Tag: roergebied

  • Thomas Heerma van Voss kiest ook voor… ‘Het waren de kleuren’ van Marthe van Bronkhorst

    Thomas Heerma van Voss kiest ook voor… ‘Het waren de kleuren’ van Marthe van Bronkhorst

    Peetouder Thomas Heerma van Voss sloeg net als Annelies Verbeke vlijtig aan het lezen toen #49 Ornament verscheen. Zijn tweede lievelingstekst is ‘Het waren de kleuren‘ van Marthe van Bronkhorst. Lees hier wat hij ervan vond!


    Thomas Heerma van Voss (foto: Joris Casaer)

    “Zoals bekend komt goed schrijven vaak neer op goed kijken, en Marthe van Bronkhorst laat in dit verhaal zien dat ze over een uitstekend observerend vermogen beschikt. In Het waren de kleuren wordt niet uit- maar ingezoomd, heel precies: op alle kleuren die we zien, op de individuele ervaring van iemand die lang in het water ligt en zich daarna op wezenlijk niveau veranderd voelt. Maar waardoor precies?  ‘Een mensenlichaam is het niet gewend zo lang niets aan te raken,’ staat er. In dit zintuigelijke, meanderende proza wordt geschetst wat er gebeurt als dat aanraken vervolgens wel weer plaatsvindt.”


    Lees hier de eerste pagina van Marthe van Bronkhorsts ‘Het waren de kleuren’:

    Na de sprong is het even zwart, dan breekt er blauw door. Op de binnenkant van mijn oogleden tekent zich een mandala af: een nabeeld van licht en opspattend water. Even flakkert een ander leven voorbij als de lichtbundel van een vuurtoren: een blauwe zon, een gele lucht, alles in negatieven, projecties uit een Andere tijd, een andere planeet misschien. Ik zie een andere versie van mezelf in vroeger geboetseerd, met platgestreken haar, knokige hongerknieën in een matrozenpak, op het dek van een gitzwarte onderzeeër, te water voor het vaderland. Weer een andere versie van mezelf zit krijsend in een wastobbe in een stinkende achter wijk waar builenpest heerst. Er is een versie van mezelf in een schemerig moeras, ademend door kieuwen op het ritme van een onderstroom.

    Dan, kopje onder, wordt het wit.

    Wit van luchtbellen langs mijn gezicht, het borrelen uit mijn mondmasker. In het wit ontstaan kleuren, een magmastroom op een vollemaanslandschap. Mantelpluim, silicatisch sinter.

    Een koele, schemerige kathedraal is waar ik mezelf terugvind on der het wateroppervlak. Ergens valt licht uit een dakraam, kleuren komen door glas in lood gesijpeld. Mijn ogen wennen. Het is niet de afwezigheid van licht die ik hier verken, het is koud en vol van alles. Mijn plastic duikbril is de ruimtehelm, deze lagune is het heelal. Ik ben de verkenner, de Neil Armstrong, ik ben godverdom me de droom van iedere jongenskamer aan het verwezenlijken, maar in de onderwereld. ‘Doorzwemmen’, gebaart hij, hoe-heet-hij. Niet omkijken. Bij je buddy blijven.

    Blauw is de moederkleur die alle andere kleuren omvat. Eenmaal boven wijst hij – ik kan zijn naam niet verstaan– de instructeur van het oké-gebaar – ons op een geplastificeerde kaart aan wat we zojuist aan fauna gezien hebben. Er is het regengrijs van haaien, daar blauw ebbenzwart van slangsterren, het grijze staalblauw van een school harders, het groenig stilstaandwaterblauw van karpers. Er zijn ook de doorzichtigblauwe druppels, het onzichtbaarblauw van spiegels op de schubben van een wijting. Ik ben zelfs blauw hier, mijn handen, benen. Ik beweeg anders in blauw licht, druk me anders uit, ik denk anders. Moet je mij nou zien trappelen, dan weer vooruitglijden, een domme, onhandige, blije hond. Ik spartel om alles te kunnen zien, ik heb nog nooit zo naar adem gehapt, zo mijn best gedaan om te leven en iedere minuut omarmd. Ik leef.

    Toch omgekeken.


    Lees je graag het vervolg van deze tekst? Koop dan snel #49 Ornament in onze webwinkel, waar je gratis onze speciale editie U bevindt zich hier bij krijgt. Of word abonnee, dan krijg je automatisch deze nummers toegestuurd als dubbel welkomstexemplaar!

    Marthe van Bronkhorst (1993) is schrijver van proza, radio, toneel en film en werkt als psycholoog. Ze schrijft columns in tijdschrift hard//hoofd, acteerde bij het ZID theatergezelschap en won het NK Poetry Slam 2025. Haar debuut Het ontduiken van Lo Laan verschijnt begin 2026 bij uitgeverij De Geus.

  • Annelies Verbeke kiest ook voor … ‘Holy Glory de la Sad Banana Republique’ van Jeff Aendenboom

    Annelies Verbeke kiest ook voor … ‘Holy Glory de la Sad Banana Republique’ van Jeff Aendenboom

    2026 is officieel aangebroken, maar vooraleer we wegzakken in koortsdromen over toekomstige nummers vieren we het nieuwe jaar met de laatste peetouderkeuzes van #49 Ornament! Je leest hier wat Annelies Verbeke vindt van haar tweede favoriet; ‘Holy Glory de la Sad Banana Republique’ van Jeff Aendenboom. Hou Roergebied deze week in de gaten voor de laatste peetouderkeuze!


    Annelies Verbeke (foto: Christophe Vander Eecken)

    “Een verhaal dat tegemoetkomt aan mijn groeiende behoefte aan avant-garde als artistiek antwoord op (onder andere) een danig uit de hand gelopen neoliberalisme. Jeff Aendenboom weet me te winnen voor zijn Bananarchisten die door de Parijse straten trekken en in al hun absurdistische gekte een waar revolutionair vuur overbrengen. De opstand als lyrische gangbang waarvan ‘een blauwe macaron’ het middelpunt is. Aendenboom geeft zijn maatschappijkritiek vleugels met woorden die zingen, schreeuwen en marcheren, opwinden en aanvallen, houdt dat allemaal bewonderenswaardig lang vol en werkt naar een apotheose toe waarin de taal zelf, met name de talen van de macht, aan deconstructie worden onderworpen. Een tekst als een stootkussen.”


    Lees hier de eerste pagina van ‘Holy Glory de la Sad Banana Republique‘ van Jeff Aendenboom:

    ‘Sad banana tristi!’ Sad Banana Tristi! Sad Banana Tristi!’ 

    Het fermentatieproces is ingezet. De Bananarchisten zijn onderweg. Je hoort van kilometers afstand het drappen van de sappen die aan hun voetzolen plakken terwijl ze huilend vooruit marcheren in de stortende regen. Het individu is nu onzichtbaar en wordt deel van een machine, met eigen formules, codes en afspraken die je enkel kan ontcijferen als je er onderdeel van bent. 

    ‘Sad banana tristi!’ Sad Banana Tristi! Sad Banana Tristi! 

    De echo’s van de sappen zwellen aan, ze kruipen in grote getalen met hun schillen en hun grillen uit de maladie van de periferie het centrum binnen. Uit elke muurspleet, elk gaatje, van achter elk verkeersbord- als ze nog niet zijn neergehaald – wurmen zich banaanvormige wezens die leuzen scanderen en spandoeken vasthouden. Er zijn er die uit hun rugzakken objecten halen waarvoor nog geen namen zijn bedacht, er zijn er die vlaggenstokken in elkaar klikken en elkaar helpen met het aandoen van het masker; een uit gele wol gehaakte balaclava met een omlaag hangende grijns ter hoogte van de mond geborduurd, zwarte randen rond de ogen en onderaan een rooskleurige traan. 

    ‘Sad banana tristi!’ Sad Banana Tristi! Sad Banana Tristi!’ 

    Ze zijn met zoveel dat huizen, appartementenblokken en overheidsgebouwen hun buik moeten intrekken om niet te worden platgedrukt. De auto’s liggen in foetushouding met hun banden voor hun gezicht. Lantaarnpalen trekken zichzelf de riolen in. De ratten zitten op het stoeprand met een snack restafval in hun klauwen, vol spanning af te wachten tot de show begint. 

    ‘Sad banana tristi!’ Sad Banana Tristi! Sad Banana Tristi!’ 

    ‘Sad banana tristi!’ Sad Banana Tristi! Sad Banana Tristi! 

    ‘Sad banana tristi!’ Sad Banana Tristi! Sad Banana Tristi!’ 

    Honderduizend kromme monsters vormen één langwerpige kwast, schilderen met hun vruchtvlees alle lanen geel, de 19de eeuwse architectonische pracht bevruchten ze met een omgekeerde smiley face, een traan onder het linkeroog. Op de Seine roetsjen rubberen bananen voorbij, diegenen die je kent van toeristische vakanties, voortgetrokken door gemaskerde rebellen op Jetski’s die vuurwerk de lucht in schieten en ijzeren vaten vol fruitresten de rivier inkieperen. La Seine wordt Le Jus. 

    Ondertussen verschijnt De FruityLooper 3.0. Een fruitblender van 25 meter hoog op wielen, voortgetrokken richting Place de la Périphérique op de kadans van een huilende menigte. Er worden bidons met bananensap uit oude Chiquita Company- bestelwagens getild waar ze zichzelf mee insmeren tot er geen spatje meer overblijft van hun oorspronkelijke huidskleur. Hun collectieve zuur vermengt zich tot één penetrant aroma, die de geur van urine en riool – die hier doorgaans te ruiken valt – in het niets doet verdwijnen. Place de la Périphérique begint meer en meer op een uitpuilende compostbak te lijken in een verwaarloosde achtertuin; rottende natte resten komen in

    opstand en vormen een plakkerige mesthoop die hun oude huis omsingeld. De blauwe lucht krijgt een gele waas over zich heen die je neusholtes bezet en het zicht vertroebelt, alsof er een beschimmelde brooddoos tussen mens en werkelijkheid zit; dissociatieve funga als oorlogswapen. Iedereen op straat bedekt zijn mond met t- shirts, sjaals of dat wat ze kunnen vinden op straat. Er is niemand die niet onophoudelijk kokhalzend zijn nek op en neer beweegt, de rebellen zijn eraan gewend, nu en dan is er iemand die braakt. De geur van een mens onthult haar binnenkant, de geur van een stad verraadt haar politiek. De binnenring wordt een geelbruine vlek op de wereldkaart. La Révolution de la Tristesse is begonnen. 


    Lees je graag het vervolg van deze tekst? Koop dan snel #49 Ornament in onze webwinkel, waar je gratis onze speciale editie U bevindt zich hier bij krijgt. Of word abonnee, dan krijg je automatisch deze nummers toegestuurd als dubbel welkomstexemplaar!


    Jeff Aendenboom.

    Jeff Aendenboom (1995) is acteur, theatermaker en schrijver. Hij studeerde in 2018 af als acteur aan het RITCS. Met zijn tekst ‘Millennial mythology’ won hij de eerste prijs op de schrijfwedstrijd Write now (2019). Daarnaast is Jeff actief als muzikant bij Sad Banana waarmee hij Sad-Dada-Punk-rap maakt. Hun album release vond plaats in AB en zijn momenteel op tournee. Als film-en televisieacteur speelde hij verscheidene gastrollen in series en films. In 2024 werd Jeff geselecteerd voor de schrijfresidentie van deBuren in Parijs.

  • Obe Alkema kiest ook voor… ‘Memory Foam’ van Alisa Noa Bloemendaal

    Obe Alkema kiest ook voor… ‘Memory Foam’ van Alisa Noa Bloemendaal

    In een vorige post maakte je kennis met de peetouders van de speciale editie U bevindt zich hier van Kluger Hans in samenwerking met deBuren en Explore the North. Hier kom je te weten wat peetouder Obe Alkema te vertellen heeft over zijn tweede favoriet.


    Obe Alkema

    Een bazig kussen, van zo’n beeld spring ik op, zeker omdat het bazige haaks staat op het soort kussen dat Alisa Noa Bloemendaal opvoert in haar filmische tekst: een schuimkussen. Het mijne is gedwee en doet wat er verwacht wordt, maar hier zucht, poogt en schuimt het kussen om iets te ontfutselen aan Tini, een archivaris van herinneringen. Bloemendaal mixt sci-fi met oude geschiedenis en brengt een archief dat nog geen archief is — een terp in functie — tot spreken. Ik las dat Bloemendaal filmmaker is en ‘Memory Foam’ is een goede aanzet om de camera er weer eens bij te pakken.


    Luister hier naar ‘Memory Foam’ van Alisa Noa Bloemendaal, ingesproken door de auteur:


    Lees je graag meer teksten uit deze speciale editie? Koop dan snel U bevindt zich hier in onze webwinkel, waar je gratis #49 Ornament bij krijgt. Of word abonnee, dan krijg je automatisch deze nummers toegestuurd als dubbel welkomstexemplaar!

    Alisa Noa Bloemendaal, foto: Mickey Minnaar

    Alisa Noa Bloemendaal (1999) is een filmmaker, schrijver en acteur. Ze studeerde af aan de HKU met de film Wij zijn de spoken. In haar verhalen probeert ze via komedie en magisch realisme onderwerpen als intergenerationele overdracht en het koloniale verleden bespreekbaar te maken.

  • Aya Sabi kiest ook voor … ‘hier daalt de bodem’ van Sanne Lolkema

    Aya Sabi kiest ook voor … ‘hier daalt de bodem’ van Sanne Lolkema

    In een vorige post maakte je kennis met de peetouders van de speciale editie U bevindt zich hier van Kluger Hans in samenwerking met deBuren en Explore the North. Hier kom je te weten wat peetouder Aya Sabi te vertellen heeft over haar tweede favoriet.


    Aya Sabi (foto Jildiz Kaptein)

    ‘hier daalt de bodem’ is een groot gedicht dat de dichter en de taal overstijgt. Sanne heeft een authentieke, zeer eigen stijl waarmee ze over een onderwerp schrijft dat al veelvuldig omschreven is. Het grote gevaar zit in de poëzie van het kleine detail: eenden steken hun koppen terug het lijf in. De beelden zijn origineel, maar eenvoudig en herkenbaar, waardoor het gedicht meteen van de lezer wordt, de taal ontvouwt zich in heldere beelden voor je geestesoog. Ik zie een kleuter die uit zijn jas groeit en schommels die inzakken, met de palen in het water staan. Deze treffende, kinderlijke metaforen worden afgewisseld met poëtische titanenbeelden: “een supercontinent dat in lichamen uiteenvalt” of “pas als hier een kind verdrinkt hangt men/de vlag omgekeerd.” Het gedicht blijft aan je plakken, je keert er weer naar terug, leest het opnieuw, en iedere keer voel je de aarde onder je dalen.


    Luister hier naar ‘hier daalt de bodem’ van Sanne Lolkema, ingesproken door de auteur:


    Lees je graag meer teksten uit deze speciale editie? Koop dan snel U bevindt zich hier in onze webwinkel, waar je gratis #49 Ornament bij krijgt. Of word abonnee, dan krijg je automatisch deze nummers toegestuurd als dubbel welkomstexemplaar!

