paradoxale manier: het bestaat ergens ‘out there’, in relatie tot de avatar, maar niet in relatie tot de persoon. Die toegevoegde structuur vertroebelt de betekenis van de noties lichaam en subject. Hierdoor nemen het scherm en de reflectie een centrale positie in in de verstrengeling tussen subject en object, waardoor de eigenaar ervan vast komt te zitten in zijn eigen immateriële, geïdealiseerde illusie. Het effect daarvan is des te betoverender aangezien het verweven is met het authentieke, levende lichaam – de visie en het verdwijnende lichaam versterken elkaar. Dit is waarom Narcissus zichzelf niet volledig kan losmaken van zijn lichaam, noch weg kan gaan van de rivierbedding.

    Glitch en het fictieve Zelf

    Poor foolish boy, why vainly grasp at the fleeting image that eludes you? The thing you are seeing does not exist.
    Ovid, Metamorphoses, Book III

    Wanneer het water kalm is, kan niets de illusie van de reflectie ontmaskeren. Het is de interventie, de verstoring, de beweging die het scherm ontmaskert en het individu terugbrengt naar de empirische werkelijkheid. Het is de glitch die de fictionaliteit – of virtualiteit – van het beliefde beeld ‘ontnaakt’. De glitch zorgt voor een onderscheid tussen de avatar en het lichaam, en herstelt het (zelf)bewustzijn. Daarmee is het de bron van alle openbaringen, aangezien het een bewustzijn oproept van alle elementen in de verstrengeling: lichaam, beeld, ideologie en technologie. Die verstoring zorgt er echter niet voor dat het narcistisch subject volledig bevrijd wordt van de normatieve esthetiek en de (auto-)gesexualiseerde narratieven. Narcissus ontdekt de fictieve aard van de prachtige jongen, maar dat zorgt er niet voor dat zijn affectie bekoelt. Vergelijkbaar hiermee is de manier waarop glitches in het selfieproces, zoals slechte belichting of problemen met de camera, er niet voor zorgen dat het hele onderdrukkende complex dat het narcistisch subject opgedrongen wordt ontmaskerd wordt. Er is een negatief autonoom patroon terug te vinden in de openbaring: “iste ego sum […] uror amore mei”  (“this I am [… ] I burn with love of myself”). Na deze ontdekking keert het subject echter gewoon terug naar het startpunt, waarbij fictie geïnternaliseerd wordt langs affectieve kanalen, vanuit het principe ‘alles is echt in zoverre dat het gevoeld wordt’. Zoals Sharon Lehner opmerkt:

    Images are real, insofar as they pleasure, they pain, they cause action – crucial lesson in aesthetics at their political and medical peril.

    Er is sprake van een proces van constante internalisering van fictie: de categorie van de waarheid is buiten ieders overweging, aangezien de onbeperkte fictie het enige is dat Narcissus kent/wil kennen. Beseffen dat zijn positie een constructie is, is empowering, maar tegelijkertijd ook volledig nutteloos: voor Narcissus er is namelijk geen leven meer voorbij de verstrengeling.

    Mirror-stage

    What I desire, I have. My very plenty makes me poor.
    Ovid, Metamorphoses, Book III

    De ontmoeting met het projectiescherm is een primair moment voor de formatie van het Zelf: daarom is de Narcissus mythe al sinds Freud geaccepteerd als paradigmatisch binnen het menselijk groeiproces. Voor Freud begint het bewustzijnsproces, het ontstaan van een bewust Ego, met de versplintering van de primaire eenheid van het individu. Het moment dat er een bewust Ego ontstaat, voelt het de drang om zich opnieuw te bevinden in die primaire staat van eenheid. In Lacaniaanse termen: de narcistische ontmoeting illustreert de méconnaisance – de misherkenning – die iemand toestaat om zichzelf te erkennen als zichzelf. In zijn essay over de mirror stage ontwikkelt Lacan een voorbeeld van een kind dat zichzelf voor de allereerste keer herkent in een spiegel. Het beeld dat dit kind ziet is niet het kinds lijfelijkheid noch zijn subjectiviteit, maar toch misconstrueert hij het beeld dat hij ziet om zichzelf te kunnen herkennen – en daarmee ook erkennen – als een autonoom wezen. Dit moment is tweeledig volgens Lacan, aangezien het zowel de erkenning als een fout inhoudt. Het kind “greets itself with delight and simultaneously enters into a hostile rivalry with its own image; experiences the encounter with its reflection as pleasurable and at the same time resents the superiority of the mirror image”. Daardoor zit er een neurose in de kern van het Zijn die niet verzoend kan worden. Het Zelf heeft zijn fundering in een fictie die constant ongrijpbare beelden internaliseert. Bij Narcissus zien we echter een model waarbij die primaire miserkenning nooit heeft plaatsgevonden.

    Epiloog

    Narcissus wordt voorspeld een lang leven te leiden als hij nooit ‘zichzelf kent’, waarmee bedoeld wordt, als hij nooit de mirror stage bereikt en zo zichzelf erkent als een individu-in-deze-wereld. Door het feit dat het narcistisch subject op de grens van de mirror stage blijft hangen, wordt het meteen ook politieke agency ontkent. Maar het is niet Narcissus die zichzelf deze politieke agency ontkent. Het zijn de sociale structuren, en de biomacht die ze kunnen uitoefenen, die zijn zelfherkenning in de weg staan, waardoor de ontstane doodsdreiging een sterk disciplinerend effect uitdraagt.

    Veel feministische auteurs zien selfies als een reappropriation van de male gaze, de mannelijke blik. In het licht van het eerdere citaat van John Berger lijkt die redenering erg eenduidig en overtuigend. De spiegel die voorgehouden wordt toont geen vrouwelijke oppervlakkigheid en mannelijk verlangen, maar datgene dat de onderworpen subjecten zelf willen tonen. Maar aan deze argumentatie ontbreekt een cruciaal punt, namelijk het bewustzijn van het feit dat elke narcistische daad onlosmakelijk verstrengeld is met de gaze die ze bekritiseert. De gaze is geworteld in genderidentiteit en het kost enorm veel moeite om die daaruit los te maken. Ondanks het feit dat een glitch een katalysator kan blijken voor meer bewustzijn van normatieve structuren, valt Narcissus steeds opnieuw in dezelfde pijnlijke liefdesval, die zich in hedendaagse termen laat vertalen naar een emancipatorische strijd die nooit ophoudt.

    In die zin vormt Narcisme een model van zelf-cognitie ten tijden van digitaal kapitalisme. Machtsrelaties worden ontmaskerd, maar ook geïnternaliseerd: paradoxaal genoeg komt de macht verworven door de narcistische daad net voort uit een bestendiging en versterking van de onderwerping aan dominante normen en de dominante esthetiek – en daarmee verliest het individu zichzelf opnieuw. Zowel Narcissus als de selfie producent, het narcistisch vrouwelijk subject, zijn in een permanente strijd om empowerment, die onvermijdelijk leidt tot onderwerping. Maar de mogelijkheid om zichzelf te zien in de ander, in relatie tot andere ‘social agencies’, zorgt ervoor dat onze Narcissus deel kan nemen aan gemeenschap van alle soorten. Het is het bewustzijn van de virtualiteit van het Zelf – aangezien het narcistisch subject in theorie een onbeperkt aantal rollen en identiteiten op zich kan nemen – die haar toelaat om het systeem van constante verheerlijking en onderwerping te ontsnappen. De veelheid aan Zelven die ontmaskerd wordt door de constante zelfonderzoeking zorgt ervoor dat er een proces in gang gezet wordt waarbij andere genders en andere omgangsrelaties tussen individuen denkbaar worden. Zo’n empowering community is fluïde en in permanente verandering, en elk lichaam kan steeds de oorspronkelijke reflectie vervangen. Zo wordt het ook mogelijk om een andere erotische gemeenschap te verbeelden. De mogelijkheden zijn legio, aangezien het aantal prothetische identiteiten onbeperkt is.

    Narcissus is een soort onmogelijk figuur. Hij staat voor de onmogelijkheid om tegelijkertijd het Zelf en de Ander te zijn. Deze utopie is zowel bevrijdend als levensgevaarlijk: het narcistisch subject verdwijnt uiteindelijk, uitgeput door de constante verschuivingen in identiteit van het Zelf. De lijn tussen onderwerping en emancipatie is een vloeibare lijn; een die maar al te gemakkelijk uit het zicht verloren kan worden.

  • HET ESSAY, HET SYMPTOOM EN GEVOLG VAN TURBULENTE TIJDEN

    HET ESSAY, HET SYMPTOOM EN GEVOLG VAN TURBULENTE TIJDEN

    Het essay, een voortdurend veranderend genre in een voortdurend veranderende wereld

    In de 16de eeuw ontwikkelde Michel de Montaigne het essay. In een door onrust gekenmerkt tijdperk poogde de Franse schrijver en filosoof door middel van de pen een greep te krijgen op de exuberante tijdsperiode waarin hij leefde. ‘Essayeren’ betekent niet enkel analyseren en afwegen, maar ook uitdagen, testen en proberen. Montaigne daagde in zijn essays religieuze, sociale en politieke problemen uit en betwistte de gevestigde ideeën van zijn tijd. De structuur van het essay liet Montaigne toe om een kritische houding aan te nemen tegenover zijn gedachten en handelingen. De vraag “Wat weet ik?” [Que scaj-je?], vormde een rode draad doorheen Montaignes vele jaren van studies en schrijven, gekristalliseerd in zijn Essais.

    Montaigne ontwikkelde dit nieuwe literaire genre halverwege de tumultueuze 16de eeuw, een tijdsperiode waarin Europa de dogmatische metafysieke ideeën uit de Middeleeuwen van zich afwierp. Zowel verbaasd als bezorgd bleef Montaigne de voortdurend veranderende wereld observeren. Door te schrijven wilde hij de gevestigde ideeën van zijn tijd uitdagen en leren over zijn eigen gedachten en handelingen. Wanneer men de geschiedenis van het essay observeert, wordt het al snel duidelijk dat het genre zichzelf manifesteert in momenten van fundamentele existentiële crisis. In het geval van Montaigne was het een slecht functionerend Frankrijk, bestuurd door het royale hof en de Katholieke Kerk, dat hem deed terugtrekken in het landgoed van zijn familie, in een poging om van daaruit de overheersende structuren van zijn tijd te bevragen en – belangrijker nog – zijn eigen gedachten en handelingen binnenin deze dominante structuren te analyseren. Door middel van een hoop geleend materiaal, zoals citaten, stelregels, exempla, aforismen en de wisselwerking tussen feit en fictie, wisten Montaignes Essais de autoritaire positie van de belangrijke denkers van die tijd te bevragen. In een reactie op de onbuigzame aanpak van de scholastische filosofie, plaatste Montaigne specifieke citaten van eeuwenoude filosofen naast elkaar, en veranderde zelfs bewust de naam van de auteur, in een poging om de door mensen voor vanzelfsprekend aangenomen waarden en ideeën in vraag te stellen.

    Door het toevoegen van citaten als een literaire strategie te gebruiken, introduceerde Montaigne een dialogische dimensie in zijn geschriften, die poogde om zijn eigen tijdsperiode met diegene van de geciteerde auteur te verbinden en te confronteren. De dialogische dimensie wordt gekenmerkt door de duidelijke aanwezigheid van een ‘Ik’, Montaigne als schrijver. Door expliciet zijn eigen standpunt te benoemen, nodigde Montaigne de lezer uit om hem doorheen zijn essays in de door hem gemaakte reis te vergezellen. Montaigne begon deze schrijfoefening als een ‘therapeutische oefening’ waarin hij wilde reflecteren op zijn eigen denken, niet om de wereld rondom hem te begrijpen, maar om zijn eigen positie in die wereld te begrijpen. Maar tezelfdertijd toonden deze reflecterende en meanderende geschriften voor Montaigne reeds aan hoe ‘gelimiteerd zijn kritische denken was’ wanneer het de fundamentele veranderingen en paradigmaverschuivingen betrof waaraan zijn tijdsperiode onderhevig was. Montaignes immer voortdurende daad om te essayeren werd ‘een beschouwing van en over het veranderende zelf in de veranderende wereld’ (Good 23).

    De Essais zijn een typisch product van de Renaissance en haar overgang van een collectieve traditie naar de focus op individualiteit en originaliteit. Het essay markeerde de filosofische en ideologische verschuiving van ‘de heerschappij van het universele naar het specifieke’ (De Obaldia 65). Montaignes sceptische en kritische houding tegenover zijn tijd is niet verrassend. Het is een periode die gevangen zit tussen twee tijdperken, een tijd van ‘diep epistemologische angst’, waarbij ‘trouw aan het verleden steeds meer door acute beschouwingen wordt overgenomen’ wat problemen rondom originaliteit en eigenaarschap betreft (Ibid). In die tijd waren teksten het principiële instrument van menselijke kennis en werd imitatie erkend als een onmisbare voorwaarde voor de productie van kennis. Geschriften betekenden leren van je voorgangers, van hun wijsheid en moraliteit, opgenomen in die eeuwenoude teksten. Auteurs uit de Renaissance maakten de bron en de daarbij horende autoriteit van die eeuwenoude teksten expliciet het onderwerp van die teksten. Dus was Montaignes nieuwe schrijfstijl niet enkel een reactie op een maatschappij in crisis, het was ook een reactie tegen de traditionele vormen van literatuur en de klassieke leermethoden en epistemologie. Het essay werd een rechtstreeks literair voertuig, waar kennis was gebaseerd op ervaring, en niet op het strenge vasthouden van reeds bestaande meningen, in het leven geroepen door de scholastiek. Montaignes bezorgdheid om waarheidsfundamenten en -criteria, betekenisvoorwaarden en modaliteit, resulteerde in een literaire vorm waar het de schrijver was toegestaan ‘om vrij te denken buiten de grenzen van de reeds gevestigde autoriteit en de traditionele retorische vormen’ (Hall 78).