    Sanne Lokema, foto: Marianne Hommersom

    Sanne Lolkema (2002) studeert Humanistiek en schrijft poëzie voor podium en papier. Haar werk onderzoekt de mens; in relatie tot zichzelf, anderen en een grote boze buitenwereld. Momenteel denkt ze na over bloemkoolcurry, hypocrisie en de tijd.

  • Thomas Heerma van Voss kiest voor … ‘De laatste wagon’ van Koen Vandenborre

    Thomas Heerma van Voss kiest voor … ‘De laatste wagon’ van Koen Vandenborre

    Peetouder Thomas Heerma van Voss sloeg net als Annelies Verbeke vlijtig aan het lezen wanneer hij #49 Ornament in zijn brievenbus kreeg. Zijn eerste lievelingstekst is ‘De laatste wagon‘ van Koen Vandenborre. Lees hier wat hij ervan vond!


    Thomas Heerma van Voss (foto: Joris Casaer)

    “Een verhaal dat me de eerste keer intrigeerde, en bij herlezing echt overtuigde. Heel effectief loodst Vandenborre zijn personages door een Europa dat in puin ligt: er rijden amper nog treinen, overal brokstukken en voortdurend sluimert er dreiging. Knap is dat de context amper wordt gegeven: wat er precies is gebeurd blijft in het midden, deze schrijver verliest zich nergens in nodeloze uitleg of historische duiding, en juist daardoor werkt de kalme toon van dit verhaal zo goed. Waar zijn we? Wat gebeurt er? Net als de personages moeten wij er grip op krijgen. Indringend, vervreemdend verhaal op een gehavend continent.”



    Lees hier de eerste pagina van ‘De laatste wagon‘ van Koen Vandenborre:

    Ze trokken door een verwoeste stad en troffen een uitgeteerde samenleving aan. Drie jonge kerels met een goedgevulde plunjezak over hun schouder, dat moest wel opvallen. En toch — de vrouwen, kinderen, invaliden en oude mannen die door de in puin gelegde straten scharrelden, op zoek naar iets waardevols of herkenbaars, keken amper op. Overal werden ze met dezelfde afwezige, lusteloze blikken geconfronteerd. Als er al een houten luik of deur aarzelend openging, was het om snel weer te sluiten. De meeste aandacht kregen ze van een stel straathonden die nerveus in hun buurt bleven draaien, in de hoop een kruimel te kunnen schooien. 

    ‘Wat nu?’ vroeg Pieter. – Ze hielden halt voor een woongebouw waarvan de voorgevel grotendeels was ingestort. 

    ‘De rivier volgen, lijkt me,’ antwoordde Max. 

    ‘Of hier ergens overnachten,’ zei Julius. ‘Ik neem de kamer met bloemetjesbehang. Max, jij kan in die badkuip slapen, en Pieter, speelde jij geen piano?’ Hij wees naar een piano op de tweede verdieping die vleugellam was gemaakt door een stuk van het plafond en een kristallen kroonluchter. 

    Voor er iemand kon antwoorden, kwam vanuit de inkomhal van het pand een oudere dame op hen af. Ze maakte een verwarde indruk en stootte klanken uit die het midden hielden tussen zenuwachtig lachen en praten. Ze was opgekleed als voor een avondje theater. Op enkele passen afstand bleef ze staan en haalde ze een voorwerp van onder haar bontmantel vandaan. In haar handen hield ze een vierkant album met gouden belettering als een gewond vogeltje voor zich, en keek hen hoopvol aan. 

    ‘Ik denk dat ze wil ruilen voor eten,’ zei Pieter. 

    ‘Geef haar iets,’ zei Max, ‘dan kunnen we verder.’

    ‘Ik denk niet dat het haar daarom te doen is,’ zei Julius. Hij keek haar geruststellend aan en nam het album voorzichtig van haar over.

    Julius klapte het boek open en bladerde er doorheen. De vrouw knikte voortdurend en wees naar foto’s van jonge, knappe kerels die met een brede glimlach in stoere uniformen poseerden. 

    ‘Ik denk dat ze wil weten of we ze ergens gezien hebben,’ zei Julius. 

    ‘Hoe kunnen wij nu weten—’ 

    ‘—Die Söhne?’ vroeg Julius. 

    Ze knikte met ogen vol hoop en tikte met haar magere vingers op de foto’s. 

    ‘Het spijt ons,’ zei Max, en hij schudde zijn hoofd. 


    Lees je graag het vervolg van deze tekst? Koop dan snel #49 Ornament in onze webwinkel, waar je gratis onze speciale editie U bevindt zich hier bij krijgt. Of word abonnee, dan krijg je automatisch deze nummers toegestuurd als dubbel welkomstexemplaar!


    Koen Vandenborre

    Koen Vandenborre (1969) is begonnen als zoon, werd daarna zelf vader en man van […], is liefhebber van het absurde, belastingbetaler, Leuvenaar, en eigenaar van een tuin met een hangmat. Hij houdt een blog met schrijfsels bij en legt de laatste hand aan een roman die hij in het voorjaar van 2026 via de Schrijversacademie zal voorleggen aan enkele uitgeverijen.


  • Annelies Verbeke kiest voor … ‘Opstijgen’ van Julie Vanhoenacker

    Annelies Verbeke kiest voor … ‘Opstijgen’ van Julie Vanhoenacker

    De peetouders van #49 Ornament snuisterden nieuwsgierig doorheen het arsenaal aan teksten in het nieuwe nummer. Ondanks dat de pagina’s bulkten van het jonge schrijftalent waren er toch enkele teksten die hen het meest van al konden bekoren. Vandaag is het de beurt aan de eerste favoriet van Annelies Verbeke: ‘Opstijgen‘ van Julie Vanhoenacker.


    Annelies Verbeke (foto: Christophe Vander Eecken)

    “Een poëtisch verhaal dat uitdrukking geeft aan de horror van het samenzijn met iemand van wie men niet houdt, waarbij het hoofdpersonage zichzelf dat gebrek aan liefde kwalijk neemt in plaats van de relatie te verbreken. Julie Vanhoenacker weet met herhalingen – telkens die naam – een jij-perspectief en uitwendige, onzichtbare beschouwers een naar waanzin neigende bezwering op te roepen, die een fysieke beklemming sorteert. Je rent overtuigd met het personage mee naar buiten en wil dat ze blijft rennen; de horror verdiept met elke gedwongen toenadering, elke terugkeer naar waar ze niet thuishoort, elk lief of verdrietig woord van hem. In de lucht opgaan blijkt de enige ontsnappingsmogelijkheid voor dit personage.”


    Lees hier de eerste pagina van ‘Opstijgen‘ van Julie Vanhoenacker:

    Je wordt stil want alle mogelijke woorden zijn al uitgesproken amai mooi knap zot rustgevend paradijs goddelijk droom en nu ben je slachtoffer van de stilte die je zelf hebt veroorzaakt maar voor hem is het geen probleem om sprakeloos te blijven want hij kijkt verwonderd naar jullie nieuwe woonomgeving waar het gras zo hoog is, jullie schoenen nat maakt en de wollige mist dik is waardoor jullie het huis op enkele meters afstand niet kunnen zien, jullie moeten dichterbij komen en plots verschijnt het, als een poppenhuisje staat het voor jullie klaar, fier en krakend onder het gewicht van de vorige bewoners die jij nog kan horen. 

    Er werd jullie verteld dat de oude eigenaars al een tijdje weg zijn en dood ook en al lang geleden en het huis staat sindsdien leeg en afwachtend, wachtend op jullie of dat willen jullie alleszins graag geloven, dat het voor jullie gemaakt is en dat dit het lot is en dat het lot zacht zal zijn voor jullie maar jij kan ze voelen, zij die hier als laatsten hebben gewoond, je voelt hoe ze niet gediend zijn met jullie komst, zij, ze houden niet van zijn hippe Vega schoenen en zijn oorringetje, hij ziet er zo hip uit kijkend naar het huis voor de honderdste keer zonder naar binnen te durven gaan want hij durft niet naar binnen zonder jou, hij draait zich om en roept in de verte omdat hij jou niet kan zien doorheen de mist, hij roept Gloria, jouw naam, je heet Gloria en hij roept of jullie eens naar binnen zullen gaan en omdat het moet stap je door de mist heen en zie je zijn zoekende blik die naar jou speurde, die blik die je zo goed kent want hij heeft jou altijd al gezocht, ook al stond je recht tegenover hem, hij bleef je maar zoeken alsof er een diepere laag was waar hij niet aankon en nu sta je wederom recht voor zijn neus klaar om met hem samen naar binnen te gaan en daar te blijven voor de rest van jouw leven want dat is hoe de dingen lopen, wanneer je samen een huis koopt. Het is geen gemakkelijk besef voor jou, hè, dat het te laat is om te vluchten want het huis werd gekocht en jullie trouwden en zo werkt het eenmaal in deze wereld van officiële contracten die voor het leven zijn en je hebt nu al spijt en blijft denken dat je van hem houdt, Gloria, je houdt van hem en ook van dit huis, Gloria, je houdt van dit huis en je droomde van deze woning, Gloria, van de geborgenheid, van het bos, van de stilte, Gloria, hier zal je de stilte vinden, Gloria, en jullie komen de hal binnengewandeld en hij draait zich vol enthousiasme naar je toe alsof jullie in een escape room zitten, ja, hij stapt op de tipjes van zijn tenen en doet belachelijk en jij lacht nep want je weet dat iedereen plezier anders ervaart maar jullie zijn zó anders en je weet niet meer of het waar is, dat tegenstellingen samenkomen.


    Lees je graag het vervolg van deze tekst? Koop dan snel #49 Ornament in onze webwinkel, waar je gratis onze speciale editie U bevindt zich hier bij krijgt. Of word abonnee, dan krijg je automatisch deze nummers toegestuurd als dubbel welkomstexemplaar!


    Julie Vanhoenacker

    Julie Vanhoenacker (2003) schrijft zowel in het Frans als in het Nederlands. Ze studeert momenteel in La Cambre, waar ze de master ‘Textes et Création Littéraire’ volgt en aan haar debuutroman werkt. Ze schrijft over de psychiatrie in Centraal-Europa en hoe men naar psychisch lijden kijkt. In haar teksten onderzoekt ze hoe stijl en ritme spanning kunnen opbouwen in een poëtische thriller.

  • Obe Alkema kiest voor … ‘een oefening voor recreanten’ van Jeanne Verwee

    Obe Alkema kiest voor … ‘een oefening voor recreanten’ van Jeanne Verwee

    Naast Aya Sabi neemt ook Obe Alkema als peetouder U bevindt zich hier onder zijn vleugels. Je leest hier waarom de tekst van Jeanne Verwee het tot zijn eerste favoriet schopte.


    Obe Alkema

    “Ik houd van geschenkmomenten en geef me er graag aan over, waartoe de stem in Jeanne Verwees ‘een oefening voor recreanten’ zacht maar dwingend aanspoort. De meditatie begint al snel te haperen, de stem berispt en corrigeert zichzelf. Waar de taal eerst functioneel was, zet die gaandeweg de schijnwerpers op zichzelf. Alles valt uiteen, zelfs de vorm, totdat de stem de touwtjes weer in handen heeft en redt wat er te redden valt. Je moet het horen, dat was denk ik altijd al de insteek van deze auteur en daarom sloeg zij de handen ineen met Willem Sjoerd van Vliet voor een soundscape – nog zo’n geschenkmoment!”


    Luister hier naar ‘een oefening voor recreanten’ van Jeanne Verwee, ingesproken door de auteur en mét geluidseffecten:


    Lees je graag meer teksten uit deze speciale editie? Koop dan snel U bevindt zich hier in onze webwinkel, waar je gratis #49 Ornament bij krijgt. Of word abonnee, dan krijg je automatisch deze nummers toegestuurd als dubbel welkomstexemplaar!


    Jeanne Verwee (foto Marianne Hommersom)

    Jeanne Verwee (2000) vertaalt/schrijft. Ze studeerde Duitse literatuur in Berlijn en werkt nu aan haar doctoraat aan de Ugent. Ze is redactielied van rekto:verso en haar teksten verschenen onder meer op De Reactor, Samplekanon en in nY.

  • Aya Sabi kiest voor … ‘Magia continua manuum’ van Maarten Jochems

    Aya Sabi kiest voor … ‘Magia continua manuum’ van Maarten Jochems

    In een vorige post maakte je kennis met de peetouders van de speciale editie U bevindt zich hier van Kluger Hans in samenwerking met deBuren en Explore the North. Hier kom je te weten wat peetouder Aya Sabi te vertellen heeft over haar eerste favoriet.


    Aya Sabi (foto Jildiz Kaptein)

    “‘Magia continua manuum’ is een tekst die ik zelf graag had willen schrijven. Jochems speelt op een ingenieuze manier met vorm: de zinnen lopen in elkaar over, er zijn geen punten, er zijn geen hoofdletters, proza en poëzie wisselen elkaar af, de schrijfster en de filosoof worden in alle meertaligheid geciteerd, én toch leest de tekst als één geheel, nergens is een technische ingreep overbodig, integendeel, elk woord, elk leesteken staat precies goed. De tekst is als een lappendeken die in de eerste plaats vooral een deken is, warm en troostend, zoals enkel taal die als nieuw aanvoelt troostend kan zijn. Jochems maakt zich de taal eigen, de tekst eigen, vindt alles opnieuw uit. Hij speelt voortdurend met het ‘hier’ als tegenhanger van het ‘daar’ en rekt het thema open: plaats, poëzie, politiek, kinderherinneringen en grote geschiedenissen… Alles komt erin samen. Wat is hier? Bestaat er een woord voor? Bestaat het überhaupt? Zo overstijgt de tekst zichzelf en draag je de vragen die Jochems oproept mee als een mooi mysterie. Ik heb de tekst meermaals hardop gelezen en zo genoten van de klankrijm (kleirode stromen) en de alliteraties (manuele magie).”


    Luister hier naar ‘Magia continua manuum’ van Maarten Jochems, ingesproken door de auteur:


    Lees je graag meer teksten uit deze speciale editie? Koop dan snel U bevindt zich hier in onze webwinkel, waar je gratis #49 Ornament bij krijgt. Of word abonnee, dan krijg je automatisch deze nummers toegestuurd als dubbel welkomstexemplaar!


    Maarten Jochems (foto Marianne Hommersom)

    Maarten Jochems (1996) schrijft poëzie, essays en proza. Hij is lid van de klimaatdichters, poëzieredacteur bij Kluger Hans en filmcriticus bij Fantômas. Momenteel werkt hij aan zijn debuutbundel, een eigentijds bestiarium.

  • Aya Sabi en Obe Alkema zijn de peetouders van de speciale uitgave “U bevindt zich hier”!

    Aya Sabi en Obe Alkema zijn de peetouders van de speciale uitgave “U bevindt zich hier”!

    De speciale editie U bevindt zich hier kwam tot stand in samenwerking met deBuren en Explore the North. Achttien aanstormende auteurs uit de Lage Landen die in 2025 deelnamen aan de schrijfresidentie van deBuren omsingelen samen op literaire wijze Leeuwarden, de thuisbasis van Explore the North. Elke schrijfresident kreeg een coördinaat aan de rand van de Friese hoofdstad en blikt vandaaruit de wereld in om een tekst te schrijven met in het achterhoofd het thema “U bevindt zich hier.”