    Montaignes ‘therapeutische’ project beïnvloedde een schare toekomstige schrijvers en filosofen. In de daaropvolgende eeuwen volgden vele schrijvers Montaignes voorbeeld en brachten het essay naar het niveau van een gevestigd literair genre. Men kan een duidelijke overeenkomst ontwaren in de periodes waar het essaygenre aan populariteit won. De vorm van het essay – beginnend bij de turbulente 16de eeuw – floreert in veranderende en onveilige omstandigheden. De alledaagse identiteit van het essay heeft aan schrijvers, filosofen en critici steevast de vrijheid en creativiteit toegelaten om het heersende geloof en de populaire meningen van die tijd uit te dagen. Daaruit kan je aannemen dat het essay niet enkel het symptoom is van een crisis, maar ook het product van een crisis. Montaignes onmethodologische methoden moedigden toekomstige schrijvers en filosofen aan om met de grondbeginselen van de waarheid rekening te houden, en om vragen te stellen zonder vooroordelen of vooringenomenheden. Wat Montaigne overdroeg waren geen oplossingen maar punten van kritiek. Binnen deze turbulente tijden hervormde deze daad van het essayeren de geest naar ‘de plek van de verbeelding’, naar een ruimte die het toelaat om ‘het virtuele potentieel van theorie te bekijken en te herbeschrijven wat het al eerder had gezien’ (Kritzman 2-3). Montaignes speurtocht van menselijke subjectiviteit beïnvloedde het 18de-eeuwse Engeland, een maatschappij in een industriële en sociale overgang, waar het essay een medium werd om het individu opnieuw op te bouwen. In de koffiehuiscultuur werd het essay een middel dat ‘op dramatische wijze subjectiviteit en modaliteit uitdaagde’ door het in de publieke sfeer te delen (Corrigan 2011, 19). Essays schrijven werd een gereedschap om ‘een dialoog tussen een eigen en een zichtbare wereld’ te vormen (18). De opkomende bourgeoiscultuur was vragende partij ten opzichte van het essay en zijn groeikansen. Gecombineerd met de empirische en individuele kwaliteiten van de Engelse cultuur, was 18de-eeuws Engeland de ideale broedplaats om een eigen essayistische traditie te bestendigen (Good 135).

    In de 19de eeuw verspreidde het essayistische schrijven zich naar filosofie, autobiografie, kunstkritiek en sociale verslaggeving. Volgend in de voetsporen van Montaigne, neigde het 19de-eeuwse essay ‘naar het verfijnen van de morele en politieke stem van het essay’ (Corrigan 18). In de periode van de Vroeg-Duitse Romantiek kunnen we dezelfde broedplaats als in de dagen van Montaigne herkennen. Net zoals de Renaissance was het een tijdperk gekenmerkt door periodes van algemene veranderingen, afbraak en heropbouw van het discursieve systeem, die leidden tot een herschikking en verplaatsing van algemene grenzen (De Obaldia 39). Vanuit een Romantisch perspectief bekeken, hielp het essay om te gaan met de overgangsperiode tussen twee ‘Gouden tijdperken of utopieën’ (Ibid). De overeenkomsten tussen de Renaissance en de Romantiek toonden dat het essay – vanuit een Romantisch perspectief – ‘het typische antwoord is tot een wereld die problematisch was geworden’ (Ibid).

    ‘Het is de typische weergave van een gebrek aan culturele eenheid, waar de vaardigheden van de mens in afzondering van elkaar worden beoefend. Want de negativiteit van de moderne tijden, belichaamd door het essay, wordt gekarakteriseerd door een afscheiding tussen de ‘Ik’ en de wereld, tussen voorwerp en onderwerp, tussen specifiek en universeel, tussen kunst en filosofie, wanneer alle verhoudingen vernietigd zijn en bespiegeld’ (Ibid).

    Binnen zo’n context van negatieve ontwikkelingen dient het essay als een bemiddelaar tussen tegenstellingen. Omwille van zijn bemiddelende vorm, neemt het essay een meng- en grenspositie in tussen filosofie en kunst, terwijl het graag probeert de tekortkomingen van de traditionele kennisvormen te overwinnen.

    Vanaf het begin van de 20ste eeuw neemt het essay een meer vooraanstaande plek in binnen de kritiek. In tegenstelling tot hoe het nalatenschap van Montaignes essay zich verder ontwikkelde in de Franse en Engelse culturele traditie, cultiveerde de Duitse traditie het essay ‘als het voortzetten van een unieke combinatie van empirische kennis en esthetische vorm. Het is geen kunst in de volle betekenis van het woord, maar een mengvorm tussen kunst en wetenschap, een esthetische bewerking van middelen die anders wetenschappelijk of methodisch konden worden onderzocht’ (Good 1988, 152). Vanuit die positie tussen wetenschap, filosofie en kunst, weerstond het essay in Duitsland de vereenvoudigende tegenbeweging naar Totaliteit en Waarheid. Als antwoord wilde het Duitse essay zelfbeschouwing, het fragmentarische, het polemische, de subjectieve ervaring en de discontinuïteit herwaarderen.

    Deze kenmerken brachten Adorno tot het besluit dat ‘in plaats van wetenschappelijk iets te presteren of artistiek iets te scheppen, weerspiegelt zijn inspanning de vrijheid van het kinderlijke, dat schaamteloos gepassioneerd raakt door datgene wat anderen al gedaan hebben’ (97). Hierin weerklinkt waar Georg Lukács reeds decennia voor Adorno op wees:

    ‘[…] het essay spreekt altijd over iets dat reeds vorm heeft gekregen, of op zijn minst iets dat er reeds was op een zeker punt in het verleden; daarom maakt het deel uit van de aard van het essay dat het niet iets nieuws creëert uit een leeg niets, maar slechts op orde brengt wat al leefde (Lukács 2010 [1910],26).

    Lukács’ ideeën over het essay zijn verwant aan de crisis van modernistische literatuur en drama. Zij uiten hun fascinatie voor de opkomst van modernistische ideeën in schilderkunst en muziek. Na het onheil van de Tweede Wereldoorlog zag Max Bense het essay als een onontbeerlijk instrument om het kritische denken te herevalueren. Hij verklaarde:

    ‘De gehele kritische situatie in beschouwing genomen, waarbij geest en bestaan in tijden van crisis floreren, is het essay voor ons literair tijdperk tekenend geworden. Het essay dient de crisis en het overwinnen hiervan door de geest van het experiment uit te dagen, om de dingen op een andere manier te verwerken, maar het is niet enkel een accent, geen eenvoudige uiting van de crisis’ (2017 [1947],59).

    Wat de jonge Lukács en Adorno gemeen hebben is een gedeelde afkeer van ‘de idealen van het pure en het zuivere’, opgelegd door de strenge wetenschappelijke vakgebieden van hun tijd die ‘de sporen dragen van een repressieve orde’ (102). Door het essay te verdedigen en haar kwaliteiten te onderschrijven, proberen ze de beperkingen en tradities van het academische aan te vechten. Ze kanten zich tegenover de almacht van Rede. In hun weerstand tegen Totaliteit, merkt Adorno op dat het essay de ‘totaliteit van het niet-totale die de these van de identiteit van gedacht en onderwerp niet alleen inhoudelijk verwerpt, maar ook als vorm niet handhaaft’ (115). Filosofie en kritiek zijn vanuit Adorno’s gezichtspunt bekeken verzand in hun eigen dogmatische houding ten opzichte van haar vastgelegde concepten en definities. ‘De filosofie is vanuit de meest uiteenlopende perspectieven tot een complete kritiek van definities gekomen’, vat Adorno samen (10). Het essay als vorm biedt een medium om scepticisme in de dogma’s van de traditionele wetenschap en filosofie te injecteren. Door het veranderende en het kortstondige te herwaarderen, door bij het reflecteren voor ervaring als voorkeursvorm te kiezen, door het opschorten van de traditionele werkwijze, weerstaat het essay wat Adorno ervaart als ‘de filosofie van Absolute kennis’:

    ‘Zoals een dergelijk leerproces natuurlijk vatbaar blijft voor vergissingen, zo blijft het essay als vorm dat ook; voor zijn affiniteit met de open intellectuele ervaring betaalt het met een gebrek aan zekerheid dat door de norm van het gevestigde denken als de dood gevreesd wordt. Het essay verwaarloost niet zozeer de boven twijfel verheven zekerheid, maar schaft veeleer dat ideaal af. Het verkrijgt waarheid in zijn ontwikkeling, die het boven zichzelf doet uitstijgen, niet in de obsessie met fundamenten.’ (109).

    De obsessie voor Absolute kennis die door Adorno wordt aangevallen, is van toepassing op een gelijkaardige obsessie voor Waarheid: ‘tegenover het beeld van waarheid als een causale samenhang, verplicht het essay ertoe het onderwerp van begin af aan zo veelzijdig te denken als het is; een correctie op de verstokte primitiviteit waarmee de gebruikelijke ratio gepaard gaat’ (111). Om deze traditie te verbreken, suggereert Adorno dat ‘hij wie kritiseert, die moet noodzakelijkerwijs experimenteren, hij moet voorwaarden scheppen waaronder een onderwerp opnieuw zichtbaar wordt’ (116). Adorno’s oproep om nieuwe voorwaarden te creëren grijpt terug naar Montaignes missie. Die laatste kende eenzelfde haast om binnen het literatuurveld een nieuw type of een nieuwe vorm van literatuur te creëren, die hem in staat stelde de problemen in vraag te stellen die hij wilde aanpakken, maar waarvoor de voormalige literaire kunstgrepen tekortschoten. Door het toelaten van associatie, dubbelzinnigheid van woorden, en het achterwege laten van een logische opbouw, maakt het essay van de toehoorder een medeplichtige in het proces van waarheidvorming. Of zoals Adorno dit proces beschrijft:

    ‘In het essay komen discreet tegen elkaar afgezette elementen samen in iets leesbaars, het bouwt geen steigers en geen constructie. De elementen kunnen echter uitkristalliseren door hun beweging in een configuratie. Die configuratie is een krachtenveld, zoals in de ogen van het essay ieder werk van de geest moet transformeren in een krachtenveld’ (110).

    Dit krachtenveld, waar gescheiden elementen elkaar tegenkomen, wordt het veld van de kritische gedachte: ‘door de teksten te confronteren met hun eigen nadrukkelijke begrip, met de waarheid die elke tekst, ook al is het ongewild, nastreeft, wordt de aanspraak van cultuur aan het wankelen gebracht, en wordt ze aangezet tot het gedenken van haar eigen onwaarheid’. (118). Adorno’s pleidooi voor de discursieve vorm van het essay kon gezien worden als willekeurig of als een mengvorm, die qua overtuiging en onafhankelijke traditie tekortschoot. Wat gevoel en stemming betrof, kon de vage openheid van het essay als naïef worden opgevat.

    Dus, hoe laat het samenbrengen van componenten, als een tapijt verweven, ons toe om te oordelen? Verwijzend naar wat Adorno eerder zei, wanneer het essay zijn eigen regels, richtlijnen en voorwaarden creëert, hoe kunnen wij dan oordelen? ‘Wie geeft hem het recht om te oordelen’, kaatst Lukács terug (26). Hij gaat verder en geeft ons zijn antwoord:

    ‘De criteria van het oordeel van de essayist worden inderdaad binnenin hem gecreëerd, maar het is niet hij die ze tot leven en handelen brengt: degene die ze in zijn oor fluistert is de grote waardebeschrijver van de esthetiek, degene die er altijd net zit aan te komen, degene die er nooit helemaal is, de enige die gevraagd wordt om te oordelen’ (32).

    Volgens Lukács is het essay slechts een voorloper van een oordeel. Net zoals een kunstwerk richt het essay zich naar de wereld met de aanzet naar een kunstwerk. Maar het blijft slechts bij een gebaar, een houding. Het essay draagt zowel dat wat oordeelt als dat wat wordt beoordeeld in zich mee. Zo besluit Lukács dat ‘het essay een oordeel is, maar het essentiële, het waardebepalende eraan is niet het besluit, maar het proces van het oordelen’ (34).

    Om het gevaar te vermijden van te doen ‘alsof de steen der wijzen in handen is’,  ontbreekt het essay in Adorno’s conceptvorming een standpunt naar de concepten toe, naar de ervaringen en theorieën die het aanraakt en absorbeert (115). Enkel door geen duidelijk standpunt naar het onderwerp toe in te nemen, kan het essay ‘het ondoorzichtige polariseren, de latente krachten die erin aanwezig zijn ontketenen’ en ‘de verstrengeling van begrippen op de wijze waarop ze in het onderwerp zelf verstrengeld worden voorgesteld’ (122) opbouwen. Door vereenvoudigende antwoorden te vermijden, toont het essay de complexiteit van dingen als complex.

    Onder deze achtergrond is, sinds het werk van Lukács, Bense en Adorno, het 20ste-eeuwse essay een vorm, een medium en een object voor theoretische en filosofische beschouwingen geworden. Hoewel Adorno elke keer wordt aangehaald als het om de theoretisering van het essay gaat, is het volgens Adorno het werk van zijn voorbeeld en collega Walter Benjamin die de kracht van het essay illustreert. Die eerste was verantwoordelijk voor het theoretiseren van het essay –met een uitermate belangrijke invloed – maar het was Benjamin die een stevige impact had op de 20ste-eeuwse beoefenaars van de audiovisuele vorm van het geschreven essay (Alter 2007,48). Binnen enkele decennia was de populariteit van het essay een levendig en snel evoluerend genre verworden, in allerlei artistieke domeinen.

    Van crisis naar Krisis.

    De werkelijkheid van het essay

    Om na te denken over de werkelijkheid en het belang van het essay vandaag, wil ik de broedplaats van het essay – een crisis – als startpunt nemen voor een laatste terugblik op de werkelijkheid en relevantie van het essay.

    Algemeen bekeken wordt ‘Crisis’ als een breekpunt opgevat. Het benoemt een staat van paniek, een situatie die moet worden overwonnen en route naar een betere toestand of welzijn, en vaak duidt dit op een scheur in de ongedwongen werking van het alledaagse. Om iets of iemand in crisis te brengen, wordt die iets of iemand in aanraking gebracht met de verplichting om een beslissing te nemen om de crisis te overwinnen. Maar in tegenstelling tot de hedendaagse betekenis van het woord, komt het woord crisis, etymologisch, van het Griekse woord Krisis, wat ‘oordeel’ betekent. In het klassieke Atheense theater werd de dramatische ervaring van de toeschouwer hoofdzakelijk begrepen als het in ‘Krisis’ zijn. Hierbij doelend op de ernstige mentale activiteit van een oordeelproces, werd in het theater het in Krisis zijn door het publiek toegepast. Zo werden door hen besluiten gemaakt. Zittend in het auditorium werd men uitgenodigd om mee te voelen met wat op de skène werd getoond en verteld. Tijdens het kijken en luisteren naar verklaringen werd men in een denkproces getrokken, dat moest helpen om ook een oordeelproces vast te leggen. Nu we de oorsprong en de evolutie van Krisis naar crisis kennen, moeten we besluiten dat dit proces, dat het ontstaan van een mentale ruimte toelaat en dat een goed uitgedachte werkwijze van afwegen en oordelen inhoudt, is verdwenen in onze hedendaagse definitie van het woord crisis.

    Als we rekening houden met deze verschuiving – van Krisis naar crisis – kan ik stellen dat het essay ons kan helpen om opnieuw te verschuiven, deze keer van crisis naar Krisis. Naar mijn mening is de mentale handeling van het afwegen en oordelen – onafscheidelijk verbonden met de Oud-Griekse definitie van Krisis – ook onafscheidelijk verbonden met de vorm, de filosofie en het doel van het essay. De speculatieve dimensie van het essay verzekert ons dat besluiten kunnen ontstaan, maar het zijn geen uitgemaakte besluiten, ze blijven voorlopig. Hieruit kan een oordeel volgen, maar in het essay zijn er geen vooroordelen of vooringenomenheden.  Hierdoor denk ik dat het essay de vorm par excellence is om af te wegen, uit te dagen en te oordelen in onze complexe 21ste eeuw. Omdat het niet in tot cement gegoten uitspraken en waarheidsclaims resulteert.

    Zoals eerder in deze tekst werd vermeld, moeten we, hoewel het essay op dit moment zowel het symptoom en het product van een crisis is, haar politieke functie begrijpen ‘niet als therapie of om wonden te helen, geproduceerd door de beroering van de dag, maar als crisisdiagnose die een toekomstige sociale en culturele transformatie toelaat en aanmoedigt’ (Alter 2007,51). Het essay ‘laat verschillende uitdrukkingsvormen toe, en verschillende dimensies en manieren om op de werkelijkheid te betrekken – manieren die meer toevallig, op de grens gelegen, autobiografisch, zelfs privé zijn’ (Rascaroli 2009, 190). Deze nieuwe verbindingen met de realiteit aangaan – of op zijn minst wat beschouwd wordt als de realiteit – is een uitdaging. Deze verbindingen denaturaliseren gebeurtenissen en representaties van de aanvaarde manieren om de wereld te bekijken en te begrijpen.

    Het essay weerspiegelt de manier waarop menselijke belevenis en menselijk denken plaatsvindt en evolueert. Door het cruciale ter discussie stellen van autoriteitclaims en de procesmatige natuur, krijgt het essay de mogelijkheid om via ons taalgebruik de complexiteit van onze 21ste eeuwse wereld aan te spreken. In een maatschappij die de laatste decennia steeds complexer werd, mag het niet verbazen dat het essay vernieuwde kritische aandacht kreeg. Niet enkel in de literatuur maar ook in andere artistieke domeinen (zoals film- of videokunstenaars) is er een interesse in het specifieke essayistische karakter als ‘mengvorm, non-identiteit, toevalligheid, onbepaaldheid en het reflectieve’, element dat meer dan ooit resoneert met ‘het heersende theoretische gedachtepatroon en met ons sociale leven’ (Renov 173). Daarom is het essay recentelijk meer dan enkel een product geworden—het is een lees-, kijk-, en interpretatiemethode (Alter 2018.16).

    Sinds het begin van de 21ste eeuw zien we veel veranderingen op sociaal, economisch, ecologisch, politiek, filosofisch of ideologisch gebied. Voor een maatschappij is het niet eenvoudig om zich aan te passen aan zulk een snel veranderend klimaat. Hierdoor bevinden we ons mogelijk in een representatieve crisis. Onze geglobaliseerde wereld is steeds complexer, en sociale, economische, ecologische en politieke problemen zijn in elkaar verstrengeld. De representatieve crisis die we vandaag het hoofd bieden, ontstaat niet door de complexiteit zelf, maar door ons onvermogen om met complexiteit om te gaan.

    Net zoals Montaigne, en velen na hem, werd uitgedaagd in tijden van crisis, kan het essay vandaag nog steeds als een instrument functioneren om de hegemonische structuur te verbreken die ons belet om met onze complexe maatschappij om te gaan. Het essay probeert ons te weerhouden van haastig te oordelen en schort onze besluitvorming op door ons een mentale ruimte te bieden voor een proces van nadenken en oordelen. Daarnaast benadrukt het essay het belang van het rekening houden met conflictueuze meningen, de complexiteit van onze tijden en beperkingen van ons eigen oordeel. De kracht van het essay is dat het de par excellence vorm is om met onze snel ontwikkelende maatschappij om te gaan en dat het mogelijk dominante denkwijzen weerstaat door een mentale ruimte voor kritiek te bieden. Karakteristiek aan het laatste is de oppervlakkige en hardvochtige manier van oordelen, aangemoedigd en geanimeerd door (sociale) media. In tegenstelling tot de eerder beschreven Atheense situatie, waar de daad van de krisis, van weldoordacht en weloverwogen wikken en wegen cruciaal was, doen populistische politici het lijken alsof we in een maatschappij of een natie leven waar tegenstellingen de maatstaf vormen, waar tegenstanders ons aanvallen, hetgeen resulteert in vijandigheid tegenover andere meningen en de halsstarrige verdediging van de eigen individuele mening.

    Door geen nieuwe Waarheid aan te bieden, of door Totaliteit niet toe te lichten, geloof ik dat het essay een welgekomen alternatief biedt aan onze dominante manier van denken, over hoe we omgaan met onze complexe maatschappij. In zijn gematigde vorm en gezien als zijn Adorniaanse ‘kinderlijke vrijheid’, suggereert het essay het ontstaan van alternatieven voor wat er reeds beschikbaar is. Adorno’s metafoor toont de behoedzaamheid en de bescheidenheid van het essay aan, in wat schijnbaar verloren, vergeten, vastgelegd of reeds gearchiveerd werd. ‘Het essay creëert geen nieuwe vormen van subjectiviteit, realisme of van een verhaal: het herbedenkt reeds bestaande vormen als dialoog van ideeën’ (Corrigan 2010, 219). Verdergaand op dit idee, wil het essay, door geen indrukwekkende waarheidsclaims na te jagen, nieuwe ideeën ontdekken door ze te delen als een denkoefening. Door het afschaffen van de verplichting en druk om een tekst te besluiten met een krachtige analyse, een overtuigende uitspraak of een sterke mening, staat het essay een vrijheid en een openheid toe, die vitaal is voor het plaatsvinden van kritische gedachten. Gebaseerd op mijn eigen observaties en oordeelkundigheid, wordt het essay vandaag ervaren als een opluchting omwille van haar aandacht voor hoe ideeën en redevoeringen ontkiemen en groeien. In het bijzonder omwille van het verbinden van gedachten en hoe deze ideeën en redevoeringen kunnen worden uitgedaagd, weerlegd of zelfs mislukken. Het essay neemt de tijd om de complexiteit van een onderwerp te onderzoeken, de tijd om door afwijkende meningen te worden meegesleept, en de tijd om te worden toegelaten om in een staat van onzekerheid te vertoeven.

    JASPER DELBECKE

    Referenties

    Adorno, Theodor W. 1984 [1958]. “The Essay as Form”, New German Critique, No. 32. Spring – Summer, 151 – 171

    Alter, Nora M. 2007. “Translating the Essay into Film and Installation”. Journal of Visual culture, Vol. 6 (1), Los Angeles & London, SAGE Publications, 44 – 57

    — 2018. The Essay Film After Fact and Fiction, New York, Columbia University Press

    Arthur, Paul. 2003. “Essay Questions: From Alain Renais to Michael Moore”, Film Comment 39:1, January/February, pp. 58-63 

    Bense, Max. 2017 [1947].  “On the Essay and its Prose”, in Essays on the Essay Film, edited by Alter, Nora M. & Corrigan, Timothy. New York: Columbia University Press, 49-59

    Corrigan, Timothy. 2010. “The Essay Film as a Cinema of Ideas”, in Global Art Cinema: New Theories and Histories. Edited by Galt, Rosalind and Karl Schoonover. New York: Oxford University Press, 2010, 218 – 237

    — 2011. The essay film: from Montaigne, after Marker, New York: Oxford University Press.

    De Obaldia, Claire. 1995. The Essayistic Spirit: Literature, Modern Criticism, and the Essay. Oxford: Clarendon press.

    Good, Graham. 1988. The observing self: rediscovering the essay, London: Routledge and Kegan Paul.

    Hall, Michael L. 1989. “The Emergence of the Essay and the Idea of Discovery”, in Essays on the Essay: Redefining the Genre, edited by Alexander J. Butrym, 

    Kauffmann, R. Lane. 1988. “The Skewed Path: Essaying as Un-methodical Method.” in Diogenes 36 (143), pp. 66-92.

    Kritzman, D. Lawrence. 2009. The Fabulous Imagination. On Montaigne’s Essays. New York: Columbia University Press.

    Lopate, Philip. 1996. “In Search of the Centaur: The Essay Film.” in Beyond Document: Essays on Nonfiction Film. Edited by Charles Warren, Hanover: Wesleyan UP, 243-270

    Lukács, György. 2010 [1910]. “On the Nature and Form of the Essay. A Letter to Leo Popper”, in Soul & Form  Lukács, György, John T Sanders, & Katie Terezakis (eds), New York: Columbia University Press, 16-34

    Rascaroli, Laura. 2009. The Personal Camera: Subjective Cinema and the Essay Film. London: Wallflower Press.

    — .2017. How The Essay Film Thinks, New York, Oxford University Press

    Richter, Hans. 2017 [1940]. “The Film Essay. A New Type of Documentary Film”, in Essays on the Essay Film, edited by Alter, Nora M. & Corrigan, Timothy. New York: Columbia University Press, 89-92

    Renov, Michael. (2017 [1995]) “The Electronic Essay.” in Essays on the Essay Film, edited by Alter, Nora M. & Corrigan, Timothy. New York: Columbia University Press, 89-92

    Roose, Alexander. (2016). De vrolijke wijsheid : zoeken, denken en leven met Michel de Montaigne (2e druk.). Antwerpen: Polis.

  • Dr. King, ze stalen je droom en ik wil hem terug

    Dr. King, ze stalen je droom en ik wil hem terug

    door Mohamed Barrie

    Daar zit hij dan, in zijn witte hemd, pen net neergelegd. Het is eruit, alles wat hem al deze maanden dwarszat. Hij zit weer vast, alleen in een cel achtergelaten. Net genoeg ruimte om te kunnen liggen, net genoeg zonlicht om te beseffen dat hij nog op aarde is. Martin Luther King Junior is dan net klaar met het schrijven van zijn ‘Letter From a Birmingham Jail’. Het is april 1963.

    Zomervakantie 2013. Na een lange speelpleindag besluit ik wat te googelen. Een aantal scrollen en kliks verder, stuit ik op deze brief. Bij het lezen ben ik gevangen tussen een gevoel van ‘YES, say it’ en ‘hoezo lees en weet ik dit nu pas?’ Het bevestigt wat ik in Noam Chomsky’s en Edward S. Hermans  Manufactoring Consent las over massamedia en onderwijs als tools om mensen volgzaam te houden. Het bevestigt ook wat Malcolm X over de macht van de media zei. Toch bleef ik me afvragen: wat voor baat heeft een witte, elitaire klasse erbij om Martin op die manier te verkopen aan ons? Hoe waardevol is deze brief in tijden waarin dekolonisatie en diversiteit lippendienst beginnen te bewijzen aan witte instituties in België?

    Smuggling the truth

    Deze brief, geschreven op papieren handdoekjes, in de marges van krantenpapier en vervolgens uit de gevangenis gesmokkeld, is voor mij één van de meest relevante stukken uit Martin Luther Kings oeuvre.

    Vandaag in België lijken we stilletjes in de richting te gaan van gesprekken rond dekolonisatie en superdiversiteit. We hebben nu een generatie van jongeren met diverse roots, die zelf het woord nemen en als gelijkwaardige actoren optreden in de maatschappelijke debatten. Opmerkelijk hierin is de positionering van zogenaamde linkse en liberale krachten. Ze lijken een patent op dit aspect van de samenleving te claimen en reageren met verbijstering en ongemak. Zijn de reacties van deze mensen uit de linkse en liberale hoek zo anders dan vroeger? Martins boodschap getuigt alvast van niet.

    I have almost reached the regrettable conclusion that the Negro’s great stumbling block in the stride toward freedom is not the White Citizens Councilor or the Ku Klux Klanner, but the white moderate who is more devoted to order than to justice. Who is more devoted to “order” than to justice; who prefers a negative peace which is the absence of tension to a positive peace which is the presence of justice; who constantly says: “I agree with you in the goal you seek, but I cannot agree with your methods of direct action”; who paternalistically believes he can set the timetable for another man’s freedom; who lives by a mythical concept of time and who constantly advises the Negro to wait for a “more convenient season.”, law and order exist for the purpose of establishing justice and that when they fail in this purpose they become the dangerously structured dams that block the flow of social progress.” MLK, 1963

    Wat King hier vaststelt, is de kern van wat vele jongeren met andere roots, waaronder ikzelf, ervaren nu we soms zelf een plek hebben aan de tafels waar men vroeger over ons sprak en besliste wat goed was voor ons. Helaas moet ik toegeven, dat er niet zoveel veranderd is: nog steeds wil men onze verhalen conditioneren of in onze plaats blijven spreken. Zoals Rachida Aziz terecht vaststelt in haar boek, moeten we het andere blijven; zij die een kans krijgen en dankbaar moeten zijn. Wij zijn inwisselbaar.

    Romantiseren van Black History, voor witte gemak

    De manier waarop de mainstream Dr. King knuffelbaar heeft gemaakt, getuigt van de manier waarop macht werkt. Het neemt alle inhoudelijke kritiek weg op het systeem dat onmenselijkheid en ongelijkheid in stand houdt, en bezorgt de massa het ideaal en de illusie van een kleurenblinde samenleving. In deze tijden van een zogenaamd debat rond dekolonisatie is het van belang om opnieuw waakzaam te zijn over het uitwissen en verdringen van de diepere boodschap van helden als Martin.