    Net zoals bij iedere reguliere Kluger Hans heeft U bevindt zich hier twee peetouders, in dit geval twee schrijvers die ooit zelf deelnamen aan de schrijfresidentie van deBuren: Aya Sabi en Obe Alkema. We verweven het peetouderschap voor het eerst nauwer met het papieren nummer en nodigden Aya en Obe uit om ook een bijdrage te schrijven voor U bevindt zich hier. We vroegen hen na te denken over dit thema in relatie tot hun schrijverschap. De twee peetouders ondersteunen mee de nieuwe namen die in dit nummer te lezen zijn. Aya en Obe kiezen daarbij elk hun twee favoriete teksten uit het nummer.


    Aya Sabi (foto Jildiz Kaptein)

    Aya Sabi

    Aya Sabi is schrijver van boeken, theaterstukken en columns. Ze schreef onder andere de debuutroman Half leven (2022) en het essay Zo zingt de pijn (2025) waarin ze onderzoekt of intergenerationeel trauma om te zetten is in intergenerationele troost. Aya werd geselecteerd voor het internationale talentontwikkelingstraject CELA en ze nam deel aan de schrijfresidentie van deBuren in 2018. In 2024 ontving ze de Jonge Veer en de Ultima voor Opkomend Talent.

    Voor het voetlicht

    “We spreken vaak over intergenerationeel trauma, maar is er meer? Waarom hebben we intergenerationaliteit enkel tot het trauma beperkt? Als herinneringen van pijn generatieslang in ons lichaam opgeslagen blijven, bestaat er dan ook zoiets als intergenerationele troost die doorgegeven wordt? Is één leven genoeg om weer heel te zijn?  Na het schrijven van Half leven, een roman over intergenerationeel trauma, bleef ik zitten met pijnverhalen — die van mezelf, mijn voorouders en van anderen. En de vraag: zullen we wel troost vinden als we die pijn blijven herhalen? Vanuit de zoektocht naar antwoorden ontstond niet alleen het essay Zo zingt de pijn, maar ook een monoloog: Dit is (niet) de evolutietheorie van de troost. Het is geweldig en wonderlijk om actrice Dounia Mahammed daarin gestalte te zien geven aan de woorden die uit mijn pen vloeiden. Ze geeft krachtig gestalte aan Shams, die we volgen terwijl ze kritisch reflecteert over de grote vragen, maar ook terwijl ze – heel eenvoudig – een sjaal koopt. We moeten aan de pijn raken, maar gaan ook verder. Intergenerationele troost: een overerfbaar gevoel van veiligheid en vertrouwen. De monoloog gaat op 14.12.2025 in première tijdens Love At First Sight Festival in Antwerpen.”


    Obe Alkema

    Obe Alkema

    Obe Alkema is dichter en ambtenaar bij de Gemeente Utrecht. Hij publiceerde twee poëzieglossy’s, de een in millennial pink, de ander in lavender purple, onder de titel OBELISQUE. Eind 2024 debuteerde hij als memoirist met Bewogen selfies. Regelmatig schrijft hij over (hoofdzakelijk vertaalde) poëzie voor NRC Handelsblad. Obe nam in 2019 deel aan de schrijfresidentie van deBuren. 

    Voor het voetlicht

    “Begin 2025 ontving vertaler Hero Hokwerda een van de Griekse staatsprijzen voor zijn inspanningen om de Griekse literatuur in het Nederlands beschikbaar te maken, iets waar hij al decennia zoet mee is.  
    Bij toeval stuitte ik bij het Groningse antiquariaat Berger & de Vries op De vreselijke rechterstoel van Kostas Tachtsís, een onaffe autobiografie van de Griekse Genet – natuurlijk vertaald door Hokwerda. De vreselijke rechterstoel is een wonderlijk boek, niet lang na zijn ontijdige dood in 1988 verschenen, vooral het tweede deel, waarin zijn avonturen in de Atheense travestie centraal staan. Het komt niet heel vaak meer voor dat ik verrast word door zo’n spontane vondst. De voorlaatste keer was ook met een Griek: Mários Chakkas, van wie slechts één verhaal (‘Het bidet’) vertaald is, eveneens door Hokwerda. 
    Op dit moment rondt Hokwerda zijn vertaling van Konstantínos Kaváfis’ poëzie én proza af en daar kijk ik reikhalzend naar uit, niet omdat we in Nederland karig bedeeld zijn met Kaváfis-vertalingen (Blanken, Warren & Molegraaf), maar juist omdat we onszelf nu opnieuw kunnen onderdompelen in Kaváfis, opnieuw kennis kunnen maken met hem.”


    Special U bevindt zich hier (2025)

    U bevindt zich hier is een samenwerking tussen deBuren, Explore the North en Kluger Hans. Ga voor meer informatie over het project naar de website van deBuren.

    Ontmoet het schrijftalent van morgen. Kluger Hans is er voor de nieuwsgierige lezer die graag verder kijkt dan de gevestigde namen. Via dit tijdschrift leer je nu al de auteurs kennen die over vijf jaar op ieders salontafel prijken. Mei en oktober zijn onze oogstmaanden. Dan lanceren we een nieuw themanummer waarinwe verhalen, poëzie, essays en theaterteksten van opkomend en onbekend talent verzamelen in een papieren jasje. Er is maar een grondregel: tekstvormgeving en beeldende kunst spelen steeds op elkaar in.

    Wil je je graag abonneren op Kluger Hans en twee keer per jaar nieuw literair talent ontdekken? Dat kan hier! Je vindt dan als eerste het nieuwste nummer in je brievenbus.

  • Annelies Verbeke en Thomas Heerma van Voss zijn de peetouders van #49 Ornament!

    Annelies Verbeke en Thomas Heerma van Voss zijn de peetouders van #49 Ornament!

    Nummer 49, Ornament, wordt geadopteerd door twee literaire grootheden uit de lage landen: Annelies Verbeke en Thomas Heerma van Voss. In hun werk tonen deze schrijvers zich meester in de observatie en maken ze ruimte voor wat klein lijkt, maar niet over het hoofd gezien mag worden. Ze dragen zorg voor de stemmen die het literaire veld levendig maken. Ook voor onderbelichte of zelfs bedreigde genres en media breken deze auteurs met hun werk een lans. Als meter en peter konden Annelies Verbeke en Thomas Heerma van Voss alvast grasduinen in dit nummer. Hun favoriete teksten ontdek je op Roergebied, het digitale lees- en luisterplatform van Kluger Hans. Benieuwd? Hou klugerhans.org/roergebied in de gaten!


    Annelies Verbeke

    Annelies Verbeke (foto: Christophe Vander Eecken)

    Annelies Verbeke debuteerde in 2003 met de roman Slaap! Ze schrijft voornamelijk romans, verhalenbundels en theaterteksten, en mengvormen, zoals de novelle in jambische pentameters en rijm Tirol Inferno, die ze met tekenaar Klaas Verplancke maakte.  De meeste van haar boeken zijn bij Uitgeverij De Geus verschenen.

    Haar werk is in 27 talen vertaald, ontving wereldwijd lovende recensies en bracht haar vaak naar buitenlandse literaire podia. Bekroningen waren o.a. de F. Bordewijk-prijs, de Opzij Literatuurprijs, de NRC Handelsblad Lezersprijs voor Dertig dagen, de J.M.A. Biesheuvelprijs voor Halleluja, de Ultima voor de Letteren en de Jana Beranováprijs 2022. 

    Verbeke strijdt voor de opwaardering van de verhalenbundel. Haar verhalenbundels vertonen overkoepelende thema’s, terugkerende personages en structurele patronen. Ze houdt van de meerstemmigheid, de intensiteit en het vormelijke experiment van het genre. 

    Met Jannah Loontjens maakte ze de 18-delige Fixdit podcast: Moderne klassiekers, waarin canonwaardig Nederlandstalig prozawerk van vrouwen uit de 20ste eeuw wordt belicht. In het bijzonder ijverde ze voor de herleving van Virginie Lovelings werk. 

    Voor haar theatertekst Wunderbaum speelt live (online gaat het mis) won Verbeke de Toneelschrijfprijs 2025, die ze ook als een bekroning van haar jarenlange samenwerking met acteursgezelschap Wunderbaum beschouwt. 

    Vragen naar de kenbaarheid van de werkelijkheid en de mogelijkheden van zorg lopen als rode draden doorheen haar oeuvre, over de genres heen, en haar alterego ‘de auteur’ duikt in verschillende boeken op. Haar proza en theaterwerk worden vaak geprezen om de tragikomische toon, het ongedwongen magisch-realisme, de levensechte personages en onverwachte wendingen.

    Voor het voetlicht

    Wunderbaum speelt live (online gaat het mis) – de theatertekst waarmee ik de Toneelschrijfprijs 2025 won – is de 827e tekst die verscheen bij De Nieuwe Toneelbibliotheek. Sinds deze kleine maar productieve uitgeverij van Nederlandstalig en vertaald theaterwerk in 2009 werd opgericht door Ditte Pelgrom, Alexandra Koch en Sandra Tromp Meesters, heeft zij een onmiskenbare bijdrage geleverd aan het theaterlandschap. Daarvoor werd De Nieuwe Toneelbibliotheek trouwens in 2016 bekroond met de Prijs voor de Kritiek en in 2023 met de Prosceniumprijs. 

    Lezers grijpen over het algemeen niet gauw naar een theatertekst. Een theatervoorstelling is natuurlijk altijd meer dan de tekst en het momentane is eigen aan theater. Toch valt het toe te juichen dat theaterteksten worden bewaard en toegankelijk gemaakt voor nieuwe opvoeringen. En daarnaast zijn veel theaterteksten wel degelijk lezenswaardig, los van een voorstelling. Bij deze een oproep om wat vaker een theatertekst te lezen, misschien door een bestelling of zelfs een abonnement bij De Nieuwe Toneelbibliotheek.”


    Thomas Heerma van Voss

    Thomas Heerma van Voss debuteerde in 2009 met de roman De Allestafel. Sindsdien publiceerde hij onder meer de romans Stern en Condities (longlist Boekenbon Literatuurprijs en Libris Literatuurprijs). Ook schrijft hij essays, artikelen en korte verhalen voor onder andere De Groene Amsterdammer; van zijn hand verscheen ook de verhalenbundel Passagiers/Achterblijvers. In 2024 kwam zijn roman Het Archief uit,die onder meer genomineerd werd voor de Boon en de Libris Literatuurprijs. In 2025 verscheen zijn interviewbundel De prullenmand heeft veel plezier aan mij

    Voor het voetlicht

    “Enkele jaren geleden vond ik een zelfportret van een mij onbekende schrijver, Rudolf Geel. De tekening kwam uit 1977: Geel scheen toen een grote literaire belofte te zijn. Waar was hij nu gebleven? Ik zocht hem op en trof hem in Bussum-Zuid, waar de 81-jarige dag in dag uit verder schreef, al was er geen uitgever meer die het wilde publiceren.

    Veel meer schrijvers bleken zichzelf in 1977 getekend te hebben, voor het literaire tijdschrift De Revisor. Achttien van hen leefden nog – en ik zocht ze allemaal op. Sommige waren fysiek afgegleden, andere schreven zoals Geel nog in de luwte, en weer andere waren uitermate succesvol. Ik reisde naar Menorca om Cees Nooteboom te spreken, ik ging langs bij de nog altijd actieve Mensje van Keulen en dichter Judith Herzberg, van wie de titel voor mijn boek afkomstig is. Want ja, al deze gesprekken vormden samen een boek, De prullenmand heeft veel plezier aan mij, waarin alle levensverhalen en anekdotes elkaar impliciet en expliciet aanvullen, en het zo steeds gaat om de vraag: hoe doet een mens dat eigenlijk, oud worden?”


    Wil je je graag abonneren op Kluger Hans en twee keer per jaar nieuw literair talent ontdekken? Dat kan hier! Je vindt dan als eerste het nieuwste nummer in je brievenbus. Wil je enkel #49 Ornament aanschaffen? Hou dan zeker onze webwinkel in de gaten!

    Ontmoet het schrijftalent van morgen. Kluger Hans is er voor de nieuwsgierige lezer die graag verder kijkt dan de gevestigde namen. Via dit tijdschrift leer je nu al de auteurs kennen die over vijf jaar op ieders salontafel prijken. Mei en oktober zijn onze oogstmaanden. Dan lanceren we een nieuw themanummer waarin we verhalen, poëzie, essays en theaterteksten van opkomend en onbekend talent verzamelen in een papieren jasje. Er is maar een grondregel: tekstvormgeving en beeldende kunst spelen steeds op elkaar in.

  • ‘De troostelozen’ – Daan Koster

    ‘De troostelozen’ – Daan Koster

    Terwijl de deadline voor ons volgende nummer al gevallen is en de redactie driftig aan het lezen is geslagen, gaan we op het Roergebied nog even verder met #48 Vervreemding en de fantastische diversiteit aan werken die we ontvingen. Dit keer lees je ‘De troostelozen’ van Daan Koster: een spetterende, vlammende tekst over kroegeenzaamheid, vreugdige ontmoetingen, magische binnensteden en – gelukkig! – dodo’s. Het is een wat langere tekst waar je lekker doorheen kan dwalen: laat je meevoeren door Daans personages, verbeelding en humor.


    Daan Koster – ‘De troostelozen’

    Oscar Lewis Droomkind kwam in mijn leven op een moment dat ik het spuugzat was. Op een dinsdagavond, doorspekt met verdriet, verwarring, schrik en frustraties, trok onze kennismaking mij uit een mistroostige sleur.

    Ik zat aan het uiteinde van de bar van café De Preutse Lola. Een thuishaven voor lollepotten, hitsige flikkers, melancholieke dragqueens, en aseksuele loodgieters. Hier liep je poedelnaakte zestigers met robuuste tepelringen en pain pigs in veganistisch leer tegen het lijf. Maar die avond was het rustig en zat ik vrijwel alleen. Louis, die ik beschouwde als mijn grote liefde, had recent onze relatie verbroken en was met een koffer en onze cyperse kat Chess vertrokken. De rest van zijn spullen werden door een verhuisploeg opgehaald op een onmenselijk vroeg tijdstip. Oh, wat miste ik Chess, hoe hij op mij kwam liggen als ik aan het tikken was op mijn typemachine. ‘Wie gebruikt er nou nog een typemachine?’ zei Louis een keer toen hij thee kwam brengen en Chess op de houten zoldervloer met een pen aan het spelen was. Alles was in balans, althans, zo ervaarde ik dat. 

    ‘Op een gegeven moment is het klaar, Maurice,’ had Louis gezegd. Kennelijk had hij na meerdere pogingen om onze relatie te redden opgegeven. Overrompeld door emoties dronk ik onze drankkast leeg en schreef van me af op mijn koude zolderkamer. Ik kan mij niet herinneren hoe ik in De Preutse Lola was beland. 

    Ik weet dat ik in de huiskamer op de bank was gaan liggen en poogde te lezen. Een dikke pil over een pianist die in allerlei verwarrende situaties terechtkomt voor hij zijn grootste concert ooit mag geven. De titel sprak me aan. Het moest een vervreemdend boek zijn, als een droom. Ik had een kaarsje aangestoken en mijn laatste glas whisky ingeschonken. Ik weet nog dat ik moest geeuwen en na een paar pagina’s langzaam wegdoezelde. Vervolgens schrok ik wakker en rolde van de bank op de grond. Vanuit mijn ooghoeken zag ik vonken opstijgen waarna ik mijn vervormde zelf in de bolling van mijn glas aankeek. 