    Dr. King, in al zijn pogingen om mensen te verenigen, besefte in de laatste jaren van zijn leven dat hij Afro-Amerikanen in een brandend huis had gebracht. In vele opzichten zou men King de dag van vandaag als radicaal bestempelen. Dit was ook het geval in de maanden voor zijn moord. Zijn intersectionele strijd, gekant tegen onrecht in al haar vormen – racisme, neoliberalisme, kapitalisme en zijn oorlogsmachine tegen mens en natuur – bezorgde Dr. King de kogel.

    Net als het geval is bij Dr. King, wordt over vele helden die strijden voor vrijheden voor zwarte mensen na hun dood een romantische versie verteld en verspreid door dezelfde machtsstructuren die hen het leven zuur hadden gemaakt. Rosa Parks en Nelson Mandela zijn andere schoolvoorbeelden hiervan. Hun verhalen zijn nu verwerkt tot aanvaardbare versies. Maar wat met hun authenticiteit, hun woede, hun frustraties en wanhoop?

    Respectability politics

    “The signature of respectability politics is its disavowal of the legitimacy of black rage.“

    Michelle Smith

    Respectability is een toevluchtsoord, een coping mechanism van gemarginaliseerde mensen om bepaalde rechten te bekomen die ze tekort komen, en hiervoor beroepen ze zich op een keurigheidsprincipe. Dit omdat men ervan uitgaat dat ze zich moeten plooien naar “mainstream” of  witte normen en waarden. Discrimineert men jou op de arbeidsmarkt? Stop met zeuren, doe iets aan je houding, pas je aan: assimileer!

    Het gaat erom dat je alles doet om niet te voldoen aan dat beeld van de ‘ander’, de ‘barbaar’, zodat je zowel in taal, kleding als manier van doen zo dicht mogelijk de witte heteronormen benadert. Pas dan zal men je serieus nemen, is dan het uitgangspunt. In vele gevallen zie je in België dat Belgen met andere roots zich ‘keurig’ gaan gedragen, kleden en presenteren. Afro-Amerikanen deden dit door zich in kostuum te hulden, hun kroeshaar te ontkroezen en vooral hun woede en emoties over onrecht in te houden – of ten minsten eloquent uit te spreken.

    Rosa Parks x Claudette Colvin

    In vele versies wordt Rosa afgeschilderd als een keurige oude vrouw die vermoeid van haar werk kwam en als gevolg weigerde haar plek af te staan in de bus. Hieruit ontstond een ‘spontane’ actie van Afro-Amerikanen.

    In Montgomery, in het museum van Rosa Parks, wordt in een op een bus geprojecteerde film precies nagespeeld hoe deze keurige activist weigerde achterin de bus te gaan zitten, waarna ze werd gearresteerd.” Volkskrant,2018

    Op 1 december 1955 nam Rosa Parks, een toen 42-jarige Afro-Amerikaanse naaister, de Montgomery bus in Alabama na een dag werken. Ze nam ergens in het midden van de bus plaats, vlak achter de plekken die gereserveerd waren voor de blanken, want in 1955 moesten gekleurde mensen nog achter in de bus zitten. Waarschijnlijk had ze voordat ze instapte niet bedacht dat dit doodgewone busritje haar leven en de geschiedenis van de wereld compleet zou veranderen. Women who changed the world

    Rosa Parks was echter een activiste die reeds jaren bezig was in de Civil Rights Movements. Via haar werk in de NAACP werd ze een belangrijke figuur in deze beweging. Na haar befaamde busactie bleef ze nog steeds een belangrijke rol spelen als activiste, o.a. in haar werk Freedom for Political Prisoners.

    Wanneer Rosa Parks op 1 december 1955 weigerde op te staan voor een witte passagier, was dit een bewuste en geplande actie vanuit haar engagement in de Civil Rights Movement. Maanden voor Rosa haar plaats weigerde af te staan, had je Claudette Colvin. Alleen hield respectabilty politics haar tot 2009 uit de geschiedenisboeken …

    In een gesprek met BBC vertelt Colvin haar verhaal. In een context van verplichte segregatie, vond ze een lichtpunt in het onderwijs dat ze genoot in een all black school.

    “They lectured us about Harriet Tubman and Sojourner Truth and we were taught about an opera singer called Marian Anderson who wasn’t allowed to sing at Constitutional Hall just because she was black, so she sang at Lincoln Memorial instead.” Colvin, 2009

    Op twee maart 1955 neemt ze na school de bus met vrienden. Omdat de bus vol zit, zet ze zich op de ‘for blacks’ zitjes halverwege de bus. Tot er een jonge witte vrouw opstapte in de volle bus, waardoor zij hun plaats moesten opgeven. Haar vriendinnen gaven hun zitjes schoorvoetend af, maar Colvin weigerde op te staan.

    “I say it felt as though Harriet Tubman’s hands were pushing me down on one shoulder and Sojourner Truth’s hands were pushing me down on the other shoulder. I felt inspired by these women because my teacher taught us about them in so much detail,” Colvin, 2009

    Een halte verder werd ze door de politie opgewacht, maar ook voor hen stond ze niet op. Hardhandig werd dit vijftienjarige meisje opgepakt en verdween ze in een kleine cel bij de volwassenen, in plaats van bij de jongeren. Na drie uur in een eenzame cel werd ze door haar moeder en pastoor uit de gevangenis gelaten.

    Ze was bereid om klacht in te dienen, maar de NAACP vond dat ze niet het juiste profiel had. De focus zou te veel gaan liggen op het feit dat ze ‘niet perfect’ was.

    Dus werd Rosa Parks gekozen om de busactie op te zetten. Parks, die Colvin goed kende via hun zondagse kerkschool, stond bekend als een zeer bekwame kerkganger en was al betrokken bij de NAACP.

    “They (NAACP) said they didn’t want to use a pregnant teenager because it would be controversial and the people would talk about the pregnancy more than the boycott,” Colvin, 2009

    En zo was het Rosa Park en niet Claudette Colvin die de geschiedenisboeken in ging als de standvastige zwarte vrouw die een nieuwe vlam tegen racisme en segregatie deed oprakelen. Want zonder de Montgomery busboycot heb je geen Martin Luther King Jr. en wie weet hoe het dan zou hebben uitgedraaid. Men wist immers dat met Colvin de focus zou worden afgeleid van het racisme dat ze meemaakte en het structurele verhaal. Dit is een praktijk die tot op de dag van vandaag doorgaat bij racistische incidenten. Het structurele en racistische element wordt plots in de hoek geparkeerd om de geloofwaardigheid van het individu in kwestie in vraag te stellen. #Pukkelpop

    Nelson Mandela de terrorist

    Nelson Rolihlahla Mandela was een man die zijn naam in ere hield. Rolihlahla, dat zoveel als troublemaker betekent, is in de witte wereld, op MLK Jr. na, zowat de meest geromantiseerde figuur die er is. Maar tot 2008 stond hij op de lijst van terroristen die in de gaten moest worden gehouden door de Verenigde Staten.

    Dit omdat Mandela bij aanvang met het ANC (African National Congress) absoluut niet bang was om geweld te gebruiken. Omdat hij er nu eenmaal van overtuigd was dat kolonisatie in de vorm van apartheid het leven van zwarte Zuid-Afrikanen onmogelijk maakte. Het ANC pleegde talloze bomaanvallen, meestal gericht op instituten, gebouwen en niet zozeer op mensen.

    In de 2016 verschenen film-docu Mandela’s Gun wordt dit goed in beeld gebracht. De film beeldt de dagen van Mandela als guerillavechter af. Net als in zijn autobiografie, A Long Walk to Freedom, heeft hij het over zijn training in verschillende landen die toen Afrikaans verzet boden tegen koloniale machten op Afrikaanse bodem. Dit was ook de reden waarom de Amerikaanse CIA en Britse KGB hem in de gaten hielden. In 1962 werd hij dan ook gearresteerd, dankzij een tip van de CIA.

    In een interview met The Guardian zegt de regisseur John Irvin het volgende:

    “I think what our story tells is about the man who was, if needs to be, prepared to blow things up and kill as well as die for a cause and for justice, for dignity,” he said. “He was modelling himself at that time in Ethiopia on Che Guevara and Fidel Castro. This is an aspect of his revolutionary stance which I think deserves recognition.”

    Het verhaal nadien kennen we allemaal. Mandela spendeert 27 jaar van zijn leven in de gevangenis en wordt nadien in 1995 de eerste zwarte president van Zuid-Afrika. Dit zou de formele afschaffing worden van het apartheidsregime, maar tot de dag van vandaag leven zwarte mensen in Zuid-Afrika nog in een vorm van apartheid, want ondanks het symbolische en inspirerende verhaal van Mandela is Zuid-Afrika nog altijd structureel een staat van apartheid. Dit zien we het best in de townships.

    Zo werkt het dus: Rosa was ‘oud en moe’, Mandela was ‘passief en verzoenend’, en Dr. King, die was toch ‘kleurenblind’? Tegenover hen krijgen we Claudette Colvin, Steve Biko en Malcolm X. Als Parks, Mandela en Dr. King ondertussen als helden worden beschouwd door de machthebbers, dan zijn deze laatsten voor hen de boemannen.

    Malcolm X wordt afgeschilderd als een gewelddadige fanaat die “by any means necessary” de weg naar bevrijding wou bewandelen. Is dit nu net niet wat John Irvings schets zei over Mandela? Is dat de reden waarom de versie van MLK die te lezen is in zijn brief verder weg zit in ons cultureel geheugen, omdat hij begon te zien waar Malcolm reeds over sprak? Want de versies van Mandela en King die men ons serveert, creëren niet alleen een specifiek beeld van hen; ze bepalen ook de handelingen en discours van degenen die in hun voetsporen willen treden. En dus zal je steeds minder de opstandige versies van Mandela en King voorgeschoteld krijgen en meer de “we shall overcome”, “turn the other cheeck” en zullen zij niet zoals Malcolm X tot in de muziek voelbaar zijn,  #PublicEnemie #Soulart #deadprez, want terwijl jongeren nog steeds voeling hebben met Malcolm, zijn Mandela en King steeds in de handen van de liberale en linkse krachten aan wie MLK’s brief was gericht. Oh, ironie.

    Terug naar respectability politics. Deze politiek, gevoerd door Dr. King en de zijnen, is geen natuurlijk fenomeen, maar een strategie waarvan men dacht dat ze zou helpen bij het bekomen van rechten. Deze machtsdynamiek begrijpen vele zwarte mensen nog steeds, ook hier in België. Dit is echter het dwingende keurslijf waarin racisme zwarte mensen plaatst en waarmee velen denken racisme uit de wereld te kunnen helpen, namelijk door zich keurig te gedragen en hun woede weg te stoppen. Zo zal de witte wereld luisteren #wezijnermeebezig. Martin Luther King was tot in de gevangenis in Birmingham ook hiervan overtuigd. Dit was het grootste verschil tussen hem en Malcolm X aan de ene kant en de generatie van Black Power aan de andere kant.

    Waarnaartoe dan met deze droom?

    De witte wereld focust zich steeds op Martins droom, maar de focus zou voor mij hierop moeten liggen:

    I have almost reached the regrettable conclusion that the Negro’s great stumbling block in the stride toward freedom is not the White Citizens Councilor or the Ku Klux Klanner, but the white moderate”.

    Dit soort figuren zullen zwarte mensen immers steeds blijven vertellen hoe wij onze strijd tegen racisme moeten voeren. Hoe zwarte mensen zelfliefde mogen uitoefenen. Dat witte privileges niet bestaan. En zij zijn met velen. Ze hebben macht in witte instituten; het zijn de mensen die steeds zeggen: nog niet. Ze houden steeds rekening met witte tranen, maar vragen geduld van zwarte mensen wiens pijn minder relevant lijkt #wezijnermeebezig.

    Aan hen zeg ik, nu we de tijden van diversiteit en superdiversiteit achter ons laten en richting dekolonisatie gaan, sit down and be humble. Dekolonisatie is weer hip en heel wat instituten hebben er de mond van vol, maar als het einddoel van jouw dekolonisatie niet draait om het deconstrueren en democratiseren van macht, ben je onderdeel van het probleem.

    Creëer geen ruimtes in onze namen, zonder dat wij de leiding nemen. Liever nog, geef ons desnoods de ruimte en de mogelijkheden om deze ruimtes zelf te creëren. Want het proces van dekolonisatie is te ver gekomen om nu gekoloniseerd te worden door witte weldoeners die peace and love voor iedereen beogen, zonder macht te democratiseren.

    Veel te lang heeft de witte, neoliberale en kapitalistische wereld de mens in een put geduwd, om er vervolgens munt uit te slaan. Deze wereld verdient geld aan de creatie van zelfhaat bij donkere mensen; ze verdient geld aan het uithollen van de sociale systemen; ze verdient geld aan oorlog; ze verdient geld aan gecreëerde ideaalbeelden; ze verdient geld aan de uitbuiting van mens, dier en natuur over de hele wereld.

    Maar terug naar King. Mocht King nu nog leven, zou hij terecht zorgen dat wij zijn mensen niet opnieuw in een brandend neoliberaal, racistisch en kapitalistisch huis zouden integreren. Het huis is dit land, dat zijn macht misbruikt om mensen tegen elkaar uit te spelen met valse beloftes van zelfontplooiing, met alle gevolgen van dien. Het heeft ons genoeg bloedvergieten en trauma’s bezorgd. Het is tijd om een nieuw huis te bouwen. Dat gevoel leeft vandaag de dag wel, maar ik moet toegeven dat de kernvraag is: wat voor samenleving willen we zijn?

    Samen of toch niet?

    I

    Ik besef dat het romantiseren van verhalen van figuren zoals Martin Luther King enorm handig is voor de witte wereld, de rijke elite en mensen met macht zowel langs de linker- als de rechterzijde van het politieke spectrum.

    Voor de rechts- en neoliberalen kan zijn droom misbruik worden om te zeggen dat de idealen waar hij voor vocht bereikt zijn, want we kunnen stemmen en wettelijk gezien is iedereen gelijk. En dus zeggen ze: waar hebben deze mensen het nog over? Voor de linksen kan zijn droom dan worden gebruikt om een soort façade te creëren van hun historische bijdrage om zowel mensen met andere roots als armen te helpen. Hoewel dit een kern van waarheid bezit, is links ook altijd deel van het probleem geweest. Dit schetst Martin Luther ook in zijn brief.

    Zo heb je scholen en cultuurhuizen die graag hun zalen en aula’s willen vullen met een divers publiek, meer jongeren met andere roots willen aantrekken, maar weigeren fundamentele zaken te laten wijzigen. Neen, het gaat niet alleen om instroom en doorstroomcijfers. Het gaat in vele gevallen om demografische verschuivingen, waardoor men beseft dat er wel toenadering moet gezocht worden tot bepaalde groepen om te overleven als instituties. Het zij zo, maar ik zie veel jongeren die niet overtuigd zijn door deze trucjes.

    Want hoewel veel onder ons de eigen geesten en attitudes nog moeten dekoloniseren, zullen we dit samen doen met onze leefwerelden. En we zullen geen  respectabilty politics voeren om basisrechten te bekomen waar we als mens recht op hebben. Want als België ons wilt omarmen als Afro-Belgen, moet dit gebeuren op een manier die al wat ons uniek en menselijk maakt, accepteert. Van assimilatie en respectability kan er geen sprake zijn.

    We bouwen

    In Antwerpen en ver daarbuiten zie ik jongeren die enorme stappen zetten om het samenleven aangenamer te maken. We bouwen eigen organisaties en bruggen naar de rest van de samenleving.

    De optimist in mij is opgetogen als ik zie hoeveel talent en passie rondom mij bloeit, hoewel alles wat King in zijn brief omschrijft nog steeds het geval is. Ik zie een generatie die de weg baant naar een inclusieve en gelijkwaardige samenleving. Mijn generatie zal echter niet zo naïef zijn om zichzelf aan een brandend huis te confirmeren. Neen, we hebben alle kennis, middelen en mogelijkheden om eigen huizen te bouwen, om dan met een gerust gemoed als volwaardige partner aan tafel te zitten. Mijn generatie is terecht de weg ingeslagen van het heft in eigen handen nemen, want het draait voor ons niet om diversiteit, superdiversiteit en al deze woorden. Het gaat ons om het menszijn, een reflectie van een canvas die onze steden rijk zijn, niet meer, niet minder.

  • Kerstactie

    Kerstactie

    Heb je al van onze kerstactie gehoord? Bestel #35 Denkmal voor 20 december* en ontvang gratis naar keuze #34 Sparagmos, #33 De Waarheid of #32 Pallaksch.
    Vermeld bij je bestelling in het hokje “Bestelnotities” de code KERST2018 en welk nummer je er graag extra bij wil.
    Nog geen idee wat te kopen voor je leesgrage vrienden en familie? Kluger Hans snelt je tegemoet met een ideale oplossing: twee Kluger Hansen voor de prijs van één. Een mooie aanvulling voor ieders boekenkast, want (al zeggen we het zelf) een Kluger Hans gooi je niet weg eens je hem gelezen hebt.
    (*Kwestie van ze op tijd te ontvangen voor onder de kerstboom ? ?)

    #35 Denkmal

  • Literaire Reservaat: ‘absolute beginners’

    Literaire Reservaat: ‘absolute beginners’

    ‘Absolute beginners’ is het thema van ons tweede Literair Reservaat (een moment van ontmoeting en debat over de letteren) dat op 18 november zal doorgaan in samenwerking met deBuren en rekto:verso.

    Is iedere auteur een eeuwige debutant? Start elke literaire tekst van een tabula rasa? Of hebben we de traditie, met haar overgeleverde normen en voorschriften, net nodig om in de kantlijnen te krabbelen, te doorstrepen en te onderstrepen? Welke vernieuwingen of hernieuwingen staan vandaag, in 2018, voor de deur? Welke onverwachte bochten liggen voor het woord in het verschiet? Journalistieke fictie? Interactieve poëzie? Dansbare essayistiek? Laat ons aan een nieuw hoofdstuk beginnen! Of moeten we zeggen: herbeginnen?

    Tijdens dit tweede Literair Reservaat kun je in gesprek gaan met een mix van ervaren schrijvers, beginnende namen en absolute debutanten. Schuif mee aan tafel en maak kennis met: Obe Alkema, Jelko Arts, Simone Atangana Bekono, Yousra Benfquih, Uschi Cop, Pim Cornelussen, Dominique De Groen, Dewi de Nijs Bik, Nikki Dekker, Hans Depelchin, Vicky Francken, Rozalie Hirs, Adriána Kóbor, Lotte Lentes, Joost Oomen, Iduna Paalman, Xavier Roelens, Aya Sabi, Yelena Schmitz, Oscar Spaans, Bas Tuurder, Max Urai, Younes van den Broeck, Michaël Vandebril, Bob Vanden Broeck, Christophe Vekeman. Alstublieft!Maar dat is nog niet alles. Sofie Alossery, Tessa van Wijnen en Tania Verhelst werden geselecteerd om een betoog te houden over het thema ‘Absolute Beginners’. Jan Ducheyne & Noodzakelijk Kwaad leiden de namiddag in goede banen.

  • Kluger Hans neemt afscheid van hoofdredacteur Jonas Vanderschueren

    Kluger Hans neemt afscheid van hoofdredacteur Jonas Vanderschueren

    Toen in het voorjaar van 2016 duidelijk werd dat de meeste leden van de toenmalige redactieploeg van Kluger Hans andere oorden en bezigheden wilden opzoeken, was Jonas Vanderschueren bij het tijdschrift actief als stagestudent. Hij verzamelde in het najaar 2016 een bijna volledig nieuwe ploeg rond zich en bouwde een stevig netwerk uit, vanuit de overtuiging dat in het huidige literaire landschap van de Lage Landen een tijdschrift als Kluger Hans broodnodig is en blijft. Kluger Hans profileert zich immers sinds enkele jaren als literair boorplatform voor onbekend talent. Het is absoluut noodzakelijk dat nieuwe stemmen in de literatuur aan bod kunnen komen en kansen krijgen om te groeien. Onder leiding van Jonas werd deze missie in het nieuwe meerjarenplan 2017-2020 opnieuw opgenomen, versterkt en uitgebreid.

    Versterkt, doordat Kluger Hans het woord in al zijn verschijningsvormen aan bod laat komen, of het nu gaat om drukwerk, digitale media of evenementen. Uitgebreid, omdat Kluger Hans nu nog intensiever inzet op talentontwikkeling, door het organiseren van feedbackworkshops en evenementen. Op die manier liet Jonas Kluger Hans doorgroeien tot een community waar hongerige lezers en gulle auteurs elkaar ontmoeten.

    Zulke dingen komen niet vanzelf. Een literair tijdschrift in Vlaanderen is vandaag altijd het resultaat van vrijwilligerswerk, wat dus wil zeggen van veel overleg, gezwoeg en geploeter van individuen met eigen inzichten en bekommernissen. Zonder de kracht van een duidelijke visie en overtuigingskracht komen ambities en wilde dromen al snel in botsing met de taaie realiteit van deadlines, krappe financiën en drukke agenda’s. Het is de verdienste van Jonas dat hij het tijdschrift tijdens de eerste twee jaar van de derde generatie binnen Kluger Hans door de niet altijd even rustige wateren heeft geloodst. Het was een zaak van dingen uitproberen, mensen meekrijgen, veel nachtwerk en steeds opnieuw beginnen.

    Midden 2018 maakte Jonas duidelijk dat ook voor hem andere oorden en andere bezigheden lonken. De wereld van het theater, en meer bepaald het Poolse theater, zal de komende jaren zijn aandacht en energie vragen. De voltallige ploeg van Kluger Hans, onder leiding van de nieuwe hoofdredacteur Yasmin Van ‘tveld, wenst hem daarbij alle succes.

  • ABONNEMENTSACTIE!

    ABONNEMENTSACTIE!


    Word vóór 31 oktober (opnieuw) lid en ontvang gratis een nummer van Kluger Hans uit het mooie archief.

    Om ons tienjarig bestaan te vieren, ondernemen we namelijk een reis door het verleden en halen we onze eerdere nummers van onder het stof.

    Bestel je lidmaatschap hier en vertel ons via ‘bestelnotities’ welk nummer je graag van ons cadeau krijgt.* Doe je dat laatste niet en word je graag verrast, dan kiest een redacteur een nummer om je toe te zenden. Bekijk het overzicht om je geheugen op te frissen of haal inspiratie uit de favoriete edities van de oud-redactie!

    (* Zolang de voorraad strekt.)

  • #35 Denkmal

    #35 Denkmal

    Wat is dat toch met literatuur en geheugen? Ze lijken aan elkaar geklit als een Siamese tweeling. Leven we nog steeds in de ban van Marcel Proust? Van A la recherche du temps perdu tot en met Mijn strijd van Karl Ove Knausgård loopt een rechte lijn. Of kan literatuur ook een daad van ontkenning zijn, van tegenspraak en tegengeluid, met veelstemmigheid als remedie tegen het dominante discours? Deze veelstemmigheid is nodig om de sluimerende betekenissen in onze straten en pleinen, het nauwelijks hoorbare geroezemoes in onze levens, aan de oppervlakte te brengen. Dagelijks komen we voorbij standbeelden waarvan we niet weten wie of wat ze voorstellen, laat staan door wie ze werden gemaakt. Gestolde herinneringen. We hebben nood aan een archeologie van onze eigen levens, die blootlegt wat we misschien maar al te graag wilden vergeten.

    Want onschuldige woorden bestaan niet, onschadelijke beelden evenmin.

    We zijn als redactie blij een extra beeldig nummer te kunnen voorleggen. Naast het werk van Milena Naef, die lichamelijkheid en monumentaliteit met elkaar confronteert, is er de selectie van de Zomerkaping 2018 (een organisatie van Jeugd en Poëzie). De fijne resultaten van de samenwerking tussen jonge woordwerkers en grafische kunstenaars ontdek je in dit nummer. Bovendien is er het ketting-verhaal van verschillende auteurs dat tot stand kwam tijdens het Cement-festival en de selectie uit de open oproep, die alweer enthousiast werd beantwoord.

    Auteurs: Annelies Leysen, Astrid Vandendael, Benjamin De Roover, Bouke Schut, Dennis Pauwels, Dewi de Nijs Bik, Emma van Hooff, Els Dillen, Felix Sandon, Femme ter Haar, Hannah Timmermans, Jens Meijen, Johanne Ampe, Joke van Leeuwen, Juicy Dune IJsselmuiden, Laura Op ’t Eynde, Lisanne van Aert, Lotte Lola Vermeer, Lotte Ogiers, Marieke Ornelis, Marieke Polderdijk, Marjan De Ridder, Merel van Slobbe, Pieter Van de Walle, Rosalien Helsen, Sam Hoeck, Sofie Van Breuseghem en Stella Legioen.

    BESTEL #35 denkmal HIER

  • Literaire Schurft in de Kerk: 21 oktober 2018 in Gent

    Literaire Schurft in de Kerk: 21 oktober 2018 in Gent


    Literaire Schurft staat op 21 oktober 2018 in het teken van Denkmal, tevens de titel en het thema van het najaarsnummer van Kluger Hans. Wat is herdenken en wat is verdringen? Is elke herinnering een vorm van vergeten? Wat hebben standbeelden te vertellen en wat verzwijgen ze?

     

    Van 16 uur tot 18.30 uur, in de Sint-Jozefkerk in Gent (Wondelgemstraat), bieden we je een film, een performance, een open brief, een theatrale woordenoorlog, een tombola! Allemaal rond het thema herinneren en herdenken.

     

    Inkom: €3 standaardprijs, €1 voor studenten en werklozen, gratis voor leden van Kluger Hans. (Tickets enkel add.)

     

    We starten om 16 uur met een film! Journaliste en cineaste Zaïde Bil opent deze Literaire Schurft. Met ‘I remember’ (Memre Yu) maakte ze een documentaire over een huis in Suriname. Decennia geleden kwam haar eigen familie naar Nederland. Sindsdien werkt het vervallen huis als een katalysator van gedeelde herinneringen, meningsverschillen en zorgen over de toekomst. Na de film volgt een gesprek met Zaïde.

     

    Wat vertellen standbeelden en wat verzwijgen ze? Astrid Haerens, die in eerder werk graag de openbare ruimte op een eigenzinnige manier verkende, brengt een gloednieuw verhaal over standbeelden.

     

    Joachim Ben Yakoub stelt in een open brief aan koning Filip de vraag wat er moet gebeuren met de vele standbeelden van diens oud-overgrootoom, zoals dat aan het Troonplein in Brussel. Meer en meer jongeren die hier geboren zijn, en wier ouders uit Congo of andere koloniën afkomstig zijn, hebben immers genoeg van de dagelijkse vernedering die het bronzen standbeeld oproept én het racisme dat het symboliseert. Joachim Ben Yakoub is als pedagoog en sociaal agoog verbonden aan de MENARG en S:PAM-onderzoeksgroepen van de UGENT.

     

    Meteen na de open brief volgt een theatrale woordenwisseling, waarin Pieter Cools en Simon Den Haerynck Leopold II en koning Filip aan het woord laten. Filip kondigt aan dat hij de beelden van Koning Leopold II uit het straatbeeld wil verwijderen. Hij had niet verwacht dat de bebaarde koning zou terugkomen om zijn nakomeling van antwoord te dienen. De theatrale woordenwisseling past in het project word wa(a)r.

     

    Ook Kluger Hans herdenkt. We bestaan tien jaar en kijken even achterom. Tijd voor een tombola van oud en nieuw materiaal uit de korte, maar rijk gevulde geschiedenis van een eigenzinnig fenomeen!

    Op Literaire Schurft wordt ook het nieuwe nummer Kluger Hans #35 Denkmal gelanceerd. Samen met de auteurs gingen we op zoek naar plaatsen waar de hedendaagse monumentaliteit zich ophoudt, naar de plekken waar aandenken en herdenken een nieuwe invulling krijgen. De beeldhouwwerken uit de reeks Fleeting Parts van kunstenares Milena Naef werden hierbij geselecteerd als treffende beeldbijdrage.

    Literaire Schurft: meer info

    Afbeelding: Detail van: Milena Naef, Fleeting Parts, Plate 160209, Cristallina marmer, 102 x 58 cm. Foto door Bibi Altink.

  • #34: Sparagmos

    #34: Sparagmos


    BESTEL #34 Sparagmos HIER

    Met bijdragen van Sofie Alossery, Solli Asemani, sieger baljon, Nele Buyst, Michiel Cox, Ingeborg Daniëls, Radna Fabias, PEter Gieskens, Giuseppe Minervini, Ilona Roesli, Lisa Rooijackers, Carlo Siau, Oscar Spaans, Isabelle STockmans, Dries Van Doorn, Jean-Luc van Ijperen, Anneleen Van Offel en Michiel Van Opstal. Beeldbijdragen van Bram Demunter (schilder) en Maarten Van Praet (illustrator).