    Wat ik niet meer weet is dat ik mijn colbert aantrok, mijn haar fatsoeneerde en mijn snor invette. Wat ik mij wel kan herinneren zijn de dikke regendruppels die de straten kort overstroomden. En dat ik bij de Walrusgracht een dodo – echt waar! – de straat zag oversteken in de richting van het café. En ik kan me vaag herinneren dat ik de lage ingang van de Lola nog altijd bijzonder hinderlijk vond. Hoe vaak ik wel niet wakker ben geworden met een bult op mijn voorhoofd. 

    Toen ik aan de bar plaatsnam – mijn jas had ik net opgehangen aan het erehaakje van een overleden stamgast – bestelde ik een bloody mary bij Toby, die net een succesvolle borstverwijderingsoperatie had ondergaan en nog steeds in zijn nopjes was. Ik kreeg een extra stengel bleekselderij. De regen kletterde hard tegen de ramen. Het was hier kalm. Zachtjes zong ik mee met de muziek.

    Same old thing in brand new drag comes sweeping into view.

    Ik had het niet meteen door toen hij zijn entree maakte. Tussen mijn gedachtespinsels probeerde ik elementen van een verhaal bij elkaar te sprokkelen die niks meer werden dan een vieze klad. Ik had het niet meer op een rijtje, dat wist ik ergens ook wel, maar ik zag er tenminste goed uit in mijn mintgroen fluwelen pak, met daaronder mijn leren instappers met konijnenbont. Ik bewonderde mijzelf in de spiegelwand achter de bar en streelde mijn snor. De krullen boven mijn mondhoeken waren perfect, als ik grijnsde bewogen ze met mijn lippen mee. Er was niemand om mijn knevel te bewonderen, maar ik wist dat Toby hem prachtig vond, en dat was voor mij meer dan genoeg. En zo leek mijn avond steeds verder af te glijden in een afwisseling van ijdelheid en zelfdeceptie. 

    ‘Jij ziet er verdwaald uit,’ klonk het naast me. Regendruppels dropen van zijn gezicht. Ik was direct gecharmeerd door zijn brede grijns en felblauwe ogen. Hij had een spleet tussen zijn voortanden en glanzend rode krullen, weelderig als de vacht van een Ierse waterspaniël. Hij droeg een jurk, een soort visnet van zwaar zwart touw. Ik wilde het losknopen, de jongen in mijn armen nemen en hem opwarmen met het kostbare fluweel van mijn pak. 

    Hij had iets onstuimigs, hoe hij wiebelend naast me stond en de bar aaide, dan een voet plaatste op de onderste balk van de barkruk en naast mij plaatsnam.

    ‘Ik ga ervan uit dat dit mag,’ zei hij met een opgewekte toon. 

    Toby bracht hem een glas bier en veegde fluitend de natte bar schoon met een vaatdoek. 

    De jongen vroeg hoe ik heette en stelde zichzelf voor: ‘Oscar Lewis Droomkind.’ Ik zei dat ik het een bijzonder getikte naam vond. 

    ‘Ach, iedereen is knettergek als je het mij vraagt,’ zei Oscar, waarna hij mij een compliment over mijn pak gaf en mijn schouder afklopte. 

    Ik liet mijn vingers door zijn rossige krullen glijden, en streelde daarna met de achterkant van mijn hand zijn glanzende wangen. Ik zei dat ik zijn stoppelbaard fraai vond, en zijn oren aandoenlijk. Hij droeg een gouden oorringetje met een hartenkaart als hanger. Ik geloof niet dat ik er echt bij stilstond wat ik allemaal zei. Ik aaide geloof ik zelfs de bochel op de brug van zijn neus. 

    ‘Zie je, ik zei het toch,’ zei hij giechelend. ‘Knettergek! Kom, we gaan hier weg.’

    Oscar Lewis Droomkind sprong van zijn kruk en pakte mijn hand. 

    ‘Hij betaalt,’ riep Oscar naar Toby. Ik legde een biljet op de bar en liet mij meeslepen. Bij de ingang stootte ik mijn hoofd.

    Het regende niet meer. Samen liepen we hand in hand over straat. Het noorderlicht scheen over de stad en kleurde de lucht groen. Het zag er wonderlijk uit, hoe zijn lichtbundels vooruit dansten, en dan aan de kant schoven om plaats te maken voor een nieuwe straal. Al het licht kwam samen en klapte weer uiteen. Het groen werd even roze en dan weer paars. De heldere sterren keken mee als publiek. Ik had in tijden niet zoiets troostends gezien. 

    ‘Kom kom, ta-ta, even doorlopen. De tijd tikt traag door en wij hebben haast,’ zei Oscar. Daarna giechelde hij. Hij trok me over de brug van de Walvisgracht en zei dat ik een mallerd was toen ik mijn verbazing uitte over dit verrassende lichtverschijnsel. 

    ‘Waar heb je het over? De lucht ziet er altijd zo uit,’ zei hij. 

      We passeerden een donkere steeg. Een paar zotten die zich in een donker portiek hadden verscholen riepen allerlei obsceniteiten naar ons. Ook vloog er een leeg tomatenblik door de lucht dat net niet mijn mintgroen fluwelen pak raakte. Oscar draaide zich om, zijn spieren zwollen op. Ik zag nu pas dat hij het lijf van een balletdanser had. Hij knakte zijn knokkels en stampte op de zotten af. 

    ‘Welke dwaas deed dat?’ hoorde ik hem brullen in de duisternis van de portiek. Een doffe klap weerklonk. 

    ‘Zo, dat hebben we ook weer gehad! Apport!’ riep Oscar met een grijns toen hij uit de donkerte mijn richting op liep. 

    We volgden het poollicht dat als een draaikolk in de sterrenhemel tolde en liepen een winkelstraat in, langs de stomerij met beslagen ruiten, een schoenmaker gespecialiseerd in platvoetzolen, een sleutelmaker genaamd Klein Poort. We passeerden restaurants zoals het sublieme Mossig Onheil en de boekhandel Roze op Paars en daarna een aantal kunstgalerijen. De Hoddy Dahl Galerij en Galerij Potlood. Alles leek kleurrijker en schoner. Soms bleef Oscar staan en bekeek een schilderij waarna hij in lachen uitbarstte of een traan wegpinkte. Ik vroeg hem wat hem zo raakte aan het kunstwerk, waarop hij antwoordde: ‘De moeite.’ 

    In de verte zag ik flikkerend licht.

    ‘Ik geloof dat dat brand is,’ zei ik. 

    ‘En niemand die het wil blussen,’ zei Oscar. ‘We kijken ernaar maar hebben nog niet half door wat daar speelt.’ 

    ‘Waar heb je het over?’ vroeg ik. ‘Wat staat er dan in de fik?’

    ‘Je kan beter vragen: waarom staat het niet onder water?’ Hij pakte mijn andere hand en draaide mij in de rondte. 

    Ik voelde me vrij in de duizeling. Oscar greep mij bij mijn middel. In tegenstelling tot wat ik gewend was voelde het losjes. Hij corrigeerde me niet als ik een misstap maakte en geneerde zich ook geen moment voor mij. Zijn felblauwe ogen waren scherp op mij gericht. 

    Nadat we een eindje verder waren gewalst hield Oscar plotseling halt en tuurde naar de spleet tussen een kapperszaak en de platenzaak, Ashes to Ashes.‘Dit is fantastisch prachtig,’ riep hij. Hij drukte zijn schouder tegen de splitsing en perste zich ertussen. Zijn lijf glibberde als een slijmerige substantie tussen de panden, en voor ik het wist gleed hij steeds verder van mij vandaan. 

    ‘Kom!’ hoorde ik hem schreeuwen. ‘Gewoon glibberen zoals een mens glibberen kan.’ Ik deed hem na en alsof ik op een loopband stond, werd ik sloom de duisternis ingezogen. Ik was bang dat mijn neus zou breken of dat ik onder de schrammen kwam te zitten maar mijn lijf werd zacht als een stressbal, haast gomachtig. Eenmaal aan het einde van de spleet viel ik en landde op de grond in een grote kas vol flora en fauna. Er vlogen honderden, zo niet duizenden vlinders rond. Ik was doorweekt van een slijmerige substantie die door de dure stof van mijn pak droop. Mijn konijnenbont voelde nat en plakkerig. 

    ‘Wees een waslijn!’ riep Oscar, net zo doordrenkt als ik. Hij stond als een vogelverschrikker tussen gigantische bloemen. Vier reusachtige, haast prehistorische vogels zaten op zijn uitgestrekte armen. 

    ‘Toe nou!’ riep hij. 

    Ik spreidde mijn armen. De lucht was warm en vochtig waardoor ik niet zeker wist of ik tranen voelde opwellen. En terwijl de laatste druppels langzaam uit mijn mouwen op de grond dropen, keek ik om me heen. Ik zag de kleurrijke bloemen, absurde boomstronken, en de vogels met bonte veren, snavels in allerlei vormen en groottes. Maar in tegenstelling tot Oscar die haast kinderlijk glunderde, kon ik alleen maar denken aan het moment dat Louis zijn koffer optilde. De deur die langzaam dicht viel en de staart van Chess die naar buiten glipte. 

    ‘Jij bent ook niet makkelijk,’ riep Oscar. ‘Er vliegen hier jambujufferduiven, toekans en ara’s. Ruik je die heerlijke melange van passievrucht en Indische jasmijn niet?’ 

    ‘Jawel,’ riep ik. ‘Alleen het is een beetje veel, en ik voel me zo week.’ 

    Oscars krullen glinsterden door de zweetdruppels. Hij flapperde zijn armen alsof hij zelf ieder moment kon opstijgen. En toen we de kas verlieten, gewoon via een glazen deur zou ik toch echt zweren dat de dodo van de top van een bananenboom afsprong en langs ons naar buiten racete. 

    Hoe meer tijd verstreek hoe meer ik mij liet meeslepen door Oscars geanimeerde gedrag. Die wiebelarmen die alles aanwezen wat hij mooi vond, de lammensprongetjes die hij maakte. Op een moment begon hij uitgebreid over de vorm van letters te praten. Toen we stilstonden bij een koffietent vertelde Oscar over de geschiedenis van het pand. 

    ‘Ongelooflijk,’ zei ik. Of: ‘Ik vind de K een stuk magnifieker dan de Y. Over de B ben ik met je eens.’

    Oscar grinnikte. Hij hield van aanrakingen, hij streelde mijn rug, hij pakte mijn hand, hij kietelde mijn kruin. Terwijl hij mij vroeg welke kant ik op wilde, genoot ik ervan hoe zijn korte jurkje met hem mee zwiepte rond zijn billen. Ik wilde weten hoe hij zo volmaakt was geworden.

    ‘Ben je een acrobaat?’ vroeg ik. 

    ‘Ja leuk!’ 

    ‘Wat?’ 

    ‘Ik ben een acrobaat en ik eet graag cake.’ 

    ‘Nee, nee, ik bedoel meer: hoe kom je aan je, als ik zo vrij mag zijn, majestueuze lichaam?’ 

    Oscar keek naar zijn armen, spande zijn spieren aan en schoot in de lach. 

    ‘Oh, nou, ik kan simpelweg niet stoppen met bewegen. Op een dag wilde ik verliefd worden op mezelf en ben ik aan de slag gegaan. Je kan niet eeuwig stil blijven zitten, Maurice. Voor je het doorhebt, brokkelt alles heel langzaam af.’ Hij tikte mijn schouder aan en wees naar de verte. Het vuur laaide op, de vlammen woekerden boven de stad uit. Het verbaasde me dat het vuur zich niet verplaatste. Oscar liep voor me uit en begon te ratelen over van alles en nog wat; schuurorgies, veganistische koekjes bakken, herten houden en pruiken maken van vers hooi. Het was een grote warboel. Het was een verademing. 

    Ik raakte hem even kwijt in een park waarvan ik niet wist dat het überhaupt bestond. De dodo was krijsend langs ons de bosjes in gerend. Oscar was achter hem aan gesjeesd met veel kabaal. En dus ging ik op de rand van de lege fontein zitten. Het noorderlicht zwierde nog altijd boven de stad, en ik geloof dat we dichter bij het vuur waren dan we doorhadden, want ik kreeg het warm en trok mijn jasje uit.

    De stilte overviel me. Ik voelde een knoop knellen in mijn borstkas. De eenzaamheid voelde oneerlijk. 

    Trouwens, nog voor we het park betraden en Oscar zijn jacht op de dodo begon, kwam er een draaiorgelparade langs. Het was een herrie van jewelste die perfect inspeelde op de onrust in mijn kop. Pas toen ik er iets over zei, begon Oscar over de futiliteit van parades en dat hij draaiorgels verwerpelijke uitvindingen vond. Hij kon er nu al helemaal niet meer naar luisteren, omdat de man die vooraan liep hem deed denken aan zijn vader die nooit tijd voor hem had. 

    ‘Ik heb nooit geweten wat voor werk hij deed, want hij zei altijd: “de plicht roept”. Ik denk dat hij niet aanvoelde dat degene voor wie hij aan het zwoegen was en dat alles wat hij voor mij en mama had opgebouwd traagjes liet verwelken als de rozen die ik thuis ben vergeten water te geven. Help mij even herinneren, lieve mooie Maurice, dat ik dat nog doe.’ Ja, en toen zag hij de dodo en was ik hem kwijt. 

    Ik keek om me heen. In de verte hoorde ik de draaiorgelmuziek en boze buurtbewoners schreeuwen. Ik kreeg het koud en sloeg mijn jas om mijn schouders. Terwijl ik aan Louis dacht en me afvroeg of hij wel de juiste brokken voor Chess had meegenomen, hoorde ik geroezemoes. Voor een bank zaten twee jongens met elkaar te kibbelen, ik vermoedde een koppel. Beiden hadden ze gelig blond haar en droegen ze enkel een kapotgescheurde spijkerbroek. Ik beeldde me in dat ze beiden op een dag hadden besloten eerst van zichzelf te houden en toen elkaar tegen het lijf waren gelopen. Ze zaten hand in hand languit op de grond met hun benen uitgestrekt. Ze keken vermoeid naar het noorderlicht, dat langzaam transformeerde in een paarse gloed, en dan weer groen en dan rood werd. 

    ‘Waarom zitten jullie niet op het bankje?’ vroeg ik. 

    ‘Wat gaat jou dat aan?’ zei de linker. 

    ‘Ja, ga lekker zelf op een bankje zitten als je dat nodig vindt,’ zei de rechter. 

    ‘Zo begin je toch niet een gesprek. Vraag eerst even hoe het gaat.’ De linker gaf me een knipoog. 

    ‘Ja, en vergeet vooral niet te groeten.’ Ook zijn partner knipoogde en kneep in zijn tepel. 

    In koor: ‘Ja, doe niet zo lelijk!’ 

    ‘Lelijk?’ vroeg ik. Ik voelde aan mijn gezicht, alsof ze mij hadden vervloekt.