    De moderne samenleving is complex. Met meer dan zeven miljard mensen op aarde en snel slinkende natuurlijke rijkdommen, met flitsend snelle communicatiemiddelen zoals het internet en steeds snellere vervoersmogelijkheden, lijkt de wereld steeds onoverzichtelijker te worden. Soms lijkt het alsof er in die schijnlijke wanorde enkel structuur gebracht kan worden als we onszelf onderwerpen aan de ratio, aan de praktische rede, om zo onszelf te behoeden van angstaanjagende catastrofes.

    Maar is dat wel zo? Zestig jaar geleden betoogden Theodor Adorno en Max Horkheimer net het omgekeerde. De praktische rede, die alles in wiskundige modellen vast probeert te leggen en enkel oog heeft voor observeerbare feiten, was voor hen geen redding uit de chaos – ze lag net mede ten gronde aan de crisis van de moderniteit. Dat empirisme, dat enkel oog heeft voor koude feiten, verloor volgens hen elk zicht op het menselijke en daarmee ook de essentie van de werkelijkheid. Die onderdrukking van het menselijke – die o.a. zijn uitdrukking vond in consumptiecultuur en emotionele vervlakking – vond volgens hen zijn oorsprong in de onderwerping van de natuur aan die empirische rede. Vervreemd van zichzelf en van de maatschappij, schreven ze over hoe het individu zijn heil zocht in een sterke leider die zekerheid en structuur kon aanbrengen in de chaos. Als Duitse intellectueel met een joodse achtergrond zag Adorno in deze tendensen een rechtstreekse weg naar de gaskamers van Auschwitz.

    Vandaag leven we in een andere wereld, maar wel een die gebouwd is op de brokstukken van wat vooraf ging. Daarom: Sparagmos. Het extatisch openrijten van een levend wezen als overgangsritueel om een samenleving (opnieuw) samen te smeden. In Bakchai verkent Euripides de verhoudingen tussen de rede en het (oer-)menselijke, met als symbolisch figuur Dionysos. Hoe kan de God van de waanzin, de wijn, en de blinde geloofsijver eens plaats krijgen in de rationele Oud-Griekse samenleving? Is het mogelijk om een ruimte te scheppen voor het irrationele, is het mogelijk om ons te emanciperen van de koele rede en om een andere, misschien meer doorleefde blik op het bestaan te ontwikkelen? Of regeert de waanzin dan soeverein?

    In dit nummer van Kluger Hans zoeken we een aanzet tot antwoord. Hoe zoekt de rede wanhopig naar het redeloze? Kan de waanzin ons emanciperen? Kan sparagmos ons helpen om los te breken uit de schijnbaar eindeloze cyclus van onderwerping?

  • Stel je kandidaat voor de schrijfresidentie van deBuren!


    Elke zomer gaat deBuren met jonge woordwerkers naar Parijs. Ze krijgen er de kans om twee weken lang aan nieuw materiaal te werken en in gesprek te gaan met elkaar en met gerenommeerde auteurs en sleutelfiguren uit het literaire veld en het medialandschap. Voor, tijdens en na de residentie stellen de makers enkele keren met een redacteur hun werk op scherp.
    De schrijfresidentie in de Stichting Biermans-Lapôtre is voor schrijftalenten van 18 tot en met 30 jaar oud en het is allemaal echt zo chique als het klinkt. De schrijfresidentie vindt plaats van 1 juli t.e.m. 13 juli 2018. Logies, reis- en spijskosten worden vergoed.
    Meer info over de kandidaatstelling vind je op de website van deBuren.

    Dinsdag 6 februari is er bovendien een informatieavond in Perdu.

  • De vrouw die van de aarde viel // 4


    De vrouw die van de aarde viel is een multimediaal project over hoe je soms van iets weg moet rennen om het te kunnen omarmen. Charlotte Peys illustreert en Pim Cornelussen schrijft. De komende maand publiceert Kluger Hans elke week een aflevering van dit verhaal over hoe de verbeelding een schuilplaats voor de werkelijkheid kan zijn. Naast een prentenboek zal er ook een theatervoorstelling van gemaakt worden die in oktober 2018 in premiere gaat.


    Alle raven fladderden op en krasten opgewonden door elkaar.

    ‘Wel, ben je klaar?’, klonk het vanuit de hoogte.

    Ik doorzocht al mijn zakken nog een laatste keer. Misschien had ik wel ergens overheen gekeken. Er zat niets in. Verslagen liet ik me neerzakken op het bladerdek. Het duizelde in mijn hoofd. Het zouden dus mijn ogen worden. Daar viel nu niets meer aan te doen.

    ‘Gggggoed’, stotterde ik, ‘wacht even’.

    Ik stelde me voor dat ik vanaf nu enkel nog met stemmen zou leven, maar nooit meer zou weten wie er bij die stem hoorde. Er zouden enkel nog zwarte gaten zijn waar geluid uit kwam. Ik dacht aan de echte zwarte gaten in de ruimte en dacht dat iemand zonder ogen daar op een vreemde manier mee verwant was. Achter mijn rug hoorde ik Elena en Thalia heen en weer schuifelen.

    ‘Wat ben je aan het doen’, werd er gekrast.

    ‘Ik ben afscheid aan het nemen!’, riep ik naar boven.

    Daarna voelde ik op elke schouder twee poten.

    Twee kraaien die in mijn gezicht hijgde.

    ‘Stil staan nu’, giechelde er een.

    Ik herinner me dat ik een snavel langs mijn neus voelde gaan. Hij was glad en hard. Ik herinner me dat ik mijn mond open sperde, dat ik mijn mond zo ver mogelijk open sperde.

    Daarna werd alles zwart.

    Alsof je wegzakt in een inktzwarte duisternis.

    Eerst heb je het gevoel dat je vanbinnen vloeibaar wordt.

    Je buik, je benen, je armen.

    Alles loopt razendsnel in elkaar over.

    Dan verdwijnt ook het gevoel dat je lichaam één geheel is.

    Aardedonker.

    Je adem stokt.

    Je ogen open noch dicht.

    Stilte.

    Ik herinner me dat toen ik wakker werd mijn lichaam bevroren leek. Dat ik lange tijd gewoon stil lag, in gedachte mijn ogen nog dicht had. Dat het tipje van mijn rechterpink het eerste was dat ik kon bewegen. Dat ik mijn ogen niet open durfde te doen.

    Dat ik me langzaam uitrekte en schrok omdat ik alleen maar aarde voelde, koud, zacht en nattig. Dat toen ik omhoog probeerde te komen een hand me tegen hield. Een stem die iets onverstaanbaars fluisterde. Ik herinner me de geur van die stem, voordat ik weg zakte en weer in slaap viel.

    ‘Dit was misschien een beetje teveel gruwel, zo meteen in het begin van onze tocht’, hoorde ik Thalia zeggen.

    ‘Dit was ook niet helemaal wat ik voor ogen had toen we op weg gingen’, zei Elena.

    Ik zat op de rug van een van beide en schommelde bij iedere stap heen en weer. Ik voelde de zon op mijn voorhoofd en proefde iets als ijzer op mijn lippen.

    Om de tijd werd ik neergezet en wisselde ik van rug. De wisseling gebeurde zwijgend, nooit spraken ze mij aan. Zo liepen we dagen achtereen zonder dat ik een woord met een van hen wisselde. Ik was vanaf nu de stille last. Ik voelde de wind langs mijn gezicht vliegen en in gedachte hield ik mijn ogen nog altijd dicht.

    Toen, op een ochtend, hoorden we een zacht gejammer.

    ‘Wat is dat geluid?’ vroeg ik, ‘het lijkt wel gesnik.’

    ‘Er is hier niets dat kan wenen’, reageerde Elena.

    ‘Toch hoor ik wat snikken’, zei ik.

    ‘Wat kan er nou snikken in de bergen?’

    ‘Een geit?’, vroeg ik.

    ‘Het klinkt eerder als een lage brom’, hoorde ik Elena zeggen, ‘alsof iemand zachtjes aan het kermen is’.

    ‘Blijf jij hier, dan gaan wij wel even kijken’, zeiden ze in koor.

    Ik werd neergezet, kreeg iets in mijn handen geduwd en voor ik het wist was ik alleen.

    Het duurde twee dagen en twee nachten voordat ik uit de verte haastige voetstappen hoorde komen.

    ‘Je zal niet geloven wat we gezien hebben!’, riep Elena buiten adem.

    ‘Nee, je zal het niet geloven’, herhaalde Thalia opgewonden.

    ‘We liepen uren in het rond zonder dat we konden zien waar het snikken vandaan kwam. We keken op de grond, legden onze hoofden op de aarde, maar ook daar hoorden we niets. We wilden al bijna weer naar je terugkeren toen we op een plek kwamen waar we het heel duidelijk hoorde. Het snikken. Het kwam van boven. Daar, hoog boven onze hoofden, hoger dan de boomgrens, hoger dan de sneeuwgrens, nog hoger dan de hoogste berg, hing een traan te bungelen.’

    ‘Een traan hing aan een wolk te bungelen!’

    ‘En uit die wolk sprak er iemand.’


    Dit waren de eerste drie hoofdstukken uit De vrouw die van de aarde viel. Het verhaal wordt de komende tijd verder geschreven door Pim en Charlotte. Wil je dit proces volgen? Ga dan naar: www.devrouwdievandeaardeviel.wordpress.com

  • Literair Reservaat // de avond

    Literair Reservaat // de avond


    Literair Reservaat #1 // de avond from Kluger Hans on Vimeo.

  • BOVENSTAD


    BOVENSTAD is een verhaal in drie perspectieven geschreven door Delfien Vanden Heede en Moya De Feyter. Het ontstond in het kader van MoMent, een cultuurfestival in Tongeren rond het concept ’tijd’. De stemmen zijn van Lorenz T’Syen, Camille Vanlerberghe en Moya De Feyter. Emily Lefebvre maakte een bijpassend beeld.



    Delfien Vanden Heede (1991) studeerde af aan Universiteit Antwerpen met een master in de literatuur van de moderniteit. In 2009 speelde ze mee in de voorstelling ‘Playground Love’ van fABULEUS. Kort daarna schreef ze het theaterstuk ‘Human Passion’ en werkte ze mee aan de voorstelling ‘Waithood’.  Momenteel zit ze in het tweede jaar van de SchrijversAcademie en rijpt haar debuutroman.

    Moya De Feyter (1993) schrijft proza, poëzie en theaterteksten. Haar debuutbundel ‘Tot iemand eindelijk’ verschijnt in april bij Uitgeverij Vrijdag.

    Lorenz T’Syen (1992) is een duivel-doet-al. Vanuit de afdeling pop-soul aan Jazzstudio stroomde hij verder naar een audio-opleiding aan Syntra AB. Muziekproductie en songwriting staan centraal. Dat reflecteert zich in projecten als Roxie Horse en zijn solo project. Verder speelt hij nog gitaar bij Blew en is hij betrokken bij verscheidene producties.

    Camille Vanlerberghe (1992) is freelance zangeres, muzikante en songwriter. Ze volgde de opleiding pop-soul met als instrument zang, aan de Antwerpse jazzstudio en is momenteel lid van verschillende muzikale projecten zoals Camillefois, Roxie Horse en Blew. Daarnaast schrijft ze ook voor en met andere artiesten en performt ze regelmatig op vraag met muziek op maat.

    Emily Lefebvre (1993) studeerde af met een master in Audiovisuele Kunsten aan de School of Arts Gent / KASK met de animatiefilm DIORAMA (2016). Haar afstudeerfilms spelen op verschillende internationale filmfestivals. In haar nieuwe werk onderzoekt ze op een speelse manier de relatie tussen gemanipuleerd decor en film. Daarnaast maakt ze vrij werk, illustraties en videoclips.

  • #33: De Waarheid

    #33: De Waarheid


    Hoe te leven in een wereld waarin het denken stoelt op de toetssteen van de waarheid, terwijl we niet langer geloven in het concept van de waarheid? Wat als blijkt dat alles waar we in geloven enkel berust op een spraakverwarring? Stamelend en tastend verkent dit nummer de poreuze grenzen van wat werkelijk en waar is.

    Met bijdragen van Adriána Kóbor, Anke Cuijpers, Aline Verbeke, Annie Martens, Arnoud Rigter, Iduna Paalman, Max Greyson, Moya De Feyter, Niels Raaijmakers, Tijl Nuyts, Tom Driesen, Wim Vandeleene, Bas Tuurder, Hans Depelchin, Joke Van Caesbroeck, Jonas Lescrauwaet, Kobe Wils, Pieter Van de Walle, Ron Vaessen en Jana De Kockere.

    Elk nummer bevat een unieke editie van beeldend werk gemaakt door Ezra Veldhuis. Oplage: 700. Een aantal gelukkigen zullen een gesigneerd exemplaar ontvangen. Daarnaast vind je in dit nummer ook fotografie van Pauline Niks, waarvan twee beelden in postkaartvorm!

    [product sku=”500″]

  • Wel een grappig volkje

    Wel een grappig volkje


    In ‘Wel een grappig volkje’ doet Juicy Dune IJsselmuiden onderzoek naar een grappig volkje: het bijenvolk.
    Ze komt tot verrassende en wat haar betreft indrukwekkende ontdekkingen over de bezigheid van bijen.
    Ze wil graag Nick Gallis, de Merksemse Imkerij en imker Marcel Cuylaerts bedanken, voor de bijdrage aan de omvang van haar verstand door hun heldere uitleg over bijen, hun gewoontes, hun habitat en hun zorg voor de bijen.
    Maud Mulier illustreert de zoektocht aan de hand van bijentekeningen. 



    Maud Mulier (°1994) studeerde af aan de opleiding Woordkunst aan het Conservatorium van Antwerpen, en uit zich in verschillende media. Voor haar is tekenen en schrijven meer een manier om zich te ontladen, zoals sport. 
    Onder de naam Edelsmederij Edelsteen houdt ze een anachronistisch dagboek bij.
    https://edelsmederijedelsteen.tumblr.com/

    Juicy Dune IJsselmuiden studeert een Master Woordkunst aan het Conservatorium van Antwerpen. In 2017 werd haar audio-documentaire Bloot en Blij genomineerd voor de NTR-Radioprijs en speelde ze in de voorrondes van de finale van NAFT voor Woord. In november 2017 ging de voorstelling Deze Grote Tomatenoorlog in premiere, waarvoor zij en Charlotte Van den Broeck de tekst schreven, en waarin ze samen met Tijmen Govaerts de rollen vertolke. Op dit moment is ze bezig met voorbereidingen van haar mastervoorstelling (die speelt in 2018), waarvoor ze de rol van taal binnen het maakproces wil onderzoeken en zo de grens wil overschrijden tussen verbale en non-verbale communicatie. 

  • De vrouw die van de aarde viel // 3


    De vrouw die van de aarde viel is een multimediaal project over hoe je soms van iets weg moet rennen om het te kunnen omarmen. Charlotte Peys illustreert en Pim Cornelussen schrijft. De komende maand publiceert Kluger Hans elke week een aflevering van dit verhaal over hoe de verbeelding een schuilplaats voor de werkelijkheid kan zijn. Naast een prentenboek zal er ook een theatervoorstelling van gemaakt worden die in oktober 2018 in premiere gaat.


    Tijdens de nacht hadden Elena en Thalia zich tegen mij aan gedrukt, en nu keken we samen omhoog. De lucht boven het bos waarnaast we in slaap waren gevallen zag zwart. Er vlogen zoveel vogels dat het niet mogelijk was er een te onderscheiden. Het was alsof we onder een vliegend dak terecht waren gekomen. Een dak dat zong, want de raven hadden samen een raspend lied ingezet.

    ‘Waarover zouden ze zingen?’, vroeg Elena.

    Nog voordat we een antwoord hadden kunnen geven, hielden ze plotseling op. We hoorden alleen nog maar het klappen van hun vleugels, en een moment later vloog de zwerm uiteen. Eén voor één schoten de vogels naar beneden om in honderden bomen te landden. Plotsklaps was er een algehele stilte over het bos neergedaald. Het leek wel alsof het bos hen had opgeslokt.

    ‘Laten we gaan kijken’, zei Thalia.

    We stonden op en liepen naar de bosrand toe. De bomen torenden tientallen meters boven ons uit. Onder het bladerdek zag het bos er donker en nat uit. Af en toe viel er een lichtstraaltje op een boomstam, waardoor de groeven in de stam als rimpels op een gezicht zichtbaar werden.

    Met kleine stapjes betraden we het bos.

    Het was er muisstil, alsof alles in het bos zijn adem inhield.

    Totdat ik per ongeluk op een tak ging staan.

    ‘Krak!’, galmde het door het bos.

    ‘Ik hoor een tak, krak!’, weerkaatste het bos enkele tellen later terug.

    We konden niet zien waar de stem vandaan kwam.

    Ik trok mijn voet terug van de gebroken tak.

    ‘Krrrrrrak!’, raspte het vanuit een andere richting.

    ‘Misschien moeten we omkeren,’ mompelde ik richting mijn twee zussen.

    Thalia schudde haar hoofd. Ze zette haar handen als een megafoon om haar mond. ‘Hallo!’ riep ze zo luid mogelijk. ‘Hallo!’ denderde het door het bos.

     

    Maar niemand gaf antwoord.

     

    We liepen verder, keken goed uit dat we onze voeten niet op iets konden zetten dat kon breken. Maar hoe dieper we het bos in gingen, hoe moeilijker het werd om te zien waar we konden staan. Plots hoorde ik naast me iets breken, en toen ik keek zag ik dat Elena op de grond lag.

    ‘Er loopt iemand die takken breekt,’ kraste het door het bos.

    ‘Nooit loopt hier iemand die takken breekt.’

    Elena krabbelde snel overeind.

    ‘Kraaak!’ klonk er plotseling boven onze hoofden. ‘Waar gaat dat heen?’

    Voordat we konden zien wie er had gesproken fladderde er iets weg.

    ‘Waar gaat dat naartoe? Wat moet dat hier?’ klonk er vanuit een andere kruin.

    ‘Krak en krak en krak,’ klonk er nu vanuit honderden kruinen.

    ‘Zo loopt alleen iemand die nooit in een bos loopt,’ fluisterde een raspende stem in mijn oor. Geschrokken deinsde ik achteruit.

    ‘We zijn op ontdekkingstocht’, bracht Elena bibberend uit.

    ‘Het donker trok ons aan. Het donker verbergt alles.’

    ‘Het donker verbergt alles, op drie paar ogen na,’ kraste iets achter ons.

    ‘Drie paar ogen glinsterend in het duister,’ viel een andere stem hem bij.

    Er klonk instemmend gekras.

    ‘Wat moet er dan ontdekt worden?’

    ‘Om een verhaal te hebben, daarvoor moet je tochten maken. Lange en moeizame tochten,’ zei Thalia gedecideerd. ‘We zijn nog maar net begonnen.’

    ‘En wat denken jullie te vinden?’ vroeg een van de raven nieuwsgierig.

    ‘We lopen niet om te vinden. Wij zijn benieuwd naar wat er achter de horizon ligt.’

    ‘Ik kan je vertellen dat je er nooit zult raken,’ grinnikte een ander.

    ‘Hoe kunnen jullie dat nu weten,’ reageerde Elena geïrriteerd.

    ‘Wij weten dat,’ werd er fel terug gekrast.

    ‘Wij kunnen vanuit de lucht verder zien dan jullie grondwezens. Wij zien toekomst en verleden. Maar de afstand tot de horizon is onoverbrugbaar, zelfs voor ons.’

    ‘Misschien, misschien ook niet,’ antwoordde Thalia.

    Daarop kwam er geen antwoord meer.

    Er werd boven onze hoofden wat heen en weer gefladderd en we hoorden een hees overleg in de boomtoppen. Aan het scherpe geluid te horen leken ze ruzie te maken.

    Ik zocht op de tast naar een van mijn zussen. Voordat we iets tegen elkaar konden zeggen kwam het overleg met een krachtig gefluit tot een einde.

    ‘In ieder geval. Voordat jullie door kunnen lopen moeten jullie betalen,’ stelde één van de raven.

    ‘Betalen?’ vroegen we in koor.

    ‘Maar we hebben niets op zak.’

    ‘Een paar ogen is genoeg,’ antwoordde iemand.

    ‘Wij houden van glinsterende dingen.’

    ‘Een paar ogen?’ vroeg Elena verrast.

    Vanuit verschillende boomkruinen kwam er gekras.

    ‘Een paar ogen of jullie komen hier niet meer weg.’

    ‘We moeten hier even over nadenken,’ antwoordde Elena.

    Ze nam Thalia en mij bij haar. ‘Wat moeten we doen,’ vroeg ik haar.

    ‘Ik weet het niet,’ antwoordde ze. ‘We kunnen hier moeilijk weg.’

    ‘We moeten nu eenmaal opofferingen maken,’ zei Thalia. ‘Dat hoort erbij. Zonder opofferingen geen verhaal.’

    ‘Maar is dat niet een beetje teveel gruwel voor ons verhaal?’ antwoordde ik.

    ‘Betalen nu,’ klonk het uit verschillende boomkruinen.

    ‘Ik denk dat we niet anders kunnen,’ zei Elena. ‘Anders komen we nooit weg uit deze duisternis.’

    ‘Maar als iemand zijn ogen inlevert komt die nooit meer weg uit deze duisternis,’ zei ik. Bij de gedachte alleen al kreeg ik kippenvel. ‘Bovendien, wie moet er dan zijn ogen inleveren?’

    Boven onze hoofden hoorden we wat fladderen.

    ‘We beginnen een beetje ongeduldig te worden,’ fluisterde een stem onverwacht dichtbij.

    ‘Geef ons nog een minuutje,’ antwoordde Elena.

    Er klonk een nors gekir.

    ‘Ik weet het,’ fluisterde Thalia. ‘We loten erom!’

    Ze hurkte, zocht wat op de grond en stond toen weer op.

    ‘Hier, drie takjes,’ zei ze.  ‘Wie de kortste trekt, verliest zijn ogen.’

    ‘Ik zal ze uitpikken!’ raspte een ongeduldige kraai. ‘Dat lijkt mij het makkelijkste.’

    ‘We moeten eerst nog kiezen!’ riep ik naar boven.

    ‘We moeten eerst nog een takje kiezen!’

    Thalia hield de takjes in haar vuist die ze voor zich uit stak.

    We keken elkaar aan en Elena en ik pakten beiden een takje.

    Omdat het zo donker was moesten we heel goed kijken om te zien welk takje het kortste was, maar hoe lang we ook keken, we konden niet zien wie had verloren.

    ‘Ze zijn even lang!’ stamelde ik tenslotte.

    ‘Nee hoor. De jouwe is korter!’ antwoordde Thalia terwijl ik een licht gekraak hoorde.

    ‘Dat is…’ stotterde ik, ‘Hoe kan je…’

    ‘Jouw ogen,’ zei Elena snel. ‘Het zijn jouw ogen.’


    Charlotte Peys (°1987) studeerde cultuurwetenschappen en illustratie en woont en werkt momenteel in Gent. Ze studeerde af met een geïllustreerde dorpsmonografie over het kleine Noord-Kempische dorp Zondereigen. In 2016 debuteerde ze samen met Toon Delanote en Ruth Mellaerts met het prentenboek Soms ben ik een ontdekkingsreiziger, uitgegeven bij Lannoo. Charlotte illustreert om te onthouden, te verzamelen, te vertellen, te ordenen en te onderzoeken.

    Pim Cornelussen (°1989) studeerde filosofie en theaterregie en woont in Gent. Hij studeerde af met een scriptie over utopisme in de 21e eeuw. Pim publiceert regelmatig poëzie en proza in literaire tijdschriften en is recensent en interviewer voor de Boekenkrant. Daarnaast was hij van 2013 – 2016 hoofdredacteur van Kluger Hans. Momenteel werkt hij als programmamaker voor Festival Cement en als schrijver voor zijn collectief dividu.

  • De vrouw die van de aarde viel // 2


    De vrouw die van de aarde viel is een multimediaal project over hoe je soms van iets weg moet rennen om het te kunnen omarmen. Charlotte Peys illustreert en Pim Cornelussen schrijft. De komende maand publiceert Kluger Hans elke week een aflevering van dit verhaal over hoe de verbeelding een schuilplaats voor de werkelijkheid kan zijn. Naast een prentenboek zal er ook een theatervoorstelling van gemaakt worden die in oktober 2018 in premiere gaat.


    Omdat we alle drie nog nooit buiten ons dorp waren geweest en we alle drie met elke stap die we zetten een beetje banger werden, deden elkaar die nacht met trillende benen een belofte. We beloofden elkaar dat we nooit achterom zouden kijken. Als we achterom keken dan zou het geweten opspelen. Wij waren juist op weg gegaan om alles achter ons te laten. Om ons te laten verrassen door wat we zouden tegen komen. We legden onze oren op de grond en hoorden in de verte al gletsjers kraken. Ons leven zou nu opnieuw beginnen.

    We waren zo snel vertrokken dat we niets meer bij ons hadden dan de kleren aan ons lijf. Terwijl we door het bos wandelden propten we onze broekzakken vol met kastanjes, walnoten en alles wat er eetbaar uitzag. Uit akkers groeven we bieten en wortels op die we aan elkaar knoopten en om onze nek legden. Als we langs een rivier kwamen staken we eerst onze hoofden in het water en slurpten dan als katten om onze dorst te lessen. Zodra de zon lange schaduwen over het landschap wierp haalden we onze zakken leeg en inspecteerden onze buit. We maakten dan een vuur met de lucifers die we uit ons huis hadden meegenomen. Elke avond brandde we één lucifer op. Zo telden we de dagen.

    De eerste nacht dat ik in de open lucht sliep duizelde het voor mijn ogen. Ik lag in het gras en mijn gedachten struikelde over elkaar heen. Bij elk ritselend blaadje veerde ik op, bij elke kriebel die ik voelde dacht ik dat het een spin was die me beet. Er was zoveel leven in de buitenwereld! Ik rolde van mijn ene zij op mijn andere en viel uiteindelijk in slaap, verward en angstig tegelijk.

    Die nacht had ik een visioen. Ik droomde dat ik op het hoogste puntje van een gigantische berg stond. Zo hoog dat het was alsof ik de zon zelf was geworden. Onder me strekte er zich een landschap uit waarin een grijs stipje heen en weer bewoog. Toen ik beter keek kreeg het een staart en twee oren. Het bleek een konijn dat in het lege landschap voorbij hupte. En achter dat konijn verscheen er een wolf die hem opjoeg. Ik keek hoe de twee elkaar probeerden af te troeven. Het konijn dook af en toe weg in het gras en kwam ergens anders weer naar boven. De wolf sprong woest achteraan over het veld. Net op het moment dat het konijn geen uitweg meer had en zich gewonnen gaf, veranderde het in een wolkje. Een wolkje dat laag en pluizig bleef hangen boven het gras, als een klein stukje gecondenseerd verdriet. Lang bleven ik en de wolf naar het wolkje kijken, en hoe langer we keken, hoe minder wolk er over bleef. Totdat het niet meer was dan een pluisje. Toen blies ik van boven op de berg en dwarrelde het pluisje over het landschap.

    Over een groene vlakte die veranderde in een blauwe laag en daarna in een witte oneindige uitgestrektheid. Tot ik het pluisje niet meer kon zien.

    Overal waar ik keek was het wit, wit, wit…

    Achter die muur van wit, in de verte, hoorde ik iets brullen.

     

     

     

     

     

     

    De volgende dag werd ik wakker door het gekrijs van honderden raven.


    Charlotte Peys (°1987) studeerde cultuurwetenschappen en illustratie en woont en werkt momenteel in Gent. Ze studeerde af met een geïllustreerde dorpsmonografie over het kleine Noord-Kempische dorp Zondereigen. In 2016 debuteerde ze samen met Toon Delanote en Ruth Mellaerts met het prentenboek Soms ben ik een ontdekkingsreiziger, uitgegeven bij Lannoo. Charlotte illustreert om te onthouden, te verzamelen, te vertellen, te ordenen en te onderzoeken.