    ‘Hij noemt je lelijk,’ zei de rechter tegen de linker.

    ‘Waarom denk je nu direct dat hij het tegen mij heeft?’ 

    ‘Dat lijkt me meer dan logisch.’

    ‘Zeg.’ 

    ‘Het spijt me,’ zei ik in mijn beste poging om de gemoederen tot bedaren te brengen. Ik was er ergens van overtuigd dat het nog best gezellig kon worden. Ik maakte een knoopje van mijn overhemd los. De linker knipoogde nog een keer. Hij had groene ogen. De rechter bruine. Zo hield ik ze uit elkaar. 

    ‘Kijk, hij biedt tenminste zijn excuses aan. Dat doe jij nou nooit,’ zei de linker. 

    ‘Ik vind het echt niet correct,’ blies de rechter. Stuntelig hees hij zichzelf omhoog. Toen hij op zijn benen stond viel hij bijna als een dominosteen naar achter. 

    ‘Ik ga naar huis,’ zei hij.

    ‘Welk huis?’ 

    ‘Dat zie ik nog wel.’ 

    ‘Lummel, we hebben helemaal geen huis.’

    ‘Hoe noem je mij?’ 

    De linker sprong op en gaf de rechter een duw. 

    ‘Ik heb het helemaal gehad met jou!’

    Het was tijd om te vertrekken. Ze wekten hetzelfde onaangename gevoel in me op, alsof ik hondenkak aan mijn schoenzool moest afvegen in het gras. 

    Dus liep ik om de fontein en volgde het pad. Door de weinige planten en bomen had ik het gevoel dat ik door een gevangenispark liep. Door de hekken van het park zag ik een fietser omvallen. Een magere kat glipte tussen de spijlen door en sprong op een auto. Een vals orkest van draaiorgels en sirenes versmolt met het gegil van Oscar en het geschetter van de dodo. 

    Ik stak een sigaret op en poogde om al het kabaal van de omgeving te negeren. Louis zei altijd dat ik moest mediteren en de energie van mijn omgeving tot me moest nemen. Ik keek om me heen en zag vooral platgetrapte narcissen, onkruid en mos tussen de tegels. Nachtvogels die op dorre takken zaten en met het valse orkest mee krijsten. 

    Waar bleef Oscar? Ik verloor mijn geduld. Ik hoefde helemaal niet op hem te wachten. Ik kon beter teruggaan, een poging wagen om Louis terug te winnen. Het park uitrennen, en hem roepen tot hij tevoorschijn kwam. Met volle overtuiging zou ik vertellen dat ik aan al zijn eisen zou voldoen en nooit meer met een theedoek een vettige pan zou afdrogen. 

    Ik slenterde door en schrok toen Oscar in zijn onderbroek tussen de bomen vandaan sprong. De zweetdruppels dropen van zijn glimmende lijf. Ik maakte nog een knoopje van mijn overhemd los en volgde een druppel die over zijn buikspieren naar beneden gleed.

    ‘Maurice, ik ben mijn jurk kwijt,’ zei hij hijgend. ‘Probeer nooit de dodo te vangen. De dodo komt je vanzelf wel halen. Geloof mij, ik ben net ontsnapt.’ 

    Oscar pakte mijn hand, nog altijd teder zacht, en sleurde mij het park uit. 

    We wandelden over de Hazengracht. Oscar had een zilveren lamé jurk bemachtigd terwijl ik in de gracht aan het plassen was. Bij een nachtwinkel kochten we twee blikken bier. Oscar stond erop dat ik hem vergezelde naar een assemblee op het Walvisplein.

     ‘Dat wil je niet missen,’ zei hij luid. 

    Ik liep stilletjes door. Oscar liep voor me uit en neuriede The Power of Good-Bye van Madonna. De jurk zat strak om zijn lijf waardoor zijn mooiste lichaamskenmerken werden geaccentueerd. Zijn brede borstkas met de paar krullerige rode haartjes, de ribbels van zijn ribben, zijn delicate derrière. Hij nam wijde voetstappen en slokte zijn bier in een teug op, klom op de motor van een auto en sprong met een salto weer op de stoep. 

    We leefden inderdaad langs elkaar heen. Louis wilde dingen van mij die ik niet begreep, zoals nadenken over mijn levenstestament. Hij zei dat ik een hert was, en dat hij zich als een wolf voelde. Ik wist nooit zo goed wat ik moest met die voetnoten, dus slenterde ik naar boven, of vertrok naar De Preutse Lola. Louis had de neiging om constant alles strak te trekken. Terwijl ik het juist zo fijn vond dat we eigenlijk helemaal geen rechte lijnen nodig hadden. De mens heeft dat ooit bedacht. Maar in het leven zijn er helemaal geen strakke lijnen. Dat had ik in de kas gezien, waar de snavels van de robuuste vogels zo krom waren dat ze bijna hun borstkas raakten. Het zat in de maniertjes hoe ik Oscar zag bewegen in het openbaar. Die onverwachte momenten dat ie op mijn rug sprong of plotseling tussen mijn benen kroop en een koprol maakte. Zijn armen en benen leken van rubber, zo elastisch bewoog hij zich. 

    En toch, toen ik daar over die gracht slenterde, was ik zijn onstuimige gedrag beu. Zijn geneurie was inmiddels zo luid dat de lichten in de grachtenpanden een voor een aanflitsten. Bewoners hingen met vuisten in de lucht uit de ramen en maanden ons tot stilte. Terwijl we op de vlucht sloegen, zag ik in de verte het vuur verder opstijgen. De knoop in mijn borst werd strakker. 

    We naderden het Walvisplein. De oude kerk stond er nog altijd. Verderop, op de jeu-de-boulesbaan, zat een monter gezelschap aan een lange tafel. Ze droegen enkel kleurrijke stroken stof gedrapeerd over hun lijf. Hoekige pruiken hingen scheef op hun hoofd. 

    ‘Droomkind, kom erbij,’ riepen ze. Oscar sjeesde naar het hoofd van de tafel en seinde mij links naast hem te komen zitten. Met een zucht gehoorzaamde ik. 

    Het gezelschap dronk als dronken scheepsratten en sprak bezeten over de zin van onzin, het ontleden van pijn en andere abstracties. Verjaardagen vieren na je verjaardag, ultrakorte wandelingen, brabbelbroodbrunch met toffeecino’s als het buiten mist en konijnenoren kammen in vaag zonlicht. Ze noemden zichzelf de troostelozen, ingewikkelde zielen vast in disfunctionele lichamen. Ze berouwden hun onvolmaakte verleden, het wankele heden, en de uitzichtloze toekomst. En ze dronken vooral heel veel wodka. Ik vond het na vijf shotjes wel mooi geweest. Ik deed mijn best om mee te praten over snorhaarsnoeiseizoenen en tapijten smokkelen over de Noors-Zweedse grens, maar mijn aandacht was steeds meer gevestigd op naar wat leek eeuwig brandend vuur. Het noorderlicht leek gedoofd en vervangen door een oranjerode lucht. Het was heet. Ik keek naar Oscar. Nog altijd was hij de meest betoverende jongen die ik ooit in mijn leven had gezien. Met zijn perzikbilletjes, zijn krachtige lijf en die zalige brede glimlach. Als een dirigent stond hij op een wiebelende boomstronk te babbelen en te drinken. Hij proestte, weende terwijl zijn armen wild heen en weer bewogen. 

    Hij vermoeide mij nu, en ik kreeg de zenuwen van die vlammen. Al de hele avond knelde de knoop in mijn borst strakker als ik naar dat vuur keek. Ik hield het niet langer uit. Ik was bekaf en toen zag ik de dodo, die met onhandige sprongetjes mijn aandacht vroeg. 

    Ik nam geen afscheid van Oscar. Ik kon het niet. Ik moest en zou de controle over de situatie houden. Ik liep achter de dodo aan, richting het vuur. De dodo krijste en kierde en ik raakte verslaafd aan het getik van de nagels van zijn pootjes op de grond. Op de achtergrond hoorde ik nog het gebral op het Walvisplein. Ze spraken harder en harder. En er gingen weer lichten aan in de grachtenpanden, een voor een. En alles in mij deed pijn. Ik voelde een steek in mijn linkerborst die mij beangstigde. Mijn benen voelden loodzwaar, mijn voetzolen deden pijn. Ik voelde mijn hoofd bonken en het zweet van mijn voorhoofd druipen. Ik had Oscar gedag moeten zeggen. Er ging weer een lamp aan in een keuken aan en de dodo krijste keuuur, kueeur, en ik struikelde bijna en viel tegen een auto en ik kreeg een ontzettend droge keel, en toen zag ik een man achter een gordijn zijn licht aansteken en hij schoof het raam open, en smeekte mij om stil te zijn, en ik wierp mezelf weer de straat op, en haastte me verder naar het vuur, achter de dodo aan. 

    De dodo trippelde nu zo snel voor mij uit dat ik moest rennen, en toen bedacht ik dat Louis ook altijd voor mij uitrende, terwijl ik in mijn hoofd ging hangen, op die koude zolder. Als een slapende vleermuis. En nu is hij weg, en dat mag, als hij weg wil mag dat. Ik overleef mijn hartzeer wel. Ik koop een krot met Oscar, midden in de kas en in de nacht rennen we achter dodo’s aan in het park, om de fontein. En we gaan zo vaak als we willen naar De Preutse Lola en daar vieren we elke nacht de succesvolle borstverwijdering van Toby en zingen we de meest opbeurende popliedjes zoals Gimme! Gimme! Gimme! (A Man After Midnight) en Wuthering Heights. Want het is gewoon oneerlijk, Louis, wat jij deed. Zoiets doe je gewoon niet. Hoor je me eigenlijk wel? Of zal ik net zo hard schetteren als dat dwaas gevogelte? Ik ben inmiddels stampend te voet op weg naar je, naar ons huis, Louis! Ik kom de vlammen wel tegemoet.

    En terwijl dit alles door mij heen spookte, sjeesde ik nog steeds achter de dodo aan, die kriskras over de stoep sprintte. De vlammen woekerden hoger en hoger. Een zwarte rookpluim verblindde het naderende begin van een nieuwe dag. Mijn ogen prikten …

    … En ik lag op de grond. Het enige wat ik nog zag was een naar beneden gekromde snavel. En toen ik mijn ogen sloot een wijde, lieve lach.


    Daan Koster (foto: Zindzi Zwietering)

    Daan Koster (1991) woont in Amsterdam en studeert aan de Schrijversvakschool. Hij schrijft proza, poëzie en bij vlagen toneel. Met een ongebreidelde energie dompelt hij de lezer onder in zijn eigenzinnige verhalen. Queer, absurdistisch en met een grenzeloze verbeelding. Puur om dit vreemde leven enigszins te begrijpen.

  • Saskia de Coster kiest ook voor … ‘Kaarsvetpoten’ van Julie Vanhoenacker

    Saskia de Coster kiest ook voor … ‘Kaarsvetpoten’ van Julie Vanhoenacker

    Intussen zijn we weer aanbeland bij de laatste peetouderkeuze van het seizoen genaamd #48 Vervreemding. En het is niet de minste! Saskia de Coster kiest als tweede favoriet voor ‘Kaarsvetpoten’ van Julie Vanhoenacker. Saskia’s lofrede en de eerste pagina van het verhaal kan je hier lezen!


    Saskia de Coster

    “Deze tekst trekt als een rivier voorbij, de stroming is sterk dus je gaat mee in de interne monoloog van een vrouw die een fout heeft gemaakt en achter haar mogelijke moordenaar aan loopt, op zoek naar de paarden die zij heeft laten ontsnappen. terwijl ik het verhaal lees komen twee boeken die ik onlangs las zich opdringen. Het ene is Gliff (2024) van Ali Smith, waar twee kinderen in een dystopische wereld aan hun lot overgelaten worden en zich gaan ontfermen over een paard dat naar het abattoir moet. In hun wereld wordt alles gezien en is enkel je verbeelding een weg uit de vervreemding. Ook dacht ik aan “Het goede kwaad” van Samanta Schweblin die in haar werk de vervreemding en de angst dat het fout loopt in het dagelijkse leven de boventoon laat voeren. In Julie Vanhoenackers verhaal of eerder koortsdroom kan een openstaand hek leiden tot een mogelijke femicide. Sterk.”


    Lees hier de eerste pagina van Kaarsvetpoten:

    Kaarsvetpoten
    Julie Vanhoenacker

    ik heb het verroeste hek achter het bos opengelaten omdat ik geen roest op mijn handen

    wou en daardoor zijn de paarden weggelopen en ik ben de verantwoordelijke, ik dacht

    dat ze zouden blijven want het gras is daar hoog en meer hadden ze nergens kunnen

    vinden maar de wereld is nog hoger en daar had ik niet aan gedacht en dan hij, de man

    die slaat maar niet enkel, hij, de man die dreigt want, hij: als we de paarden niet

    terugvinden, vermoord ik je en dus veel te groot om te geloven dus ik geloof het niet

    maar toch voel ik me wel lichtjes bedreigd en hoop ik dat die verdomde paarden niet te

    ver het bos in zijn gelopen, een bos waar de vochtigheid zwart doet kleuren en de stilte

    verontrust want zelfs hij is plots stil geworden, hij, hier in dit bos, woordeloos en ik vraag

    mij af waarom hij niet verder praat, of hij spijt heeft van wat hij net heeft gezegd of

    misschien ligt het aan het bos, misschien voelt hij, de man die mij afschrikt, zelf een

    beetje angst, misschien voelt hij zich ook onveilig maar dan niet om dezelfde reden want

    ik denk niet dat hij zich bedreigd zou voelen door mij, ook al zou ik zoiets zeggen als ‘ik

    zal je vermoorden’, hij zou lachen, hij, de man die lacht met zijn gele tanden bloot en

    waarom, hoe komt het dat ik hem ooit aantrekkelijk heb gevonden, ja, ja, omdat hij zoals

    iedereen was maar dan net anders en dat anders kon ik natuurlijk niet vatten en wat je

    niet kan vatten wil je aanraken, zodat je tenminste weet hoe het voelt, 

    het is kwart voor acht en het schemert en we zijn beiden achter de oogleden van het bos 

    die haar ogen langzaam sluit dus wij de donkerte in, ik wil hem vragen of hij onder de indruk is van deze overkoepelende stilte maar ik weet dat zelfs mijn ademhalingen al te luid zijn, laat staan mijn woorden of mijn vragen, dus 

    ik 

    blijf stil en loop achter hem aan en nu valt het me op, na twee jaar met hem samen te wonen zie ik nu pas hoe zijn ruggengraat scheef staat, zijn schouders staan niet op dezelfde 

    horizontale

    lijn en hij wandelt (gepuncteerd, nooit in hele noten altijd kort en marcato maar dan

    experimenteel), zo onhandig dat ik mijn lach moet inhouden, god ik

    hoop dat ik niet lach want anders zou hij — maar waarom merk ik dit nu pas op, die

    oneven schouders, was dat het dan, misschien, wat zo anders was aan hem, die rare lijnen,

    (fa-sleutel lijnen), overal tot in zijn oren die draaien tot in het oneindige van zijn

    lichaam, dat was misschien wat mij tot hem aantrok en hoe meer ik ernaar kijk, hoe

    meer zijn schouders iets weg hebben van een ongezonde boom met gerimpelde takken,

    tussen al die bomen is hij het boomst, want hij is levend en bomen ook maar bij hem

    kan je het duidelijk zien want hij beweegt, hij leeft en dat is waarschijnlijk waarom we bomen beschouwen als materie, als tafel of deur, want een tafel of deur kan niet wandelen en de tak naast mij wandelt mee, ik lieg niet want ik zie het; een dunne tak is beginnen

    meewandelen, naast mij


    Lees je graag de rest van deze tekst? Koop dan snel Kluger Hans #48 Vervreemding in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch dit nummer toegestuurd als welkomstexemplaar én steun je een van de meest eigenzinnige literaire tijdschriften die er zijn.