    Pim Cornelussen (°1989) studeerde filosofie en theaterregie en woont in Gent. Hij studeerde af met een scriptie over utopisme in de 21e eeuw. Pim publiceert regelmatig poëzie en proza in literaire tijdschriften en is recensent en interviewer voor de Boekenkrant. Daarnaast was hij van 2013 – 2016 hoofdredacteur van Kluger Hans. Momenteel werkt hij als programmamaker voor Festival Cement en als schrijver voor zijn collectief dividu.

     

  • De vrouw die van de aarde viel // 1


    De vrouw die van de aarde viel is een multimediaal project over hoe je soms van iets weg moet rennen om het te kunnen omarmen. Charlotte Peys illustreert en Pim Cornelussen schrijft. De komende maand publiceert Kluger Hans elke week een aflevering van dit verhaal over hoe de verbeelding een schuilplaats voor de werkelijkheid kan zijn. Naast een prentenboek zal er ook een theatervoorstelling van gemaakt worden die in oktober 2018 in premiere gaat.


    ‘Hoe zullen we beginnen?’

    ‘Misschien gewoon bij de splitsing van het al?’

    ‘PATS BOEM!’

    ‘En toen was er de natuur,

    met al zijn graslanden, hoogteverschillen, gespleten continenten,

    gigantische watervlaktes en boomkruinen.’

    ‘Het toneel waarop de eerste mens zijn intrede doet.’

    ‘Onder de schuimende zon zet hij zijn eerste stapjes,

    blote voeten in het fijne zand, witheet en stomend van verlangens.’

    ‘Wie die eerste mens ook was, hij hoefde zijn graf niet meer te graven,

    de grote wildernis was hem al voor.’

    ‘Met snelle schreden zijn het broers en zussen die zich over de aarde verspreiden en zo proberen de dood voor te blijven.’

    ‘Soms vindt de mens ergens een dier waarmee het spreekt,

    en slaat het daarna de kop in om het boven een vuur te hangen.’

    ‘PATS BOEM!’

    ‘Wie een zwarte kat zijn weg zag kruisen werd vervloekt.’

    ‘Wie een slang doodde werd de toekomst ingestuurd.’

    ‘Soms werd er gedanst om water uit de hemel te laten vallen.

    Soms voelde men iets op een plek en noemde het heilig.’

    ‘Maar bovenal was het er leeg.’

    ‘Leeg?’

    ‘Ja…

    Niet zomaar leeg.

    Nee, het was er ingewikkeld leeg.’

    ‘Je liep maar wat rond tot je niet meer kon en dan was je blij als je ergens een droge plek vond waar je om een vuur kon gaan zitten.’

    ‘Als de avond viel zaten hele families rond dat ene vuur met hun handen voor zich uit gestrekt, hun handpalmen naar het vuur toe gedraaid. Tientallen ogen gericht op dat onophoudelijke flakkeren.’  

    ‘En rond dat vuur hoorde je altijd iets tikken. Een tong die zachtjes tegen een verhemelte aan tikte. Op het ritme van dat tikken begonnen dan figuren te dansen in het vuur.’

    ‘Als je goed keek kon je er leeuwen rond vrouwen zien dartelen, apen met kinderen zien spelen. Mannen reden er op de rug van mammoeten.’

    ‘Terwijl het tikken van tong naar tong sprong veranderde het ritme, totdat het geluid uit meerdere monden begon te klinken en er langzaam een melodie ontstond die rond het vuur omhoog wervelde en de nacht in werd gezongen. Daar, hoog boven hun hoofden, vervlogen de klanken in het duister.’

    ‘Als een stofwolkje?’

    ‘Ja, als een stofwolkje…’

     

    De avond waarop we alles achter ons lieten, waren mijn zussen en ik zoals altijd naar buiten aan het kijken. Door het enige raam in onze slaapkamer zagen we een klein stukje sterrenhemel steeds donkerder worden. Uiteindelijk was het niets meer dan een zwart vierkant bezaaid met honderden, nee, duizenden lichtpuntjes. Alsof iemand er kriskras kristallen over had uitgestrooid. Daarboven hingen duizenden fonkelende juwelen. We hoefden maar onze duim en wijsvinger om een ster te plaatsen om hem uit het zwart te plukken.

    We hadden de gewoonte om als we in bed lagen elkaar verhalen te vertellen. Deze avond stelden we ons voor hoe we ontsnapten aan sabeltandtijgers. We reden door de grenzeloze steppe op de rug van blauwe antilopes. We zagen vogels zo groot als olifanten boven onze hoofden schieten. Hoe avontuurlijk moest het leven geweest zijn in het begin der tijden! Buiten kraakten de bomen, af en toe zwiepte er een tak langs het raam om met een hoge noot onze dromen te doorbreken. Onze harten tikten zachtjes onder onze borst.

    Niet ver van ons huis begon het bos. Onze moeder had ons ooit verteld dat er s’nachts schimmen tussen de stammen zwierven. Soms, als het laat was en onze woorden waren opgedroogd, verzamelden we ons met z’n drieën op mijn bed om samen naar het bos te gluren. Meestal zagen we niets, maar een enkele keer schoot er iets onherkenbaars voorbij en dan sloegen we samen achterover van de schrik. Daarna volgde meestal een onbedaarlijke lachbui.

    Ook nu zaten we op mijn bed en keken naar die donkere vlek daar beneden. Mijn oudste zus, Elena, had de deken tot over haar neus opgetrokken. Daarboven bewogen haar ogen langzaam heen en weer, als een uil die op haar hoede was. Mijn andere zus had haar hoofd op mijn schouder gelegd en kneep af en toe hard in mijn hand. Zij heette Thalia. Ze had deze avond de meest wonderlijke verhalen verteld, maar nu was ze stil en ernstig geworden. Ik had mijn neus tegen het raam aan gedrukt, en blies met mijn adem een terugkerend wolkje over het glas. Buiten was de wind gaan liggen. Het leek alsof de wereld stil stond, op onze ademhaling na.

    ‘Hebben jullie ook niet het gevoel dat we nog nooit iets hebben meegemaakt?’, zei Thalia plotseling. Ik draaide mij om en keek haar aan. In het maanlicht leken haar ogen op de sterren aan de hemel. Ze keek naar buiten, naar iets dat zich niet in deze wereld leek te bevinden. Toen ze weer sprak klonk haar stem zwaar.

    ‘Iets dat het waard is om te vertellen?

    Ik bedoel: Wij zijn nooit hoeven vluchten uit ons geboorteland, we zijn nog nooit betrapt bij een diefstal, we hebben zelfs nog nooit een echt gevecht meegemaakt.

    Alle rampen lijken aan ons voorbij getrokken…

    En bestaat het leven niet uit een aaneenschakeling van rampen?’

    Ze slaakte een lange en diepe zucht. Een hele poos was het stil.

    ‘Hoe kunnen we nu zeggen dat we geleefd hebben!’.

    Ik sloot mijn ogen en proefde de woorden die ze net had uitgesproken op mijn tong. Hoe kunnen we nu zeggen dat we geleefd hebben? Ik draaide ze om en om en fluisterde ze zachtjes voor me uit. Ik schreef ze met mijn adem op het raam, om ze daarna langzaam te laten verdwijnen. De woorden bleven hangen in de kamer, als een refrein dat los was gezongen van zijn lied. Hoe kunnen we nu zeggen dat we geleefd hebben? We hoorden hoe onze harten diep in ons tekeer gingen. Uren leken voorbij te gaan voordat er iemand weer wat zei.

    Het was Elena die de stilte verbrak.

    ‘Laten we samen weggaan. We laten alles achter en vertrekken. Op naar iets waarvan we kunnen zeggen: dat heb ik meegemaakt, dat heb ik beleefd. Op naar ons verhaal.’

    We keken alle drie nog steeds door het raam naar buiten. Er flitste een witte schim tussen de boomstammen, maar geen van ons was nog bang.

    ‘Je bedoelt echt weg? Als in verdwijnen?’, stamelde ik.

    ‘Op naar het einde van de wereld!’, jubelde Thalia opgewonden.

    Voor ik er erg in had stonden we alle drie op de overloop en slopen stilletjes de trap af. Bij elke piep van een traptrede stonden we zo stil als een standbeeld om er zeker van te zijn dat niemand ons gehoord had. Zo daalden we trede per trede af totdat we alledrie hijgend in de hal stonden. Voor ons zagen we de gesloten buitendeur.

    ‘Misschien moeten we het huis in brand steken? Dan is het onveranderbaar, snap je. Dan kunnen we niet meer terug,’ mompelde Thalia in mijn oor.

    ‘Ja’, zei Elena. ‘Voordat er iets nieuws kan beginnen moet het oude eerst vernietigd worden.’

    Ze sloop naar de keuken kwam terug met een doosje lucifers. Ze keek naar Thalia en knikte. Toen ze een lucifer langs de rand van het doosje schoof lichtte de hal op. Onze schaduwen werden levensgroot op de muren afgebeeld. Ze hield de lucifer onder een van de gordijnen die meteen vlam vatte. Met zijn drieën keken we naar het vuur dat zich razendsnel een weg vrat door het stoffen gordijn. De vlammen torenden woest boven ons uit. We grepen elkaars handen en slopen op onze tenen naar de voordeur terwijl achter ons de hal zich razendsnel met rook vulde.

    Terwijl het huis achter onze rug uitbrandde liepen wij weg. Wij liepen weg zonder te weten waarheen, zonder te weten waarom. We waren die nacht nauwelijks te onderscheiden van de duisternis. Als je goed keek, heel erg goed keek, kon je drie vage figuren ontwaren, aszwart en verwilderd. We liepen zonder ook maar één maal om te kijken, terwijl om ons heen de lucht veranderde van zwart naar blauw en uiteindelijk oranje. We liepen en we zwegen. En al die tijd bonkte er iets tegen ons verhemelte. Het was ons hart.

    Zo begon het.

    Op de ochtend dat wij een langzaam verdwijnend stipje op de horizon werden.

    Totdat je ons niet meer zag.

    Totdat we helemaal verdwenen.


    Charlotte Peys (°1987) studeerde cultuurwetenschappen en illustratie en woont en werkt momenteel in Gent. Ze studeerde af met een geïllustreerde dorpsmonografie over het kleine Noord-Kempische dorp Zondereigen. In 2016 debuteerde ze samen met Toon Delanote en Ruth Mellaerts met het prentenboek Soms ben ik een ontdekkingsreiziger, uitgegeven bij Lannoo. Charlotte illustreert om te onthouden, te verzamelen, te vertellen, te ordenen en te onderzoeken.

    Pim Cornelussen (°1989) studeerde filosofie en theaterregie en woont in Gent. Hij studeerde af met een scriptie over utopisme in de 21e eeuw. Pim publiceert regelmatig poëzie en proza in literaire tijdschriften en is recensent en interviewer voor de Boekenkrant. Daarnaast was hij van 2013 – 2016 hoofdredacteur van Kluger Hans. Momenteel werkt hij als programmamaker voor Festival Cement en als schrijver voor zijn collectief dividu.

     

  • Nachtschrijfsessies i.s.m. TOTAAL: schrijf je nu in!


    Ben jij een nachtuil die steevast na zonsondergang aan de schrijftafel plaatsneemt? Borrelen jouw woorden pas op wanneer de wereld slaapt? Schrijf je dan nu in voor de Nachtschijfsessies en zet samen met ons pen op papier tijdens de stilste uren.

    Totaal en Kluger Hans slaan de handen in elkaar om samen met jou een tekst te kneden en klaar te stomen voor publicatie of voordracht – zij het poëzie, proza, essay, theater, of anders. Onder begeleiding van onze redacteurs worden er drie sessies georganiseerd in drie Vlaamse steden: Gent, Antwerpen en Brussel.

    Praktisch:

    7 oktober | Gent / Antwerpen / Brussel | 22.00 > 02.00

    4 november | Gent / Antwerpen / Brussel | 22.00 > 02.00

    2 december  | Gent / Antwerpen / Brussel | 22.00 > 02.00

    De locaties van de nachtschrijfsessies worden steeds een week van tevoren bekend gemaakt. Deelnemen kost 5 euro per sessie. Wanneer je deelneemt, werk je toe naar een publicatie in Kluger Hans of naar een optreden op Literaire Schurft.

    Schrijf je nu in!

  • De toekomst van het woord – het woord van de toekomst?


    Wordt het tijd om een nieuwe republiek der letteren te stichten? De huidige literaire infrastructuur kraakt in zijn voegen, uitgeverijen happen naar adem, boekhandels vechten tegen de bierkaai van digitalisering en commercialisering, de vanzelfsprekende plaats van de literatuur in opvoeding en onderwijs is verdwenen…

    Kortom, dit is het ideale moment om een en ander te resetten.

    Waar woekert het woord vandaag? Op welke momenten zorgt taal voor vuurwerk, kortsluiting, verbijstering of slappe lach? Kunnen we de term literatuur beter uit onze woordenschat schrappen? Hoe slaafs of getemd zijn onze tongen, onze verbeelding, onze verhalen? Welke verhalen of anti-verhalen, welke liederen of gekrijs, welke troost of donderpreken hebben we nodig in de 21ste eeuw? Wat kan een republiek der letteren vandaag en morgen zijn? Een samenzwering tegen de vanzelfsprekendheid? Een nieuwe kaballah? Vullen we de leeggelopen kerken voortaan met zelf verzonnen zingeving? Hacken we overheidssites met irrelevante tegeninformatie? Of trekken we ons terug in salons, souterrains en achterkamers, gevuld met verhit gefluister, gezang, gelach en geween?

    Tijdens het Literair Reservaat (Gent, 14 december) buigt Kluger Hans zich over de vraag/vragen naar de toekomst van het woord. We hadden natuurlijk een spreker met naam kunnen uitnodigen om haar of zijn licht te laten schijnen over deze kwestie. Maar hé, dit is Kluger Hans, we laten liever een veelheid van stemmen, bekend of onbekend, aan het woord.

    Daarom deze oproep: schrijf een betoog (maximaal 750 woorden) over wat volgens jou de toekomst van het woord is. De beste betogen worden tijdens het het Literair Reservaat gebracht. Dit kan op vele manieren: een klassieke lezing, een oproep of klaagzang, een manifest in versvorm… als het vertrekpunt. We dagen kandidaten uit om in tien minuten tijd een statement te plaatsen, een verworven inzicht onderuit te halen of een vraag uit te spitten.

    Deadline: 31 oktober

    Stuur naar info@klugerhans.net of gebruik het formulier hieronder

    [contact-form-7 id=”3274″ title=”Literair Reservaat”]