    Julie Vanhoenacker.

    Julie Vanhoenacker (2003) schrijft zowel in het Frans als in het Nederlands. Ze interesseert zich in de eigenheid van beide talen en hoe deze een verhaal beïnvloedt. Julie exposeerde in La Vallée een film met een tekst over het verband tussen lichamelijkheid en oorlog. Momenteel onderzoekt ze hoe de schrijfstijl en het ritme de spanning in een poëtische thriller kunnen beïnvloeden en versterken.

  • ‘FC Burgum’ – Marieke Ornelis

    ‘FC Burgum’ – Marieke Ornelis

    Terwijl de inbox van de redactie zich intussen aardig vult met inzendingen voor #49 Ornament (lees de oproep hier) gaan we op het Roergebied nog even verder met #48 Vervreemding en de fantastische diversiteit aan werken die we ontvingen. We waren onder meer heel blij met inzendingen die door hun format niet echt in het papieren blad zouden passen, maar ideaal zijn voor onze virtuele achtertuin. Hieronder lees je Marieke Ornelis’ ‘FC Burgum,’ een spektakel van tekst en beeld over wat je over het leven leert bij een plaatselijke voetbalvereniging.


    Marieke Ornelis – ‘FC Burgum’


    Marieke Ornelis (foto: Qiqi van Boheemen)

    Marieke Ornelis (1999) is schrijver, dramaturg en theatermaker. Haar teksten verschenen eerder bij De Internet Gids, Papieren Helden, Samplekanon en De Revisor. Op dit moment werkt ze aan haar debuutroman, die zal verschijnen bij de Arbeiderspers.

  • Steven Van Ammel kiest ook voor … ‘Er is niemand zoals jij’ van Ajda Bračič, vertaling Marieke Haenebalcke

    Steven Van Ammel kiest ook voor … ‘Er is niemand zoals jij’ van Ajda Bračič, vertaling Marieke Haenebalcke

    Steven Van Ammel koos als eerste favoriet ‘What sort of creature are they anyway? van Sanne Morssink, maar heeft eveneens karrenvrachten vol admiratie voor ‘Er is niemand zoals jij’ van Ajda Bračič, vertaald door Marieke Haenebalcke, net als zijn ‘collega’ peetouder Saskia de Coster! Zijn lof over deze tekst en een tweede tip van de sluier die secuur om dit verhaal heen is gedrapeerd vind je hier.


    Steven Van Ammel (foto: Saskia Vanderstichele)

    “Vervreemding begint bij herkenbaarheid. Dat heeft Ajda Bračič goed begrepen, of was het haar vertaalster? Of de redacteur die deze tekst koos? De tekst roept wel meer vragen op. Hebben we hier te maken met een dubbelgangersmotief of is er sprake van dissociatie bij de verteller? Lezen we hoe de verteller zichzelf vindt?  “Vergeet niet, het kan altijd gebeuren dat levenslijnen elkaar kruisen en per abuis worden verwisseld.” Het herinnert me aan het werk van Samanta Schweblin. De ongekunstelde taal, de centrale rol voor jeugdherinneringen, een gewelddadig beeld halfweg een idyllisch tafereel. “Iedere zomer zagen mijn polsen rood van de snijwonden door de vlijmscherpe grassprieten en de insectenbeten.” Een raadselachtige tekst die doet verlangen naar meer. Zijn er redacteurs en uitgevers met een abonnement op Kluger Hans?” aldus Steven Van Ammel.


    Lees hier de tweede pagina van Er is niemand zoals jij. De eerste pagina vind je hier.

    Er is niemand zoals jij
    Ajda Bračič (vert. Marieke Haenebalcke)

    Ik keek haar steels aan, vanonder mijn wenkbrauwen, zoals kinderen kijken naar iets wat ze leuk vinden of dat hen nieuwsgierig maakt. Ze riep me bij zich.

    ‘Ik heb iets voor je.’ Uit het niets toverde ze een klein mes tevoorschijn. Je kon het inklappen en het lemmet was al wat bot. Op het handvat blonk een minuscuul zilverkleurig kruisje.

    ‘Als ik het je geef, beloof je dan dat je er niemand over zal vertellen?’ Ze boog zo dicht voorover dat haar geur van aarde en zweet me bedwelmde.

    Ik knikte. Ik was er vrij zeker van dat mijn ouders me het mes nooit zouden laten houden. Haastig verstopte ik het in mijn zak.

    ‘Flink zo,’ zei Majda, die weer rechtop ging staan. ‘Zeg ‘ns,’ zei ze. ‘Wat wil je later worden?’

    ‘Als ik groot ben, zal ik jou zijn,’ antwoordde ik zonder nadenken.

    Ze lachte en keek me toen fronsend aan. ‘Ik hoop dat je een grapje maakt,’ zei ze.

    Ik hield ervan hoe ze lachte: met haar hoofd diep in haar nek en haar handen op haar knieën. Ze was best anders dan de mensen daar, die oud en achterdochtig waren zoals mijn grootmoeder, of jong en de hele tijd bang zoals mijn ouders. Of ze nu op het land werkten, naar hun werk reden of zelfs in de lokale herberg samenkwamen, zodra de kerkklok luidde, keken ze schichtig omhoog en namen ze gauw afscheid. ‘s Middags konden er namelijk ineens onweersbuien over de vlakte trekken om de velden met vuistgrote hagelstenen te treffen. Als ik nu terugdenk aan die tijd, hoor ik mijn vaders fiets knarsen op het pad naar de hoofdweg, en zie ik de rook die laag door het deurtje van de broodoven kringelde. Iedere zomer zagen mijn polsen rood van de snijwonden door de vlijmscherpe grassprieten en de insectenbeten. Meer dan dat kende ik eigenlijk niet: het huis, de onweersbuien, de klokken die luidden in de verte. Ik dacht dat het altijd zo zou blijven. Majda is nooit getrouwd en heeft nooit kinderen gekregen. Ze zorgde voor haar bejaarde vader. Toen hij gestorven was, ging ze op een dag gewoon weg. Als ik er goed over nadenk, ben ik nu ongeveer zo oud als Majda toen ze verdween. Het huis liet ze leeg achter en de mais vergeelde op het veld, om in de vroege ochtend door herten opgepeuzeld te worden. Maar ze had Stela wel meegenomen, en dus wist ik dat ze uit eigen wil was vertrokken.

    Lees je graag de rest van deze tekst? Koop dan snel Kluger Hans #48 Vervreemding in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch dit nummer toegestuurd als welkomstexemplaar én steun je een van de meest eigenzinnige literaire tijdschriften die er zijn.


    Dit is een verhaal uit Bračič‘ verhalenbundel Leteči ljudje (“Vleermensen,” 2022). De Nederlandse vertaling van deze tekst kwam tot stand binnen het Europese talentontwikkelingstraject Connecting Emerging Literary Artists (CELA). Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door Creative Europe, Literatuur Vlaanderen en het Letterenfonds. Ontdek meer via www.cela-europe.com.


    Ajda Bračič (foto CELA)

    Ajda Bračič (1990) studeerde architectuur en werkt als redacteur, schrijver en architect. In 2022 verscheen haar literaire debuut, de verhalenbundel Leteči ljudje (“Vleermensen”) bij uitgeverij LUD Literatura.

    Het boek werd bekroond met de Maruša Krese-prijs voor korte verhalen en de Kritiško Sito-prijs (‘keuze van de critici’), en werd genomineerd voor het beste Sloveens debuut.

    Ajda schrijft regelmatig over architectuur en cultuur in de Sloveense media.

    Marieke Haenebalcke (foto CELA)

    Marieke Haenebalcke (1986) leest, schrijft en vertaalt uit het Sloveens, Frans en Engels.

    Ze studeerde slavistiek, literatuurwetenschappen en vertaler-tolk in Gent en Ljubljana.

    In 2018 vertaalde ze de bestseller Beautiful Boy van David Sheff en in 2024 verschenen haar vertalingen van Derrière la haine (Barbara Abel) en de bundel Our Colonial Inheritance (Wendeline Flores en Wayne Modest) voor Wereldmuseum Amsterdam.

  • Saskia de Coster kiest voor … ‘Er is niemand zoals jij’ van Ajda Bračič, vertaling Marieke Haenebalcke

    Saskia de Coster kiest voor … ‘Er is niemand zoals jij’ van Ajda Bračič, vertaling Marieke Haenebalcke

    Ervaring, legacy, een steuntje in de rug, aanmoediging en domweg de vreugde gezien te worden voor je schrijfkunst: er is zo veel dat gevestigde talenten en professionals uit het literaire veld kunnen bieden aan beginnende schrijvers. Daarom vragen wij voor elke editie van Kluger Hans twee personen uit de Vlaamse of Nederlandse boekenwereld (romanciers, dichters, journalisten, critici, boekverkopers, etc.) om op te treden als peetouder voor dat nummer. Zij kiezen twee teksten die hen bijzonder aanspreken en lichten kort toe wat zo’n tekst nu zo goed maakt. De peetouders van Kluger Hans #48: Vervreemding zijn Saskia de Coster en Steven Van Ammel.

    De eerste lievelingstekst van Saskia de Coster is ‘Er is niemand zoals jij,’ een kort verhaal van de Sloveense auteur Ajda Bračič, in de vertaling van Marieke Haenebalcke. Lees hier wat Saskia ervan vond, en lees ook de eerste pagina van het verhaal.


    Saskia de Coster

    Saskia de Coster over ‘Er is niemand zoals jij’

    “Het beklijvende verhaal van dubbelgangers en de mogelijke levens die ze met zich meebrengen. Er is de kinderloze, oude boerin op het platteland die er exact als de hoofdpersoon uitziet en dezelfde gedachten heeft, er is een moeder met een klein kind die haar uiterlijk heeft en in de supermarkt het laatste ijsje neemt – hazelnoot, goeie keuze en toevallig ook de lievelingssmaak van de ik-persoon.

    De derde dubbelganger, een prijswinnende biologe, gaat ze zelf opzoeken tijdens een lezing. En dan en dan … de vervreemding in personen, of hoe je uit jezelf kan verdwijnen.”


    Lees hier de eerste pagina van Er is niemand zoals jij:

    Er is niemand zoals jij
    Ajda Bračič (vert. Marieke Haenebalcke)

    Dat zei je ooit om me te charmeren, als minnaars in een film. Maar ik wist toen al dat je het mis had. Iedereen lijkt wel op iemand anders en iedereen heeft wel een ander die op hem of haar lijkt. Ze zeggen zelfs dat iedereen op de wereld minstens één dubbelganger heeft, en ik weet wel zeker dat ik er minstens één heb: ik ontmoette er namelijk drie.

    De eerste was Majda, een rijzige vrouw die bij ons mais verbouwde. Ze bezat een stuk grond bij het huis, waar ik als kind woonde – het huis stond op een kleine heuvel met aan de voet een akker. Ze kwam meermaals per jaar met de tractor en haar bordercollie, die luisterde naar de naam Stela. Wanneer Majda aan het werk was, zat Stela naast haar in de cabine of speurde ze langs de akker naar woelmuizen en veldmuizen.

    Majda was ongeveer dertig jaar ouder dan ik, maar ze was onmiskenbaar mijn dubbelganger. Onze gezichten waren precies dezelfde, al waren haar gelaatstrekken iets scherper dan die van mij. Ze had kuiltjes in haar wangen, net als ik, en op een keer mocht ik met het topje van mijn vinger eerst die van haar en daarna die van mij aanraken. Vanaf de heuvel zag ik hoe ze de aarde ploegde en er lange voren in trok. Aan het einde, waar de akker overging in een modderig grasveld, maakte de tractor elegant rechtsomkeert, en ik leerde een nieuw woord kennen: akkerrand. Vaak kwam ze, als ze klaar was op het veld, even langs bij het huis. Dan zaten we buiten op het bankje onder de pergola van druivenranken met een dauwfris glaasje ijsthee. Boven de beek stegen zwermen vliegjes op die zich verdichtten tot doorschijnende wolken. Mijn ouders maakten een praatje met Majda en ik mocht met Stela spelen.

    Ik weet niet of Majda zich ervan bewust was dat ze mijn dubbelganger was. Of was ik die van haar? Toen leek het mij zonneklaar dat ze begreep dat we een bijzondere band hadden.

    Ze rookte pijp – stel je voor! Als het uitzonderlijk warm was, stond ze in de schaduw bij het huis en spuugde ze stukjes grofgesneden tabak op het grind. Met haar slobberige shirt en een strohoed op haar hoofd zag ze eruit als een vagebond of een goede fee uit een verhaal.

    Lees je graag de rest van deze tekst? Koop dan snel Kluger Hans #48 Vervreemding in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch dit nummer toegestuurd als welkomstexemplaar én steun je een van de meest eigenzinnige literaire tijdschriften die er zijn.


    Dit is een verhaal uit Bračičverhalenbundel Leteči ljudje (“Vleermensen,” 2022). De Nederlandse vertaling van deze tekst kwam tot stand binnen het Europese talentontwikkelingstraject Connecting Emerging Literary Artists (CELA). Dit project wordt mede mogelijk gemaakt door Creative Europe, Literatuur Vlaanderen en het Letterenfonds. Ontdek meer via www.cela-europe.com.


    Ajda Bračič (foto CELA)

    Ajda Bračič (1990) studeerde architectuur en werkt als redacteur, schrijver en architect. In 2022 verscheen haar literaire debuut, de verhalenbundel Leteči ljudje (“Vleermensen”) bij uitgeverij LUD Literatura.

    Het boek werd bekroond met de Maruša Krese-prijs voor korte verhalen en de Kritiško Sito-prijs (‘keuze van de critici’), en werd genomineerd voor het beste Sloveens debuut.

    Ajda schrijft regelmatig over architectuur en cultuur in de Sloveense media.

    Marieke Haenebalcke (foto CELA)

    Marieke Haenebalcke (1986) leest, schrijft en vertaalt uit het Sloveens, Frans en Engels.

    Ze studeerde slavistiek, literatuurwetenschappen en vertaler-tolk in Gent en Ljubljana.

    In 2018 vertaalde ze de bestseller Beautiful Boy van David Sheff en in 2024 verschenen haar vertalingen van Derrière la haine (Barbara Abel) en de bundel Our Colonial Inheritance (Wendeline Flores en Wayne Modest) voor Wereldmuseum Amsterdam.

  • Steven Van Ammel kiest voor … ‘What sort of creature are they anyway? van Sanne Morssink

    Steven Van Ammel kiest voor … ‘What sort of creature are they anyway? van Sanne Morssink

    Naar aloude gewoonte gingen de peetouders van #48 Vervreemding aan het grasduinen in het nieuwste nummer en kozen ze hun favoriete teksten. De eerste lievelingstekst van Steven Van Ammel is ‘What sort of creature are they anyway? van Sanne Morssink. Je ontdekt hier wat hij ervan vond!


    Steven Van Ammel (foto Saskia Vanderstichele)

    “Hoe heerlijk om vrij van vooroordelen op teksten te vallen. Geen flaptekst scannen in de boekhandel, geen spoilers vermijden in recensies. Mijn oog viel eerst op het verhaal van Sanne Morssink, logisch want vooraan in het nieuwe nummer van Kluger Hans. Maar ik bleef terugkeren naar de tekst. Het begint met dat enigmatische woord “we”. “We slapen niet want we zitten dag en nacht achter de vuurvliegjes aan…” We hebben memorabele teksten te danken aan de eerste persoon meervoud. Denk aan de tweeling in het Dikke Schrift van Agota Kristof of de jongens in De zelfmoord van de meisjes van Jeffrey Eugenides. Met dit perspectief lokt Morrsink ons moeiteloos haar tentje in, waar de vervreemding toeslaat. Want wie is die we? Van wie zijn die zweterige plooien? Van herkenbaar naar beklijvend bevreemdend in een kleine pagina.”


    Lees hier de eerste pagina van ‘What sort of creature are they anyway?’:

    What sort of creature are they anyway?
    Sanne Morssink

    We slapen niet want we zitten dag en nacht achter de vuurvliegjes aan: Photuris frontalis geeft
    een snel knipperend lichtsignaal af, terwijl Photinus carolinus een ritme van gecoördineerde
    pauzes tussen de signalen door inlast. Opgewonden kruipen we in onze tent en trekken we onze
    gele sokken hoog op over onze joggingsbroek. Als een slak glijden we in onze slaapzak. We
    knipperen met onze zaklamp zodat we er tegelijkertijd wel en niet zijn. In onze tent ontrafelen
    we het geheim achter de naam van onze soort – we proberen een droog woord te vormen maar er
    groeit iets in onze keel. Een sfagnumachtige knobbel en dan druipt er iets naar beneden, van
    binnen scharnieren en draaien we in onze schil: in ons resoneren de geluiden van het nachtleven
    in een moeras.
    Ze hebben ons nog zo gewaarschuwd: zet je tent niet te dicht bij het drassige, wie weet
    wat daar huist, onderzoekers zijn niet gevoelig
    voor spookverhalen. Lachten we hardop. Er knaagt zachtjes iets met scherpe tanden
    aan onze tent, we horen een traag en scheurend geluid: we draaien onze ruggengraat die nu
    zachter is
    we lekken een beetje uit onze slaapzak, we wurmen met onze armdingen: de stof voelt
    kleverig
    we gluren naar buiten met onze rode ogen. Er is hier iets in deze tent dat zich verzet
    tegen onze aanwezigheid
    we snuiven aan deze vreemde entiteit die hier ligt te knipperen met haar lamp, we likken
    aan haar zweterige plooien en we wriemelen onder haar natte oksels
    we veranderen binnenin geërodeerde categorieën, we eten huid en botten als een
    metabolisch tovenaar
    we ademen in haar donkere vochtige mond. Ze trekt haar gele sokken uit en vlucht
    krijsend en op blote voeten het bos in
    het is nu aardedonker maar we kunnen goed in het donker zien, we kruipen op onze buik uit
    de tent
    we hebben een biolumnicent lichaam maar geen huid
    we verzamelen modder en boetseren niet-menselijke vormen die we opeten en weer
    uitscheiden, slijm en mos vermengen zich met de geur van licht
    we herinneren ons in een diepe groef onze transrationele guts. We sidderen,
    we verlangen naar water en we rekken ons uit
    we groeien naar vochtige plekken als een lange donkere nacht die over een eiland valt
    we kruipen over takken als schriftmos.


    Lees je graag de rest van deze tekst? Koop dan snel #48 Vervreemding in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch dit nummer toegestuurd als welkomstexemplaar!


    Sanne Morssink (foto Hanneke Laaning)

    Sanne Morssink (1984) is dichter, schrijver, shapeshifter en curator van verhalen en beeldende kunst. Sanne gebruikt fictie, meditatie, verbeelding, taal en schrijven, spelvormen en belichaamde kennis als onderzoeksmethoden en als manieren om kennis en betekenis te maken. Sanne houdt van Zuid-Amerikaanse magie, van sciencefictiondichters en van natuurkunde en mythologie. Sanne publiceerde eerder in De Revisor en bij Notulen van het Onzichtbare.

  • Astrid Haerens kiest ook voor … ‘Dode dingen’ van Hannah Roels

    Astrid Haerens kiest ook voor … ‘Dode dingen’ van Hannah Roels

    Tijd voor de laatste peetouderkeuze! Meter Astrid Haerens kiest als tweede favoriete tekst het kortverhaal ‘Dode dingen’ van Hannah Roels.

    Astrid Haerens.

    “Hannah Roels schreef een verhaal waar bij het herlezen steeds meer te ontdekken valt. Heerlijk om op slechts enkele bladzijden in een heel universum te worden getrokken, een trillend universum dat mijn honger stilt. Roels zinnen zijn even beenhard als het bospad, maar af en toe zet de auteur secuur een niet minder dan zinderend beeld neer: seks met de smaak van ansjovispizza’s, ‘friste ligt als armen rond de chalet’, ‘de spieren van beukenstammen’. Het verhaal zit vol contrasten: een vrouw als moeder versus een geil seksueel wezen, een verlangen naar isolatie versus één naar verbinding, kinderlijke onschuld versus de gruwel tussen dieren. Tussen de regels door wasemt een gruwelijke zwaarte, maar als lezer kan je blijven ademen, hoewel de lucht steeds minder zuurstofrijk wordt en de tekst me zowel opgewonden als met een verloren gevoel achterlaat.”


    Fragment uit ‘Dode Dingen’ van Hannah Roels:

    Beeldend werk van Felipe Muhr.

    Kort na het ongeluk. Ze sluipt op haar kousen de trap af. De mussen maken al kabaal. Ze klimt bij me in bed, steenkoude knietjes tegen mijn buik, brengt haar gezicht heel dicht bij dat van mij.

    ‘Mama.’

    Er dendert een auto over de kasseien.

    ‘Wij zijn nu getrouwd,’ kondigt ze aan en ik ruik haar speeksel.

    Ik draag haar als een pakketje naar de badkamer, til haar naar de kraan om deze open te zetten en vraag; ‘Ben jij dan de man of de vrouw?’

    Maar nu zijn we meer dan een jaar verder en begin ik er genoeg van te krijgen. Van het vastklampen. De vanzelfsprekendheid waarmee kinderen tegen je aankruipen, het zoontje van de poetshulp waarmee ze optrekt en dat ook al zo huilerig is. Ik heb meer dan ooit behoefte aan rust en ruimte.

    ~

    Mijn schoonzus belt en vraagt of ik morgen op mijn nichtje en haar vriendje kan passen. Ik schiet in de lach en zeg: ‘Als je ze tot hier brengt.’ Waarop ze antwoordt: ‘Prachtig, we zijn er voor de middag.’ Ik kijk uit het raam boven mijn werktafel. Gaat Diane drie uur in de auto zitten om de kinderen hier even af te zetten? Ik ken die toon, er ontsnapt iets aan haar controle.

    De friste ligt als armen rond de chalet. Ik rits mijn jas dicht en loop tot aan de bosrand. Dat smoezelige bruingroen, de tergend langzame overgang naar de lente. Het is lang geleden dat ik verder dan het dorp gewandeld ben. De velden liggen er braak bij en zo voel ik me zelf ook, stilgevallen en onbekwaam.

    ~

    Zijn chalet, vreselijk. De opgesloten geur, prullaria, accordeondeuren en veters tikkend op het laminaat. Ik wil zo snel mogelijk naar buiten.

    ~

    (…)

    ~

    We horen nog even de snelweg in de verte. Daarna onze stappen op het beenharde bospad, trillende insecten, een opvliegende vogel. Varens wiegend op handhoogte. De lichtstralen door het bladerdak als striemen, glinsterende vlekken, als een uitdrukking die over een gezicht glijdt. Mijn ochtendhumeur klaart volledig op, ik begin me goed te voelen bij deze kinderen, hoe ze hun voetjes tussen de boomwortels zetten en rondkijken. Langzaam verzamelt zich warmte in de lucht, dit wordt de eerste middag zonder jas. Het mos is nog bleek en kort, als een afgesleten tapijt, zon over de spieren van de beukenstammen. Vandaag heeft de wereld duidelijke contouren, een dag zo compact dat ze een schaduw kan leggen over het pad.

    ~

    Tegelijk moet ik toegeven dat haar nieuwe houding me bevalt. De middagen op het platteland lijken haar minder kleinzielig te maken. Ze hangt niet meer zo aan me.

    ~

    We wandelen nog geen uur en de bouvier heeft al een wild konijn te grazen. Het spartelt. Het schreeuwt vreemd ijl. We rennen. De hond geeft het konijn zonder problemen af, maar blijft rond ons jakkeren en trillen. De vacht van het konijn is goudbruin en glanzend tussen mijn vingers, ik vraag me af wat zijn opengesperde ogen zien. Het achterlijf is in een vreemde hoek gedraaid. De kinderen aaien zijn oren, ze proberen zijn worstelende lichaam te kalmeren, een veelheid van handjes rond me heen.

    ‘Ik ga hem zo snel mogelijk dood maken zodat hij geen pijn meer heeft,’ kondig ik aan. Onmiddellijk, zonder iets te zeggen, zetten ze een stap naar achter.

    Ik tast naar mijn opinel en zet het lemmet vast. Hoewel ik het mes pas heb geslepen, is het moeilijk om door de wervels te raken. Het konijnenlijf geeft een laatste spartel, als een flappende hand, en hangt zacht naar beneden in mijn arm.

    ‘Je kunt de nek ook breken, maar ik ben bang dat ze dan niet meteen doodgaan.’

    We stoppen de kop en het lijf in de plastiek zak waar onze boterhammen in zaten. Ik toon me zelfverzekerd, omdat ik bang ben voor hun emoties, maar het is de eerste keer dat ik dit doe.

    (…)

    Wil je de rest van ‘Dode dingen’ lezen? Koop dan #46 Het Dier in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #46 Het Dier toegestuurd als welkomstexemplaar! Geef jezelf eens een literair cadeautje.


    Hannah Roels. Foto door Gaby Jongenelen.

    Hannah Roels studeerde Romaanse talen en literatuurwetenschap. Ze gaf een paar jaar Frans aan migranten in Brussel en volgde het schrijfatelier van Els Moors. In 2017 verscheen haar debuutroman Het portret bij Prometheus. Ze werd geselecteerd voor Cela Europe in 2019. Haar korte verhalen worden gepubliceerd in De Gids en DW B. Op dit moment werkt ze aan een nieuwe roman.

  • Yousra Benfquih kiest ook voor … ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut

    Yousra Benfquih kiest ook voor … ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut

    Meter Yousra’s tweede favoriete kortverhaal is ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut. Ontdek hier wat ze van dit krachtig staaltje proza vindt!

    “Een tekst die me deed lachen en tegelijkertijd ontroerde is het kortverhaal ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut. De manier waarop Jutta het hoofdpersonage van de kaketoe als kaketoe – zo vrij mogelijk van antropomorfisme – tracht te belichamen is indrukwekkend, en heeft allicht te maken met haar achtergrond in de gedragsbiologie. Tijdens het verhaal wordt de innerlijke leefwereld van de vogel voortdurend gereduceerd (geluiden kunnen er alleen op wijzen dat hij broeds is of hongerig), en dat is exemplarisch voor hoe we met dieren omgaan: doorgaans vanuit een Cartesiaanse superioriteit die het dier misschien wel als lief, schattig, of wijs, maar in wezen niet als ‘kin’ ziet, als ‘more-than-human-other’. Het is alleen in dat soort denken dat mensen vergelijken met dieren beledigend kan zijn.

    Yousra Benfquih. Foto door Wouter le Duc.

    Het verhaal is doorspekt met hilarische inversies (‘Waarom zou je twee keer hetzelfde zicht willen hebben?’) en prachtige, voor mij bijzonder actuele, filosofische bespiegelingen over vrijheid en gevangenschap: ‘Misschien,’ zei ik tegen de chauffeur, ‘misschien zit ik helemaal niet opgesloten, maar zit jij vast. Want wie bepaalt wat binnen en wat buiten is?’

    In essentie gaat het verhaal voor mij daarover: over wie de macht heeft om te benoemen, te categoriseren in – aldus Jutta – de ‘onderverdeling der soorten’, om toe te eigenen, te onderwerpen en te domesticeren”, aldus Yousra.


    Fragment uit ‘Schreeuwbek’ van Jutta Callebaut:

    Guido had me in een nog kleinere kooi gewrongen en die op de achterbank van een taxi gezet. De taxichauffeur had de veiligheidsgordel om de kooi heen gebonden. We reden door één of ander Parijs’ arrondissement, zelf telde ik ze niet. Parijs was Parijs en straten waren straten en op de grond raakte ik hoe dan ook het noorden kwijt. 

    De kooi was zo krap dat ik niet eens mijn vleugels kon spreiden, ik had alleen net genoeg ruimte om bij iedere bocht, hobbel of put tegen de tralies geknald te worden. Dat gebeurde zo vaak en ging zo hard dat ik vreesde dat ze een lijk zouden afleveren aan mijn nieuwe assistent. Dan kreeg hij tenminste waar voor zijn ondermaats bod. Ik krijste van het lachen of van angst bij dat idee – ik kon mijn eigen emoties nooit echt uit elkaar houden. 

    De chauffeur draaide zich om en gaf een klap op mijn kooi. Voor het eerst in mijn vederige bestaan zag ik het voordeel van mijn opsluiting in. Ik kon niet naar buiten, maar de buitenwereld kon mij evenmin raken. Het bracht me op de rand van een geweldige filosofische doorbraak, dat voelde ik, dus wilde ik er dieper op ingaan: ‘Misschien,’ zei ik tegen de chauffeur, ‘misschien zit ik helemaal niet opgesloten, maar zit jij vast. Want wie bepaalt wat binnen en wat buiten is? Je kan denken dat ik in een heel erg kleine kooi zit, maar wat als dit eigenlijk een gigantische kooi is die de hele aardbol omspant, behalve dan deze dertig centimeter?’ Hij zuchtte en keek mij vanuit de achteruitkijkspiegel geërgerd aan. Ik begreep het wel, het moest vervelend zijn als je hele denkwereld zomaar op een gewone werkdag omver werd gegooid. Ik voelde me aangemoedigd: ‘Wat als het jouw diepste wens was om precies in deze dertig centimeter te zitten? Het is niet omdat jij meer beweegruimte hebt dat je per se vrijer bent, wel?’ 

    Beeldend werk van Ellen Braga.

    Het was een mooie theorie waar ik graag langer in had willen geloven, maar de chauffeur remde, gooide het portier open, stapte uit en zei: ‘Nu is het genoeg met dat gekrijs.’ Hij kletterde mij en mijn kooi bruut de kofferbak in waardoor ik de rest van de rit onder mijn etensbakje geklemd zat. Met geen filosofie ter wereld kreeg ik mijn pootje los. 

    Zo kwam ik bij een nieuwe assistent terecht, een Guido van een heel ander soort slag. Ze heette ook niet Guido, maar Patricia. Ze had lang, geelblond haar en bezat een zin voor overdrijving en dramatiek die me zelden stoorde wanneer ze het over mijn persoonlijkheid had. 

    ‘Ik heb zo lang op je gewacht’ zei ze, toen de taxichauffeur me bij haar afzette. ‘Zo lang gewacht! Lief, klein kaketoeteltje mijn’. 

    Ik wilde graag zeggen dat het wederzijds was, maar ik wist nog maar anderhalve dag van haar bestaan af. 

    Ze bezat een gigantisch appartement. In de woonkamer, vlak voor het raam stond ‘le petit château’, zoals Patricia mijn kooi noemde. 

    Mijn nieuwe luchtruim bedroeg zo’n twee kubieke meter, de laatste keer dat ik zoveel plaats had dateerde van voor de klap. Naast mijn kooi had Patricia een gechromeerde luchtzuiveringsinstallatie opgehangen en een ventilator, zodat ik af en toe de wind door mijn veren kon voelen strijken. Wanneer de woonkamerramen net gewassen waren, ik door twee spijlen heen keek en me een beetje meewerkend opstelde, kon ik best geloven dat ik me in de vrije lucht bevond. 

    Hoe dan ook had Patricia zich de aankoop van le petit château beter bespaard want ik was ondertussen zo bekwaam geworden in stil blijven staan dat grote ruimtes me alleen maar benauwden. Straks zou ze ook nog eens verwachten dat ik deed alsof ik kon vliegen. 

    (…)

    Wil je de rest van ‘Schreeuwbek’ lezen? Koop dan #46 Het Dier in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #46 Het Dier toegestuurd als welkomstexemplaar! Gun jezelf een literair cadeautje.


    Jutta Callebaut.

    Jutta Callebaut (1992) werkte in verschillende internationale dolfinaria. Ze bestudeerde hoe het gedwongen uitvoeren van salto’s in ruil voor diepgevroren schelvis de zelfwaarde van jonge zeeleeuwen aantast. Bìjna behaalde ze haar doctoraat gedragsbiologie, maar een bond van verbolgen zeeleeuwenshow-organisatoren wist de publicatie van haar onderzoek te voorkomen. Ze wendde zich tot de literatuur in de hoop haar resultaten alsnog te openbaren, zij het in dichtvorm. Ze schrijft uitsluitend fictie en boze lezersbrieven.

  • Astrid Haerens kiest voor … ‘Confrontaties’ van Maartje Franken

    Astrid Haerens kiest voor … ‘Confrontaties’ van Maartje Franken

    Meter Astrid Haerens kiest voor gedichten en een kortverhaal. Haar eerste favoriete tekst is het poëtische tweeluik ‘Confrontaties’ van Maartje Franken. 

    Astrid Haerens.

    “In een documentaire zei Marcel Broodthaers eens dat ‘poëzie de gewoontes verstoort in een wereld waar men poogt alles te verklaren, alles te ordenen’. Althans, zo meen ik het me te herinneren. Goede gedichten laten zien dat de ruimtes die ze vormen niet enkel aangenaam of troostrijk maar ook of net juist oncomfortabel, tochtig en ongemakkelijk kunnen zijn. Zo ook in ‘Confrontaties’ van Maartje Franken. Haar tweedelig gedicht voelt tijdens het lezen steeds meer aan als een benauwende kamer, niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk: zelfs het blad is te krap voor de voorlaatste regel. ‘Je wil iets uitdrukken / met je handen’, schrijft ze. De regels van dit gedicht roepen machteloosheid en woede bij me op, de tekst schippert tussen verdriet en horror. Die horror geeft me tegelijk goesting om verder te lezen en dit dierennummer van Kluger Hans dicht te klappen en ver weg te leggen. Gelukkig las ik verder. Het gedicht ontregelt en bruskeert, slaat en zalft, zoals, volgens Marcel en volgens mij, goede poëzie doet.”


    ‘Confrontaties’ van Maartje Franken:

    I

    misschien niet het besef laten landen dat de hond op je for-you-page eigenlijk 

    een Japanse man in een hondenpak is. hij rolt over het gras en je wenst 

    een hond met rare ogen de realiteit in. 

    misschien: geen groot dier zien sterven. geen zwaar vlees geen vliegen niet het woord: kadaver. 

    of de zoon van je oude wiskundeleraar; hoe hij verdween in Peru en tot op heden 

    niet gevonden is. misschien denk je niet na over open zee. of stoffelijk overschot en 

    wat daarvan overblijft wanneer het kale hoofd van een geliefde kapot spat tegen een spoor.

    je wil iets uitdrukken 

    met je handen  – misschien iets bolvormigs en omvangrijks – maar je kan er de juiste wijdte

    niet voor blootleggen.

    je vindt jezelf;

    in een hobbywinkel sta je oog in oog met een gezichtsloos stokpaard.

    II

    er bestaan krengenwagens voor grote dode beesten. die laten zien

    dat het dendert; soms allemaal een grote lompe bedoeling is

    je kijkt een filmpje over een freak-accident op een waterglijbaan waarin iemand zijn hoofd verliest.

    je graaft per ongeluk je gestorven konijn op uit de moestuin. 

    je herkent iets: in jezelf, in je vrienden, in de grijns van een opgezette vos in de slaapkamer van een familielid. 

    het dendert.

    Benieuwd naar de rest van het nummer? Koop #46 Het Dier in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #46 Het Dier toegestuurd als welkomstexemplaar!


    Maartje Franken.

    Maartje Franken (2000) woont in Nijmegen en studeert Psychologie. Ze schrijft vooral proza, waarmee ze eerder verscheen in onder andere Op Ruwe Planken, Kluger Hans, De Optimist, en Notulen van het Onzichtbare. Ook verscheen ze op diverse podia, waaronder op Kunstnacht Nijmegen, het Nieuwe Types festival en het Inscience Filmfestival. Daarnaast is ze enthousiast redactielid bij Op Ruwe Planken.

  • Yousra Benfquih kiest voor … ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems

    Yousra Benfquih kiest voor … ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems

    Bij een nieuw nummer horen nieuwe peetouderkeuzes en dat is ook bij #46 Het Dier niet anders! Graag stellen we je voor aan de favorieten van Yousra Benfquih. Zij kiest voor twee kortverhalen. Haar eerste favoriete tekst is het verhaal ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems.

    Yousra Benfquih. Foto door Wouter le Duc.

    “Momenteel is de genocide in Gaza – en de waarheden die ze blootlegt – de lens waardoor ik kijk naar de wereld. Bij het nummer over ‘Dier’ gaan mijn gedachten dan ook naar de genocidale retoriek (veroordeeld door het Internationaal Gerechtshof) waarmee Israëlische politici en legerofficieren Palestijnen dehumaniseren en vergelijken met dieren: ze worden ‘human animals’ genoemd, mieren, ratten, slangen, en zelfs ‘lesser than animals’. Ook vandaag gaat koloniaal beschavingsdenken dus nog hand in hand met antropocentrisme. Vertrekken vanuit het dier vind ik daarom a priori boeiend.

    Binnen het nummer zijn er enkele teksten die in het bijzonder bijblijven. Bijvoorbeeld de ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems. Ik vind het mooi hoe de tekst een feministische knipoog werpt naar patriarchale, institutionele religie door de vrouw van de profeet Noah een naam te geven: ‘deze naam vormt een beeld, maakt een verhaal mogelijk’, klinkt het treffend in de openingsparagraaf. Ook hier denk ik aan hoe we van de gedode Palestijnen de namen en verhalen niet kennen, hoe zij cijfers voor ons blijven. 

    Door zijn zintuigelijke beschrijvingen slaagt Maarten erin een bijzonder rijke wereld te scheppen, bewoond door Javaanse tijgers en tarantula’s, reuzenschildpadden en kleurige gekkosoorten. Dat zijn debuutbundel een bestiarium zal zijn, verbaast me niet. De beelden die hij schetst zijn erg sterk en blijven hangen, waaronder die van de door de zee volledig bedekte aardbol, die van de warme zeewind die als een pasgeboren zoon onder haar jurk tegen Naamah’s huid aankruipt, alsook het prachtige einde.”


    Eerste twee pagina’s van ‘De ark van Naamah’ van Maarten Jochems:

    Dag nul
    Een man heeft volgens de overlevering eerst een moeder en dan een naam en dan een vrouw. Noach is al vijfhonderd jaar wanneer hij ook drie zonen krijgt: Sem, Cham en Jafet. Zij hebben elks dezelfde moeder, een andere naam, en op de dag van de zondvloed ook alle drie een andere vrouw. We kunnen hieruit afleiden dat dezelfde volgorde ook voor vrouwen moet gelden: moeder, naam, man. Daaruit zou moeten blijken dat Noachs vrouw een naam heeft. Deze naam is ons echter niet bekend, net zomin als die van Noachs moeder. In middeleeuwse bibliotheken kopieerden monniken met vroom geduld hele Bijbels, maar zagen het niet gepast hen een naam te geven. Rabbi’s en imams verwezen op hun spreekgestoelte steevast naar Noachs vrouw als ‘de vrouw’. In sommige commentaren op de scriptuur komen we het toch tegen, pogingen tot het noemen. Een van die pogingen noemt haar Naamah, wat zoveel betekent als ‘aangenaam’. Deze naam vormt een beeld, maakt een verhaal mogelijk. Wanneer de zondvloed begint, is Naamah vijfhonderd jaar, maar honderd jaar jonger dan Noach, en ze heeft sinds kort enkele aswitte lokken in haar roetzwarte haar.  

    Dag een
    Salamandersoorten hebben nog geen namen, laat staan Latijnse. Ze zijn slechts te onderscheiden aan de hand van hun kleuren: terracottabruin, gifgeel, Pruisisch blauwe stippen, vlezig roze. Hetzelfde geldt voor kikkers, motten, wespen, zelfs de suikervogels. Massaal staan zij op die eerste dag aan de poorten van de ark. Er is maar plaats voor zeven paartjes van de reine dieren, twee van de onreine dieren. Noach kan de boekhouding niet bijhouden, wrijft in zijn baard, zucht soms, slikt, gaapt. Naamah ziet Noach vaak ontredderd in haar richting kijken. Dan wijst Noach uiteindelijk toch met zijn vinger naar een hok en zegt hij tegen een paartje: daar, daar mag je slapen.
    Maanden werkten Naamah en Noach aan volières, terraria, zoetwateraquaria. Ze zochten geschikte mossen, varens, sliepen in hangmatten of hoofd-tegen-hoofd in de holte van een dode boom. Legden voorraden aan van zeldzame noten, gedroogde krekels, savannegras, fermenteerden kool en haring en roofden hele bijennesten waarvan ze de honingraten versneden en verdeelden in bokalen. En nu staan de dieren hier te drammen. En hun zonen zijn al in hun kajuiten gekropen met hun vrouwen. En Noach weet geen raad. Een dag lang zegt hij naar eigen goeddunken: jij en jij en jij en jij, ik hou van je kleur, geluid, je karakter, maar de rest mag niet mee, nee , jullie zijn niet uitverkoren, blijf hier, leer zwemmen. 

    Dag zeven
    Het duurt zeven dagen voor het eerste sterfgeval. Buiten blijft het water stijgen, binnen ontspoort de misselijkheid. Diep in het scheepsruim ligt de Javaanse tijger te kermen in het onfrisse hooi van zijn kooi, het dier hunkert naar vers vlees, nat gras, de verlossing van een dageraad. Net zo ligt Noach in zijn kajuit zijn roes uit te slapen, want zonder dat God of Naamah het wist, had hij tien vaten wijn meegesmokkeld, en liet daarvoor een volledig genus loopvogels aan land. Naamah doet de rondes, vindt de tijger, weet direct hoe en wat. Tovert uit haar binnenzak een minuscule kruisboog, verdooft het tijgervrouwtje met een pijl vol ketamine in haar bil. Dan haalt Naamah een kleine, glazen flacon boven. Ze opent de kooi, sust het mannetje. Bij het hijgen en zingen van het hele scheepscompartiment trekt Naamah de tijger af, doorkruist dan de gangen naar de spermakamer, bevriest het goedje met stikstofdamp. Prevelt een gebed, noemt het Gods werk. 

    Dag zevenentwintig
    De cederhouten planken, het beddengoed, Naamahs huid, haar, Noachs baard, alles ruikt naar de regen die al vier weken onophoudelijk op het dek en tegen de wanden klettert. Uit de weinige ramen van het schip is zelfs de zee nauwelijks te zien in de grijze, alomvattende hemelcascade. Door de vloeren van de verschillende verdiepingen van de ark sijpelt alsmaar meer regenwater, samen met talloze urinelozingen druipt het tot in de voorraadkasten. Het meel, de linnen gewaden, de boekhouding, alles is doordrenkt, schimmels tieren welig. Drie dagen geleden stortte een zwarte neushoorn door enkele rotte planken een verdieping naar beneden. De neushoorn bleef ongedeerd, maar hij bezorgde met zijn val de ultieme vergetelheid aan zesenzeventig felgekleurde gekkosoorten.

    (…)

    Lees je graag de rest van dit verhaal? Koop #46 Het Dier in onze webwinkel of in een van deze boekhandels. Of word abonnee, dan krijg je automatisch #46 Het Dier toegestuurd als welkomstexemplaar! Hoera!


    Maarten Jochems. Foto door Tess Van der Sanden.

    Maarten Jochems (1996) studeerde filosofie in Antwerpen, Madrid en Leuven. Zijn gedichten verschenen eerder bij Deus ex Machina en De Optimist. Voor Fantômas schreef hij verschillende filmkritische teksten. Momenteel voltooit hij zijn master schrijven aan het RITCS in Brussel en werkt hij aan zijn eerste dichtbundel, een bestiarium.

  • Geniet nog na van Literaire Schurft #44

    Geniet nog na van Literaire Schurft #44

    Op zaterdag 13 mei vierden we feestelijk de nieuwste worp van Kluger Hans op onze Literaire Schurft #44 Blur, samen met vertaalster Eveline Mineur, auteurs Stefanie Huysmans-Noorts en Charlotte de Beus en muzikant Anton Van Laer.

    Ter gelegenheid van de lanceringsavond, werkten Charlotte de Beus en Anton Van Laer samen om het gedicht “Het rood achter de zon” op muziek te zetten. Kon je er vorige zaterdag niet bijzijn of geniet je graag nog even na van de blurry avond? Beluister dan hier de samenwerking tussen Charlotte en Anton en “Niet zomaar een bos maar het bos in mijn hoofd”, een extra gedicht van Charlotte in audio-formaat:

    “Het rood achter de zon” van Charlotte de Beus en Anton Van Laer

    “Niet zomaar een bos maar het bos in mijn hoofd” van Charlotte de Beus

    Graag nog meer horen van muzikant Anton Van Laer aka Balaclava?

    Beluister nog muziek van Anton Van Laer via Spotify

    Lees je graag #44 Blur op papier? Haal hem bij de betere boekhandel of bestel online!